ECLI:NL:RBDHA:2026:17750

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL25.51497
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 6:19 Algemene wet bestuursrechtArt. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 30b Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag niet-praktiserend moslim uit Afghanistan wegens onvoldoende motivering

Eiser, een Afghaan, diende zijn vijfde asielaanvraag in met het motief dat hij is bekeerd tot het christendom, wat later niet meer werd betwist. De discussie spitste zich toe op de vraag of hij als niet-praktiserend moslim bij terugkeer naar Afghanistan vervolging of ernstige schade moet vrezen. De minister wees de aanvraag af, maar de rechtbank stelde vast dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd, met name omdat recente landeninformatie en het Algemeen Ambtsbericht van december 2025 niet waren betrokken.

De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende rekening hield met de invoering van een moraalwet in Afghanistan die het niet-praktiseren van de islam strafbaar stelt en dat de minister niet had gemotiveerd waarom eiser geen reëel risico loopt op vervolging. Ook het terugkeerbesluit was niet deugdelijk gemotiveerd, mede omdat geen actuele refoulementbeoordeling was gemaakt en het belang van het gezinsleven onvoldoende was betrokken.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en het aanvullende besluit en droeg de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij alle relevante informatie, waaronder het Algemeen Ambtsbericht en individuele omstandigheden van eiser, moet worden betrokken. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het afwijzingsbesluit en het aanvullende besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van recente landeninformatie en individuele omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51497

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Spapens),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).

Samenvatting

1. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en heeft voor de vijfde keer een asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij is bekeerd tot het christendom en gegroeid is in dat geloof. Deze asielaanvraag heeft verweerder afgewezen. Nadat eiser daartegen beroep had ingesteld heeft de rechtbank dat afwijzingsbesluit vernietigd omdat verweerder niet was ingegaan op recente landeninformatie en op een gedwongen terugkeer naar Afghanistan.
1.1
Verweerder heeft vervolgens met het bestreden besluit opnieuw de asielaanvraag afgewezen en eiser heeft daartegen dit beroep ingesteld. Er is niet meer in geschil dat eiser niet is bekeerd tot het christendom en zich niet heeft verdiept in dat geloof. Wel is in geschil of hij als niet-praktiserend moslim bij terugkeer naar Afghanistan moet vrezen voor vervolging of ernstige schade, zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. [1]
1.2
De rechtbank vindt dat verweerder het bestreden besluit niet goed heeft gemotiveerd. Verweerder bestrijdt niet dat eiser de islam niet praktiseert en hij een rooms-katholieke vrouw heeft waarmee hij een dochter heeft. Uit de informatie over Afghanistan blijkt dat er een moraalwet is, op grond waarvan onder meer het niet praktiseren van de islam wordt vervolgd en op verschillende manieren wordt bestraft. Verweerder heeft deze informatie ten onrechte niet in zijn besluitvorming betrokken. Het tegen eiser uitgevaardigde terugkeerbesluit is ook niet voldoende gemotiveerd. De rechtbank vernietigt deze besluiten en draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen.

Procesverloop

2. Op 19 augustus 2021 heeft eiser zijn vijfde aanvraag voor een asielvergunning ingediend. Verweerder heeft met het besluit van 27 september 2024 de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
2.1
Bij uitspraak van 14 augustus 2025 [2] heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 september 2024 vernietigd en verweerder opgedragen om een nieuw besluit te nemen.
2.2
Met het besluit van 16 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. In dat besluit heeft verweerder eiser wel uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) verleend, omdat zijn moeder vanwege medische redenen uitstel van vertrek is verleend.
2.3
Eiser heeft op 21 oktober 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op 4 februari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.4
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, N. Vakili als tolk en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek na de zitting gesloten.
2.5
Op 19 februari 2026 heeft verweerder het besluit van 17 februari 2026 (het aanvullende besluit) in het digitale dossier geplaatst. Hierin heeft verweerder besloten dat eiser geen uitstel van vertrek om medische redenen krijgt. Ook is benoemd dat tegen eiser al op 28 mei 2016 een terugkeerbesluit was uitgevaardigd en dat hij onmiddellijk dient te vertrekken. Het inreisverbod voor de duur van twee jaar dat eerder tegen hem was uitgevaardigd, heeft verweerder met het aanvullende besluit ingetrokken. Op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft eisers beroep ook betrekking op het aanvullende besluit.
