De zaak betreft het beroep van eisers tegen de verlening van een omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk aan vergunninghouder voor de uitbreiding van een bloembollenteeltbedrijf met 1.843 m² bedrijfsruimte op een locatie in het buitengebied. Eisers voerden meerdere beroepsgronden aan, waaronder onjuiste beoordeling van verkeersbewegingen, stikstofdepositie en brandveiligheid.
De rechtbank oordeelt dat de aanvraag is ingediend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zodat het oude recht van toepassing is. Het bouwplan wijkt beperkt af van het bestemmingsplan, maar het college heeft beleidsruimte om binnenplanse afwijkingen toe te staan. De rechtbank stelt vast dat de vergunninghouder eigenaar is van het perceel en dat de aanvraag terecht op zijn naam staat, ondanks samenhang met een ander bedrijf.
Ten aanzien van verkeersbewegingen concludeert de rechtbank dat het college terecht heeft vastgesteld dat het aantal verkeersbewegingen niet zal toenemen, mede op basis van een verkeersonderzoek. De stelling van eisers dat het verkeer via hun perceel moet worden afgewikkeld, is onvoldoende onderbouwd. Ook de beroepsgrond over stikstofdepositie faalt omdat eisers geen rechtstreeks belang hebben bij de bescherming van het Natura 2000-gebied.
De klacht over brandveiligheid wordt verworpen vanwege het relativiteitsvereiste; de brandveiligheidseisen beschermen niet de belangen van eisers. Overige beroepsgronden, zoals het groene karakter van het buitengebied en strijd met wet- en regelgeving, slagen eveneens niet. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft en eisers geen proceskostenvergoeding ontvangen.