ECLI:NL:RBDHA:2026:17718

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL24.44543
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1(F) VluchtelingenverdragArt. 3 EVRMArt. 31 lid 1 VwArt. 30b lid 1 sub j VwArt. 29 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens betrokkenheid bij ernstige misdrijven en intrekking terugkeerbesluit

Eiser, een Iraanse nationaliteit dragende man, diende op 22 augustus 2022 een asielaanvraag in na tijdelijke bescherming in Nederland. De minister wees deze aanvraag op 30 oktober 2024 af als kennelijk ongegrond wegens ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser betrokken was bij oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid, zoals bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Tevens legde de minister een terugkeerbesluit en inreisverbod op.

Eiser voerde aan dat hij slechts als dienstplichtige bij de Sepah werkte zonder persoonlijke betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen en dat hij onder dwang handelde. De rechtbank oordeelde dat er geen vrijwaringsgronden zijn, omdat het verbod op foltering absoluut is en eiser wist van de onwettigheid van de gevangenneming van Koerden. Ook was er geen sprake van dwang, gezien zijn goede relatie met superieuren en vrijwillige werkzaamheden na dienstplicht.

De minister trok het terugkeerbesluit en inreisverbod in vanwege het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Iran. Hierdoor verklaarde de rechtbank het beroep tegen deze besluiten niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag werd ongegrond verklaard. De rechtbank veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van €1.868,-.

Uitkomst: De asielaanvraag wordt afgewezen wegens betrokkenheid bij ernstige misdrijven en het beroep tegen het terugkeerbesluit is niet-ontvankelijk vanwege intrekking.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.44543

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser,

(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. S. Kuster).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Ook heeft de minister een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag en het opleggen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Voor zover het beroep gericht is tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod is het beroep niet-ontvankelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 22 augustus 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij heeft de Iraanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1979. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 oktober 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook heeft de minister een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S.M. Razaghi als tolk en de gemachtigde van de minister.
2.3.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht de uitspraaktermijn met zes weken te verlengen.

Totstandkoming van het besluit

Het asielrelaas
3. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier tijdelijke bescherming gekregen op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming [2] . Na het beëindigen van de tijdelijke bescherming heeft eiser aangegeven dat hij in Nederland de asielprocedure wil doorlopen.
3.1.
Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is na de scheiding van zijn eerste (Iraanse) partner vertrokken naar Oekraïne, omdat hij problemen had met de streng gelovige schoonfamilie. Ook had eiser problemen met het Iraanse regime. Daarnaast is eiser in Oekraïne van geloofsovertuiging veranderd en is hij bekeerd tot het christendom. Eiser vreest daarom bij terugkeer voor de Iraanse regering en voor zijn ex-schoonfamilie.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw. De minister heeft getoetst aan zijn beleid in paragraaf C2/7.10.2 van de Vc [3] . Volgens de minister vormt eiser een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid, omdat er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat eiser een oorlogsmisdrijf, misdrijf tegen de menselijkheid of een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a, en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. [4] Eiser heeft door zijn werkzaamheden voor de Sepah [5] de marteling/foltering, (zware) mishandeling en gevangenneming van onder andere Koerden gefaciliteerd, aldus de minister. Eiser komt gelet op het voorgaande en artikel 3.107 van het Vb [6] niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 van Pro de Vw.
4.1.
De minister heeft verder geconcludeerd dat eiser bij terugkeer naar Iran geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM. [7] De minister vindt dat de door eiser gestelde bekering en afvalligheid van de Islam geen dusdanig wezenlijk onderdeel van zijn religieuze identiteit vormt, dat eiser hierdoor een reëel risico loopt.
4.2.
De minister heeft aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Verder heeft de minister een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar en dit inreisverbod gesignaleerd in het SIS omdat hij vindt dat eiser een bedreiging voor de openbare orde vormt.
4.3.
In het verweerschrift van 8 april 2026 stelt de minister zich op het standpunt dat gelet op het geldende besluit- en vertrekmoratorium [8] en de omstandigheden waarop dit moratorium is gebaseerd, op dit moment voor eiser een risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM wordt aangenomen op grond van de algemene situatie in Iran. Dit brengt met zich dat aan eiser ten onrechte een terugkeerbesluit en een inreisverbod is opgelegd. De minister trekt daarom het terugkeerbesluit en het inreisverbod in.