2.6
De rechtbank heeft het onderzoek op 26 februari 2026 heropend en eiser in de gelegenheid gesteld om te reageren. Op 1 maart 2026 heeft eiser een reactie ingediend en de rechtbank toestemming verleend om uitspraak te doen zonder tweede zitting. Verweerder heeft op 26 maart 2026 die toestemming verleend. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 31 maart 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Wat voorafging
3. Eiser is geboren op [datum] 1973 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Eiser is op 27 maart 2012 Nederland ingereisd. Zijn moeder en zijn jongere zus en broer zijn Nederland al eerder ingereisd. Eiser heeft op 17 april 2012 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Daarna heeft hij nog drie keer een asielaanvraag ingediend en twee keer een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw vanwege zijn psychische problemen. Geen van de aanvragen is ingewilligd.
3.1
Op 19 augustus 2021 heeft hij zijn vijfde asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan deze asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Afghanistan vreest voor de taliban. Hij stelt christen te zijn. Ter onderbouwing van zijn bekering en geloofsgroei heeft eiser een verklaring overgelegd van [naam 1] , voorzitter van de Stuurgroep Internationale Kerkdienst Harderwijk, en van [naam 2] van het pastorale team van die organisatie. In Afghanistan zullen de taliban hem toedichten te zijn verwesterd door het lange verblijf in Nederland. Eiser heeft een rooms-katholieke partner met wie hij in Nederland een dochter heeft. Zijn partner en zijn dochter hebben beiden de Rwandese nationaliteit.
3.2
Verweerder heeft de moeder van eiser en zijn jongere broer op 27 respectievelijk 28 januari 2026 een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw verleend.
3.3
Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. bekering tot het christendom en geloofsgroei.
3.4
Verweerder heeft eisers aanvraag bij besluit van 27 september 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft verweerder ook bepaald dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten omdat tegen hem op 28 mei 2016 een terugkeerbesluit is uitgevaardigd. Tegen hem is ook een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. [3] Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 14 augustus 2025 geoordeeld dat verweerder asielmotief 2 (bekering tot het christendom en geloofsgroei) niet geloofwaardig heeft kunnen vinden. Eiser heeft inconsistent verklaard over zijn proces tot bekering en zijn stelling dat hij als afvallig of als christen wordt gezien door de taliban, niet onderbouwd. Hij heeft oppervlakkig over zijn geloofsgroei verklaard en de verklaringen zijn nagenoeg hetzelfde als in de vorige procedures. In rechte staat vast dat verweerder die verklaringen oppervlakkig en algemeen heeft kunnen vinden, aldus de rechtbank. Eisers gestelde analfabetisme en psychische klachten doen daar volgens de rechtbank niet aan af.
3.5
De rechtbank heeft wel geoordeeld dat sprake is van een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek, omdat verweerder niet is ingegaan op de landeninformatie van Vluchtelingenwerk Nederland van 7 april 2025. De rechtbank heeft verweerder opgedragen om hierover alsnog een standpunt in te nemen. Tevens dient verweerder nader te onderzoeken of er een reëel risico op ernstige schade is bij gedwongen terugkeer vanuit het Westen en de rechtbank heeft daarbij gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 november 2024. [4] Verweerder moet ook ingaan op de belangen van eisers dochter. De rechtbank heeft het besluit van 27 september 2024 vernietigd en verweerder opgedragen om een nieuw besluit te nemen.
Het bestreden besluit
4. Op 21 september 2025 heeft verweerder een nieuw, aanvullend voornemen uitgebracht. Op 16 oktober 2025 heeft verweerder het bestreden besluit genomen en eisers aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. Verweerder is daarbij uitgegaan van de in 3.3 genoemde asielmotieven.
4.1
Verweerder vindt eisers bekering tot het christendom en zijn geloofsgroei nog steeds ongeloofwaardig. Verweerder verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 augustus 2025 en stelt zich op het standpunt dat eiser in de twee maanden na de uitspraak ook geen geloofsgroei heeft laten zien. Eiser blijft in zijn zienswijze onduidelijk over zijn proces en waarom hij rust en het helpen van andere mensen aan het christendom koppelt. Het blijft volgens verweerder zo dat eiser oppervlakkig over de Bijbel verklaart. De verklaringen van eiser in de zienswijze over de doop vindt verweerder oppervlakkig. Zijn relatie met een christelijke partner zegt ook niets over zijn motieven voor en zijn proces van bekering. Eiser geeft geen inzicht waarom het voor hem van belang is om een relatie met een christelijke partner te hebben en hoe dit ziet op intensivering van het geloof.
