ECLI:NL:RBDHA:2026:17945

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
SGR 24/3331
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 VWEUArt. 267 VWEUArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 6 Wet bpmArt. 20 Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag bpm na bezwaar en beroep wegens onjuiste waardering

Eiser diende een aangifte bpm in voor een gebruikte Audi Q3 uit Polen, waarbij een taxatierapport was gevoegd. Verweerder legde een naheffingsaanslag op na een controle door Domeinen Roerende Zaken (DRZ), waarbij het taxatierapport werd verworpen vanwege onder meer het ontbreken van aankoop- en herstelnota's.

Eiser voerde meerdere grieven aan, waaronder schending van het verdedigingsbeginsel, onjuiste toepassing van Europees recht (artikel 110 VWEU Pro), onjuiste waardering van de schade en het afschrijvingspercentage, en schending van de hoorplicht. De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht kon worden opgelegd, maar dat de berekening van de naheffing onjuist was vanwege een te laag afschrijvingspercentage en een onjuiste historische nieuwprijs.

De rechtbank volgde eiser in zijn berekening en verminderde de naheffingsaanslag van € 9.869 naar € 3.207, met een overeenkomstige vermindering van de belastingrente. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten (€ 2.534), het griffierecht (€ 187) en immateriële schadevergoeding (€ 1.500), waarvan € 1.000 door de Minister van Justitie en Veiligheid wordt betaald.

De rechtbank verwierp de meeste andere grieven van eiser, waaronder de stelling dat prejudiciële vragen aan het HvJ EU gesteld hadden moeten worden en dat de heffing in strijd was met het Unierecht. De procedure verliep deels digitaal en de rechtbank oordeelde dat de hoorplicht niet was geschonden omdat eiser niet op uitnodigingen had gereageerd.

De uitspraak is gedaan door rechter B. van Walderveen en griffier S.W. van de Griend op 29 juni 2026 en is openbaar gemaakt. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: De naheffingsaanslag bpm wordt verminderd tot € 3.207 en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten, griffierecht en immateriële schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/3331