Beoordeling door de rechtbank

Artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag
Wat voert eiser aan?
5. Eiser voert aan dat hij enkel als dienstplichtige werkzaam is geweest voor de Sepah, maar dat hij zelf geen mensenrechtenschendingen heeft gepleegd. Dat hij zijn dienstplicht zo uitvoerde dat zijn superieuren tevreden waren en hem een vast dienstverband aanboden, zegt volgens eiser niets over het al dan niet schuldig zijn aan mensenrechtenschendingen. Eiser was, zonder dat hij daar invloed of inspraak in had, ingedeeld bij de Sepah. Als eiser de dienstplicht zou hebben geweigerd, dan had dit zijn leven kunnen kosten. Bovendien kent het Iraanse systeem geen vervangende dienstplicht voor dienstweigering. Verder vindt eiser het van belang dat toen hij wel zelf keuzes kon maken, hij direct heeft gekozen voor een leven buiten de Iraanse krijgsmacht. Eiser heeft uiteengezet dat de situatie ten aanzien van de Koerden fluïde was, dat velen van hen weliswaar gewone burgers waren, maar dat de Koerden ook als strijders actief waren tegen het Iraanse regime. Eiser wist dat de mensen die hij met naam aanleverde zouden worden aangehouden, maar dat ligt volgens hem buiten zijn verantwoordelijkheid. Eiser stelt dat hij geen Koerden of burgers heeft mishandeld of gefolterd.
Juridisch kader
6. De bepalingen van het Vluchtelingenverdrag zijn onder andere niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij een oorlogsmisdrijf, misdrijf tegen de menselijkheid of een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten. [9]
6.1.
De wijze waarop de minister onderzoekt of een vreemdeling individueel verantwoordelijk moet worden gehouden voor 1(F)-misdrijven is neergelegd in paragraaf C2/7.10.7.2 van de Vc. De minister beoordeelt eerst of sprake is van een dergelijk misdrijf. Daarna beoordeelt de minister of ten aanzien van de vreemdeling kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van een misdrijf
(knowing participation)én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen
(personal participation), bijvoorbeeld door het plegen of faciliteren van dergelijke misdrijven of het opdracht geven daartoe. [10] Wanneer is vastgesteld dat van het voorgaande sprake is, beoordeelt de minister tot slot of er sprake is van omstandigheden die de vreemdeling vrijwaren van verantwoordelijkheid. Dit kan het geval zijn wanneer de vreemdeling handelde op bevel, onder dwang of ter zelfverdediging. [11]
6.2.
Het is aan de minister om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling één van de zeer ernstige misdrijven, bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, heeft gepleegd. [12] Aan de bewijsvoering en de motivering van de minister worden strenge eisen gesteld vanwege de ernst van de misdrijven waarop artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag betrekking heeft en het verstrekkende karakter van de vaststelling dat die bepaling op een vreemdeling van toepassing is.
Wat is er in geschil?
7. Op de zitting is vast komen te staan dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser in de periode van 20 februari 2004 tot en met 23 juli 2005 tijdens zijn militaire dienst in de functie van officier bij de Sepah betrokken was bij de gevangenneming van Koerden, die hij na registratie liet fouilleren en liet ophalen door een andere dienst van de Sepah en dat dit een 1(F)-misdrijf is.
7.1.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser gevrijwaard dient te worden van de gevolgen van zijn optreden, omdat er sprake was van handelen op bevel en van dwang.
Vrijwaring van verantwoordelijkheid
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich met toepassing van paragraaf C2/7.10.2.5 van de Vc terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen omstandigheden zijn die eiser vrijwaren van zijn verantwoordelijkheid voor de misdrijven. Het verbod op foltering is absoluut en er bestaat geen enkele rechtvaardiging voor. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser wist, dan wel moet hebben geweten, dat de gevangenneming van de Koerden aan de grens, die hij na registratie liet fouilleren en ophalen door een andere tak van de Sepah, onmiskenbaar onwettig was. Hij wist immers dat de Sepah zich wijdverbreid en/of stelselmatig schuldig maakte aan marteling/foltering en (zware) mishandelingen van mensen (waaronder Koerden). Zoals in artikel 33, tweede lid, van het Statuut van Rome is bepaald zijn bevelen om genocide of misdrijven tegen de menselijkheid te plegen onmiskenbaar onwettig. Daarom kan eiser wegens het gestelde handelen op bevel niet van verantwoordelijkheid worden ontheven.
9. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat ook de vrijwaringsgrond dwang niet van toepassing is. Uit de verklaringen van eiser volgt dat eiser een goede relatie had met zijn superieuren. Eiser kreeg aan het einde van zijn dienstplicht zelfs een vast dienstverband aangeboden. Uit die verklaringen volgt verder dat eiser de dienstplicht zo goed mogelijk wilde uitvoeren. Niet is gebleken dat eiser in de jaren van zijn dienstplicht een moment heeft gehad dat hij uit gewetensnood met zijn werk wilde stoppen. Weliswaar zou stoppen met het werk tijdens de dienstplicht neer kunnen komen op desertie en had dit grote gevolgen voor eiser kunnen hebben, maar dit vrijwaart eiser nog niet van het faciliteren van misdrijven. [13] De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser ook heeft kunnen tegenwerpen dat eiser na het vervullen van de dienstplicht zes à zeven jaar tot zijn vertrek uit Iran in 2019 vrijwillig heeft gewerkt voor de reisorganisatie die nauwe banden heeft met de Sepah. Eiser werkte immers als reisleider waarbij hij de Sepah van informatie over toeristen voorzag.
10. Gelet op het voorgaande bestaan er geen gronden om eiser te vrijwaren van zijn verantwoordelijkheid. De beroepsgrond slaagt niet.
Tussenconclusie
11. Uit het voorgaande volgt dat de minister artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan eiser heeft kunnen tegenwerpen. Eiser is daarom uitgesloten van bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag. Daarom komt hij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 van Pro de Vw. De minister heeft de aanvraag van eiser dan ook terecht afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j van de Vw.
Artikel 3 van Pro het EVRM en het terugkeerbesluit en inreisverbod
12. Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van eiser sprake is van een terugkeerbeletsel. De minister heeft namelijk het terugkeerbesluit en inreisverbod ingetrokken, omdat op dit moment voor eiser een risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM wordt aangenomen op grond van de algemene situatie in Iran. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen noodzaak om de beroepsgronden over zijn gestelde bekering tot het christendom, in het kader van een reëel risico op behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM, te beoordelen. Op dit moment kan een beoordeling of strijd bestaat met artikel 3 van Pro het EVRM namelijk tot niets leiden, omdat er al een risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM wordt aangenomen vanwege de algemene situatie in Iran. Op het moment dat de minister weer overgaat tot uitzetting en er geen terugkeerbeletsel meer bestaat vanwege de algemene situatie in Iran, kan opnieuw worden beoordeeld of eiser gelet op zijn individuele situatie bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank overweegt verder dat er pas ruimte bestaat om de proportionaliteit van het onthouden van een verblijfsvergunning te beoordelen als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 van Pro het EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting naar het land van herkomst. ‘Duurzaam’ houdt volgens het beleid van de minister in paragraaf C2/7.10.2.6 van de Vc onder meer in dat er tien jaar moet zijn verstreken vanaf de datum van de eerste asielaanvraag. Daar is in dit geval geen sprake van. Daarom bestaat er op dit moment geen ruimte voor een proportionaliteits- dan wel evenredigheidsbeoordeling.
13. De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod niet-ontvankelijk is. De minister heeft namelijk het terugkeerbesluit en inreisverbod ingetrokken, omdat eiser bij terugkeer naar Iran een risico loopt op schending van artikel 3 van Pro het EVRM vanwege de algemene situatie in Iran op dit moment. Daarmee komt de minister in zoverre tegemoet aan het beroep van eiser. Eiser heeft dus geen belang meer bij zijn beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep voor zover dat ziet op de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond, omdat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser in zoverre geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. Het beroep voor zover dat ziet op het terugkeerbesluit en het inreisverbod is niet-ontvankelijk, omdat de minister het terugkeerbesluit en het inreisverbod heeft ingetrokken.
15. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod het gevolg is van de intrekking van het terugkeerbesluit en het inreisverbod nadat het beroep is ingesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep voor zover dat ziet op de afwijzing van de asielaanvraag ongegrond;
  • verklaart het beroep voor zover dat ziet op het terugkeerbesluit en het inreisverbod niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, voorzitter, en mr. A.M. den Dulk en mr. D. de Vries, leden, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Richtlijn 2001/55/EG.
3.Vreemdelingencirculaire 2000.
4.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
5.De Islamitische Revolutionaire Garde.
6.Vreemdelingenbesluit 2000.
7.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
8.Zie paragraaf C7/17.1 van de Vc en C7/17.7 van de Vc.
9.Dit staat in artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag.
10.Zie paragraaf C2/7.10.2.4. van de Vc.
11.Zie paragraaf C2/7.10.2.5. van de Vc.
12.Zie bijvoorbeeld uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3684 en 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1267.
13.Artikelen 1 en 2 van het Antifolterverdrag.