4.2
Verweerder heeft verder gemotiveerd dat eisers christelijke partner en zijn dochter niet maken dat de taliban eiser zullen zien als christen of afvallige. Het is onduidelijk hoe de taliban dit te weten zouden kunnen komen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de taliban iets zouden doen met die kennis en of die kennis tot vervolging of ernstige schade zou kunnen leiden.
4.3
Verweerder concludeert dat eiser geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag is, omdat hij niet onder een risicoprofiel valt. Eiser loopt volgens verweerder ook geen reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. Er is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. [5] Afghanen die uit westerse landen terugkeren kunnen in de negatieve belangstelling staan, maar dat is onvoldoende voor deze groep om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Dit is bepaald in de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024. Eiser heeft niet met zijn individuele omstandigheden aannemelijk gemaakt waarom hij in de aandacht van de taliban staat. Uit de verklaringen van eiser blijkt niet van vetes of persoonlijke conflicten met de taliban. Verweerder ziet niet in waarom hij zich niet zou kunnen voegen naar de heersende normen en waarden in Afghanistan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij wordt aangemerkt als 'high-profile'.
4.4
In het bestreden besluit is verweerder ingegaan op de landeninformatie van 7 april 2025 en de gedwongen terugkeer. Verweerder stelt daarbij dat uit de landeninformatie blijkt dat Nederland, sinds de machtsovername door de taliban in 2021, geen mensen gedwongen uitzet naar Afghanistan. Ook in eisers geval vindt geen gedwongen uitzetting plaats. Eiser zal zelfstanding naar Afghanistan moeten terugkeren.
4.5
Over de belangen van eisers dochter heeft verweerder overwogen dat het aan eiser is om zijn dochter al dan niet mee te nemen naar Afghanistan. Toetsing aan artikel 8 van Pro het EVRM vindt bij deze herhaalde asielaanvraag op grond van artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) niet ambtshalve plaats.
4.6
Verweerder heeft eisers etnische achtergrond, hij is sjiiet, niet beoordeeld omdat hij dat in deze procedure niet heeft aangevoerd als asielmotief.
Het geschil
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat, zoals eiser ter zitting heeft erkend, niet in geschil is dat hij niet is bekeerd tot het christendom en dat er ook geen sprake is van geloofsgroei. Asielmotief 2 speelt in deze zaak daarom geen rol meer.
De discussie spitst zich toe op de vraag of verweerder beter had moeten motiveren dat eiser, die stelt dat hij een niet-praktiserend moslim is, bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade.
Niet-praktiserend moslim
6. Eiser voert aan dat hij een niet-praktiserend moslim is, wat hij duidelijk heeft gemaakt in zijn gehoren. Hij heeft een relatie met een christelijke vrouw waarmee hij een dochter heeft. Hij gaat niet meer naar de moskee, bidt niet meer en doet niet meer mee met de ramadan. Eiser heeft in de asielopvang met een aantal Afghanen gezeten die zijn teruggekeerd naar Afghanistan en die kunnen de taliban daarover hebben geïnformeerd. Hem zal worden toegedicht dat hij een niet-praktiserend moslim dan wel een afvallige is. Eiser verwijst daarbij naar landeninformatie [6] en het Algemeen ambtsbericht Afghanistan van december 2025. Voor niet-praktiserende moslims kunnen er om twee redenen risico’s spelen. Ten eerste kunnen zij er eerder van verdacht worden afvallig te zijn en kan hen afvalligheid worden toegedicht. Dit terwijl verblijf in het westen ook al kan leiden tot verdenking van bekering tot het christendom of het besmet zijn door westerse ideeën, zoals niet bidden. Afvalligheid wordt volgens de taliban-interpretatie van de sharia met de dood bestraft, aldus het ambtsbericht. Ten tweede is ook het niet praktiseren zelf al strafbaar sinds de in augustus 2024 in werking getreden moraalwet. Uit die wet volgt onder meer dat er wordt gehandhaafd op het nalaten van verplichte gebeden, het niet gezamenlijk bidden, het verwaarlozen van verplicht vasten en vriendschap sluiten met niet-moslims en hen helpen of imiteren in uiterlijk of karakter. Hieruit blijkt dat het voor niet-praktiserende moslims niet mogelijk is om openlijk af te wijken van bepaalde praktijken die als essentiële onderdelen worden gezien van de islam. In de verslagperiode van het ambtsbericht steeg het aantal arrestaties mede door de invoering van de moraalwet (13.000 arrestaties). De Verenigde Naties spreken van een alarmerende stijging van lijfstraffen. In het Algemeen Ambtsbericht staat dat de autoriteiten over het algemeen een strenge naleving van de moraalwet verwachten. Eventuele lossere handhaving daarvan kwam voor, vooral in minder conservatieve regio's zoals Kabul, maar dit bood nooit een garantie dat de autoriteiten niet zouden optreden. Mannen zijn gehouden tot deelname aan gebeden in moskeeën. Niet-naleving heeft in enkele gevallen geleid tot ernstige straffen, waaronder lijfstraffen. Volgens een bron is er in elk geval in Kabul ruimte om geen gevolg te geven aan de gebedsoproep van de imam. Buiten Kabul zouden regels strenger gehandhaafd worden. Tijdens de ramadan zouden volgens UNAMA [7] gebedsregels en het gebod om te vasten strenger worden gehandhaafd, aldus het Algemeen Ambtsbericht. Eiser voert verder aan dat gedwongen naleving van of conformering aan religieuze gebruiken niet mag worden verlangd omdat dit een van de aspecten is voor een gegronde vrees op vervolging in het kader van religie.
