ECLI:NL:RBDHA:2026:17715

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL26.27469
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 VwArt. 59 VwArt. 106 VwArt. 5 richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens te late omzetting maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

Eiser werd op 21 april 2026 opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en kreeg een maatregel van bewaring opgelegd. De maatregel werd op 7 mei 2026 opgeheven, maar eiser stelde dat de omzetting van de maatregel te laat had plaatsgevonden, waardoor sprake was van onrechtmatige vrijheidsontneming.

De rechtbank stelde vast dat eiser terecht op de juiste wettelijke grondslag was opgehouden, ondanks dat een kopie van een verlopen paspoort in het dossier zat. De maatregel van bewaring had binnen twee dagen na het indienen van de asielaanvraag op 4 mei 2026 moeten worden omgezet, maar dit gebeurde pas op 7 mei 2026. Hierdoor duurde de onrechtmatige vrijheidsontneming vier dagen voort.

De rechtbank voerde een ambtshalve toetsing uit en vond geen andere gronden die de rechtmatigheid van de maatregel vóór 4 mei 2026 in twijfel trokken. De rechtbank kende daarom een schadevergoeding toe van €480,- voor de vier dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelde de Staat tot betaling van deze vergoeding en de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De rechtbank kent een schadevergoeding van €480,- toe wegens te late omzetting van de maatregel van bewaring.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27469

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 7 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M.M. Lukomski. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Grondslag van de ophouding / omzetting van de maatregel
2. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring van 21 april 2026 te laat is omgezet, waardoor hij recht heeft op schadevergoeding, maar dat deze hoger moet zijn dan die verweerder heeft aangeboden, omdat hij in eerste instantie op een onjuiste grondslag is opgehouden. Zijn identiteit en nationaliteit waren tijdens het strafrechtelijk voortraject namelijk al bekend en in het dossier bevindt zich een kopie van het paspoort van eiser. Eiser had dan ook niet op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw mogen worden opgehouden, maar op grond van het derde lid van dat artikel. Volgens eiser maakt dit ook dat de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig is.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser op de juiste grondslag opgehouden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de in het kader van de strafrechtelijke aanhouding verkregen gegevens over de identiteit van de vreemdeling tot uitgangspunt mogen worden genomen bij de ophouding, maar dat dit niet betekent dat die identiteit in het vervolg als vaststaand moet worden aanvaard (zie onder andere de uitspraken van 8 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3719) en van 25 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:134)). Vaststaat dat eiser ten tijde van zijn ophouding niet beschikte over een identificerend document. Dit blijkt uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek (M105-A) en is bovendien door eiser zelf bevestigd tijdens het gehoor van 21 april 2026. Gelet hierop kon zijn identiteit op het moment van ophouding niet worden vastgesteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder eiser terecht op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw heeft opgehouden. Dat zich in het dossier een (verlopen) kopie van eisers paspoort bevindt, maakt het voorgaande niet anders.
4. De rechtbank stelt verder vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de maatregel van bewaring van 21 april 2026 te laat is omgezet. Volgens vaste rechtspraak dient verweerder een maatregel van bewaring binnen twee dagen om te zetten naar een andere grondslag, wanneer deze niet meer op een juiste wettelijke grondslag berust (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:6279)). Uit het rechtbankdossier volgt dat eiser op 4 mei 2026 een asielaanvraag heeft ingediend. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 6 mei 2026 de maatregel had moeten omzetten naar een andere grondslag. Dat is pas op 7 mei 2026 gebeurd, zodat de aan eiser op 21 april 2026 opgelegde maatregel van bewaring met ingang van 4 mei 2026 tot de omzetting op 7 mei 2026 onrechtmatig heeft voortgeduurd. Ook dit is tussen partijen niet geschil.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van de asielaanvraag van eiser op 4 mei 2026 op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond, omdat deze maatregel vanaf 4 mei 2026 tot de opheffing ervan op 7 mei 2026 onrechtmatig heeft voortgeduurd. Dit leidt echter niet tot het opheffen van de maatregel van bewaring, omdat deze maatregel van bewaring al is opgeheven. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor vier dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 4 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 480,-. Nog daargelaten of een onjuiste grondslag van de ophouding tot een hogere schadevergoeding moet leiden, slaagt het betoog van eiser, gelet op hetgeen onder 3. is overwogen, niet.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 480,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.