6.1
In het verlengde daarvan voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij vanwege verblijf in het westen geen reëel risico op ernstige schade loopt. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt dat er geen algemene informatie beschikbaar is over hoe mensen in individuele gevallen bejegend werden nadat zij een tijd in westerse landen gewoond hebben. Dit hangt af van een veelheid van factoren, zoals kledingstijl, leefgewoonten en geloof. Hun maatschappelijke positie en daarmee hun veiligheid hangt ook af van andere factoren als etniciteit, connecties, werkverleden en vermogen. Eisers moeder is op 12 november 2025 door het programma Nieuwsuur geïnterviewd en dit is op 27 november 2025 uitgezonden waarbij zijn moeder herkenbaar in beeld is gebracht. Hierdoor is er het risico dat de taliban eiser in verband brengen met de uitspraken die zijn moeder heeft gedaan. Verweerder moet acht slaan op deze individuele omstandigheden en eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 13 januari 2026. [8]
6.2
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen en ook niet deugdelijk is gemotiveerd. Verweerder heeft geen acht geslagen op het Algemeen Ambtsbericht van december 2025 en niet goed gemotiveerd waarom eiser, als niet-praktiserend moslim, bij terugkeer naar Afghanistan niet heeft te vrezen voor vervolging dan wel geen reëel risico loopt op ernstige schade. In het ‘gehoor opvolgende aanvraag’ van 26 juni 2024 verklaart eiser dat hij dingen die hij volgens de islamitische normen en waarden moet doen, niet deed. Hij bad niet en deed niet met de ramadan mee. [9] Eiser verklaart dat de taliban tegenwoordig mensen van straat pikken en dwingen naar de moskee te gaan en dat als iemand niet weet hoe hij moet bidden, diegene dan in de problemen komt. Verder heeft eiser verklaard dat hij een christelijke partner en een dochter heeft. Hij is niet getrouwd en dit wordt volgens eiser door de islam en de taliban als een misdaad gezien. [10] Ook blijkt uit de verklaringen van eiser dat hij al jaren geen moskee meer bezoekt maar een kerk. [11] Dit heeft verweerder allemaal niet bestreden. Het beeld dat eiser schetst dat de taliban nu mensen oppakken als zij niet meedoen aan het gebed, wordt bevestigd door het Algemeen Ambtsbericht van december 2025. Met de moraalwet hebben de autoriteiten een groot aantal zeer strikte leefregels vastgelegd en de moraalpolitie de bevoegdheid gegeven om deze regels af te dwingen. In bijlage 2 van het Algemeen Ambtsbericht december 2025 is de moraalwet opgenomen; daaruit blijkt onder meer dat wordt gehandhaafd op niet bidden of het uitstellen van het gebed, het nalaten van verplicht bidden, het niet gezamenlijk bidden, het verwaarlozen van het verplichte vasten, het scheren van de baard of deze minder dan de breedte van een vuist laten groeien en het vriendschap sluiten met niet-moslims, hen helpen of hen imiteren in uiterlijk of karakter. [12] Op het overtreden van de moraalwet staan verschillende, uiteenlopende, straffen. [13] Verweerder heeft het Algemeen Ambtsbericht van december 2025 zowel in het bestreden besluit als het verweerschrift niet bij zijn beoordeling betrokken. Evenmin heeft verweerder aan de hand van het Algemeen Ambtsbericht gemotiveerd waarom eiser, gelet op al zijn verklaringen over het niet-praktiseren van de islam, bij terugkeer naar Afghanistan niet heeft te vrezen voor vervolging dan wel ernstige schade. Het enkele standpunt van verweerder dat het bestreden besluit dateert van voor het Algemeen Ambtsbericht van december 2025 en dat hij geen aanleiding ziet om zijn landgebonden beleid daarop aan te passen, is een ontoereikende motivering. Dit geldt ook voor verweerders standpunt dat het zwaartepunt van eisers asielaanvraag ligt bij de bekering tot het christendom en niet bij het niet-praktiseren van de islam. Zoals hierboven blijkt, heeft eiser verklaard dat hij geen praktiserend moslim is.
6.3
De rechtbank overweegt verder dat zij geen aanleiding ziet om in dit geval de uitspraak van de Afdeling van 13 januari 2026 te volgen, omdat in die uitspraak niet het Algemeen Ambtsbericht van december 2025 is betrokken.
6.4
Gezien bovengenoemde gebreken is het beroep gegrond en de rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Verweerder dient een nieuw besluit op eisers asielaanvraag te nemen.
6.5
De rechtbank overweegt daarbij dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit op grond van de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024 bij de beantwoording van de vraag of eiser naar Afghanistan kan terugkeren, eisers individuele omstandigheden moet betrekken. Eiser heeft meer omstandigheden gesteld, namelijk ook dat hij behoort tot de sjiitische bevolkingsgroep en daardoor bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Ook dit moet verweerder - samen met het Algemeen Ambtsbericht - bij een nieuwe beoordeling betrekken.
Het aanvullend besluit van 17 februari 2026
7. De rechtbank constateert dat het aanvullende besluit van 17 februari 2026 een wijziging van het bestreden besluit ten nadele van eiser inhoudt. In het aanvullende besluit heeft verweerder namelijk besloten dat eiser geen uitstel van vertrek om medische redenen krijgt en bepaald dat eiser, nu al op 28 mei 2016 een terugkeerbesluit tegen hem was uitgevaardigd, onmiddellijk uit Nederland moet vertrekken.
Eiser heeft belang bij de beoordeling van dit aanvullende besluit. Zoals reeds in rechtsoverweging 2.5 is overwogen, heeft het beroep op grond van artikel 6:19 van Pro de Awb ook betrekking op dit besluit.
7.1
De rechtbank overweegt dat verweerder teruggrijpt op het terugkeerbesluit van 28 mei 2016. Verweerder heeft echter nagelaten om een geactualiseerde refoulementbeoordeling te maken, wat in strijd is met het arrest Ararat [14] en de rechtspraak van de Afdeling. [15] Verweerder is in het aanvullende besluit ook niet ingegaan op eisers gestelde familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Eisers moeder en zijn jongere broer hebben inmiddels een verblijfsvergunning. Op grond van het arrest Adrar moet verweerder in alle stadia van een terugkeerprocedure nagaan of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven zich verzetten tegen, in dit geval, de terugkeer van eiser. [16] Het aanvullende besluit is dus ook niet deugdelijk gemotiveerd en dient daarom te worden vernietigd.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank verklaart eisers beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit en het aanvullende besluit. De rechtbank draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen, waarbij hij rekening houdt met deze uitspraak. Verweerder dient daarbij dus in ieder geval de verklaringen van eiser en het Algemeen Ambtsbericht Afghanistan van december 2025 te betrekken. Als verweerder andermaal besluit eisers aanvraag af te wijzen en het eerdere terugkeerbesluit wil handhaven, moet hij ook dat actualiseren en van een deugdelijke motivering voorzien.
8.1
De rechtbank geeft verweerder zes weken de tijd voor het nemen van een nieuw besluit.
8.2
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 16 oktober 2025 en het aanvullende besluit van 17 februari 2026;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, voorzitter, en mr. M.A.J. van Beek en mr. H. Battjes, leden, in aanwezigheid van mr. R. Pronk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zaaknummer NL24.37849.
3.Beroep met zaaknummer NL24.37849.
5.Richtlijn 2011/95/EU.
6.Afghanistan: Treatment of men showing signs of non-conformity to Propagation of Virtue and the Prevention of Vice (PVPV) regulations Asylos, van december 2025.
7.United Nations Assistance Mission in Afghanistan.
9.Pagina 10 van het Verslag opvolgende aanvraag.
10.Pagina 7 van het Verslag nader gehoor.
11.Pagina 17 en verder van het Verslag opvolgende aanvraag.
12.Artikel 22 van Pro de moraalwet.
13.Pagina 102 van het Algemeen Ambtsbericht Afghanistan december 2025.
14.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024, Ararat, ECLI:EU:C:2024:892.
15.Uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178.
16.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647, punt 79.