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 3 maart 2023 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) opgelegd ter hoogte van € 9.889. Er is daarbij een bedrag van € 20 aan belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 februari 2024 het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij geen proceskosten aan eiseres vergoed.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2026. Op verzoek van partijen heeft de zitting digitaal plaatsgevonden via een MS Teams-verbinding (te weten een geluidsverbinding met beeld). Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
[gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiser heeft een aangifte bpm ingediend, met dagtekening 3 november 2022, met het oog op de registratie in het kentekenregister van een gebruikte Audi Q3 uit Polen met een voertuigidentificatienummer eindigend op [nummer] (hierna: de auto). De registratie is op
23 november 2022 voltooid door tenaamstelling van het Nederlandse kenteken ( [kenteken] ). De auto is op 26 oktober 2022 goedgekeurd door de Rijksdienst Wegverkeer (RDW).
2. In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld:
Datum eerste toelating
29-09-2020
CO2-uitstoot
240 g/km WLTP
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 66.345
Bruto bpm
€ 35.794
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 109.134
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 17.765
Verschuldigde bpm
€ 5.823
3. Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van Haaglanden Expertise, door [naam] ondertekend. Daarin is vermeld dat auto fysiek is opgenomen op
3 november 2022 tussen 14:15 en 14:45 uur te Den Haag. Verder is daarin vermeld dat auto in onbeschadigde staat een handelsinkoopwaarde heeft van € 54.858 (waarde herleid aan de hand van referentievoertuigen en de koerslijst Eurotax) en dat van die waarde een deel van de reparatiekosten is afgetrokken, die zijn bepaald op € 29.344,30 inclusief btw. Bij het taxatierapport is de inkoopfactuur of de inkoopverklaring van de auto niet gevoegd.
4. De aangifte van de auto is door verweerder geselecteerd voor een nadere controle. De auto is op 18 november 2022 geschouwd door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het verslag van DRZ naar aanleiding van de schouw zijn onder meer de volgende gegevens vermeld die afwijken van de gegevens in de aangifte:
Datum eerste toelating
29-09-2020
CO2-uitstoot
240 g/km WLTP
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 81.367
Consumentenprijs (historische nieuwprijs)
€ 127.309
Laagste handelsinkoopwaarde zonder schade
€ 59.981 (koerslijst Eurotax XchangeNet)
Bruto schadecalculatie
€ 5.780
Vastgestelde waardevermindering door schade
€ 4.162
Handelsinkoopwaarde
€ 55.819
5. Op basis van het rapport van DRZ verwerpt verweerder het taxatierapport van eiser. Daartoe is ook redengevend dat de schadecalculatie pas op 3 november 2022 is opgemaakt, terwijl het voertuig op 26 oktober 2022 is goedgekeurd door de RDW.
6. Bij brief van 11 januari 2023 heeft verweerder aan eiser zijn voornemen kenbaar gemaakt om bpm na te heffen voor de auto. Uitgaande van de gegevens van DRZ, zij het wel nog rekening houdend met een nadere vermindering van de handelsinkoopwaarde tot
€ 55.819 in verband met vastgestelde schade, heeft verweerder de verschuldigde bpm bepaald op € 15.692. Na aftrek van de bpm die op aangifte is voldaan (€ 5.823), resteert een te betalen bedrag van € 9.869. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om binnen drie weken te reageren op het voornemen. Op 8 februari 2023 heeft verweerder eiser medegedeeld de naheffingsaanslag op te zullen gaan leggen. Daarop heeft verweerder de naheffingsaanslag conform zijn voornemen opgelegd en heeft hij € 20 belastingrente in rekening gebracht.
Geschil7. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
8. Eiser heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht:
a. Verweerder heeft onvoldoende onderkend dat aanslagen als de onderhavige worden beheerst door het recht van de Europese Unie. Eiseres acht de hem opgelegde naheffingsaanslag daarmee in strijd. In dit licht heeft hij ook benadrukt dat de rechtbank met betrekking tot deze geschilpunten gehouden is prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie;
b. Uitlegging van de Hoge Raad over diverse door eiser in eerdere procedures ingenomen standpunten, zoals de mogelijkheid na te heffen na het belastbaar feit, de schending van het verdedigingsbeginsel en de bewijslastverdeling acht eiser onverbindend en rechtsongeldig, omdat de rechtmatigheid van artikel 81 lid 1 RO Pro in geschil is door de ABRvS (13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4632);
c. Alle nationale bepalingen inzake de bpm zijn volgens eiser in kennelijke strijd met het recht van de Unie;
d. Het hoorrecht in de bezwaarfase is geschonden;
e. De rechten van eiser, die kunnen worden ontleend aan het verdedigingsbeginsel, zijn geschonden;
f. Het opleggen van een naheffingsaanslag nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan is – gegeven het bepaalde in artikel 110 het Pro Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) – niet toegestaan;
g. Het onderzoek door DRZ kan niet aan een naheffing ten grondslag worden gelegd nu deze dienst niet onafhankelijk is;
h. Het forfaitaire afschrijvingspercentage waarmee verweerder rekent is te laag;
i. Het uitgangspunt dat slechts 72% van de schadeherstelkosten in aanmerking wordt genomen is in strijd met het Unierecht;
j. De CO2-uitstoot is begrensd op de uitstoot van een soortgelijk binnenlands voertuig;
k. Verweerder heeft onterecht een belastingcontrole uitgevoerd;
l. De belastingrente die eiser in rekening is gebracht is in strijd met artikel 110 VWEU Pro;
m. Eiser heeft recht op vergoeding van de werkelijke proceskosten in bezwaar.
Eiser concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de naheffingsaanslag. Eiser verzoekt om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt eiser om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
9. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
10. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
De toepasselijkheid van Europees recht en de gevolgen daarvan (grief a)
11. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn grieven veelvuldig een beroep gedaan op het Europees recht, met name op artikel 110 van Pro het VWEU. Hij heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het de nationale rechter niet vrijstaat een uitleg te geven aan het Unierecht zonder daaromtrent prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit geldt in de optiek van eiser evenzeer indien sprake is van een zogenaamde ‘acte claire’. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van eiser niet. Een verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen geldt ingevolge artikel 267 van Pro het VWEU slechts voor het gerecht dat in hoogste instantie rechtspreekt, zoals ook blijkt uit het door eiser genoemde arrest Cilfit (283/81). Een dergelijke verplichting geldt in beginsel niet voor de gerechtelijke instanties op lagere niveaus. De daarop geldende uitzondering, neergelegd in het arrest Foto-Frost (314/85) ziet op de situatie waarin de verwijzende rechter van oordeel is dat een handeling van een Europese instelling nietig is. Die situatie doet zich hier niet voor.
12. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank in het hierna volgende per grief zal beoordelen of er aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De rechtbank zal daarbij ook meewegen of sprake is van een ‘acte claire’, dit wil zeggen een situatie waarin de betreffende Europeesrechtelijke bepaling dusdanig helder is geformuleerd dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de uitleg of het toepassingsbereik van die bepaling. Voor de visie van eiser dat ook in geval van een ‘acte claire’ het stellen van prejudiciële vragen geïndiceerd kan zijn ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Evenmin volgt de rechtbank eiser in diens betoog dat reeds de vraag of sprake is van een rechtsvraag die zich leent voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU er toe dient te leiden dat deze vragen moeten worden gesteld.
De stelling dat de arresten van de Hoge Raad niet kunnen worden gevolgd (grief b)
13. Het betoog van eiser, dat de Hoge Raad niet bevoegd is Unierechtelijke regelgeving te beoordelen en dat deze jurisprudentie daarom ‘onverbindend en rechtsongeldig’ is, onderschrijft de rechtbank niet. Daarbij wijst de rechtbank er op, onder verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Minea (ECLI:EU:C:2015:74), dat in zijn algemeenheid het Hof van Justitie in het kader van een prejudiciële procedure niet beoordeelt of concrete bepalingen van het nationale recht van de lidstaten in overeenstemming zijn met het Unierecht, maar zich beperkt tot een uitlegging van het Unierecht op basis waarvan de nationale rechterlijke instanties zich vervolgens over die verenigbaarheid kunnen uitspreken. Dat de Hoge Raad in onderhavig geval buiten zijn bevoegdheden is getreden is door eiser niet of althans onvoldoende aannemelijk gemaakt.
De gestelde onverenigbaarheid van de heffing van bpm met het Unierecht (grief c)
14. In dit kader heeft eiser betoogd dat sprake is van een relevant verschil in heffingsmodaliteiten, nu de verschuldigde belasting reeds bij het doen van de aangifte bpm voldaan dient te worden, terwijl voor binnenlandse auto’s een eventuele restantbelasting, die nog drukt op binnenlandse gebruikte auto’s die voorheen op grond van de Wet bpm van de heffing waren vrijgesteld, eerst wordt voldaan bij de voltooiing van de registratie in het kentekenregister (de tenaamstelling). Volgens eiser volgt onder meer uit Grundig Italiana Spa, C-68/96 (HvJ EU 17 juni 1998, ECLI:NL:EU:C:1998:299), reeds dat een belastingstelsel een discriminerend karakter heeft, wanneer sprake is van een verschil in heffingsmodaliteiten. Verweerder betwist dat er een verschil in heffingsmodaliteiten bestaat.
15. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:415) geoordeeld dat het systeem van de Wet bpm, namelijk dat de belasting moet worden betaald voordat het belastbare feit (de tenaamstelling) zich voordoet, niet in strijd is met artikel 110 van Pro het VWEU. De rechtbank heeft, na bestudering van de door eiser aangehaalde jurisprudentie van het HvJ, geen aanknopingspunten kunnen vinden dat hierin anders moet worden geoordeeld dan door de Hoge Raad op 26 maart 2021 is gedaan.
16. De rechtbank acht bovenstaand oordeel in lijn met de Unierechtelijke jurisprudentie, zodat het voor het doen van uitspraak niet noodzakelijk is op dit punt het HvJ te verzoeken prejudiciële vragen te beantwoorden met betrekking tot de door eiser opgeworpen rechtsvraag. De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de toepassing door de Hoge Raad van artikel 110 van Pro het VWEU, gegeven de uitleg die het HvJ daaraan heeft gegeven in zijn jurisprudentie.
17. Anders dan eiser betoogt doet zich, bij de inschrijving in het kentekenregister van gebruikte uit andere lidstaten afkomstige voertuigen en de daarmee verbonden heffing van bpm, niet de situatie voor dat de bij de vaststelling van de grondslag van de berekende belasting waarderingsfactoren in aanmerking worden genomen die een waardeverschil ten opzichte van het overeenkomstige nationale product creëert of vergroot. Het heffingsmoment, de registratie in het kentekenregister, is immers bij dat overeenkomstige nationale product over het algemeen de datum van eerste toelating in Nederland. Op dat moment zijn er eenvoudigweg nog geen waarde verminderende factoren die tot een lagere heffing kunnen leiden. Dat in de spaarzame gevallen waarin een binnenlands product wel op een later moment aan de heffing wordt onderworpen – zoals bijvoorbeeld bij voormalige taxi’s - een waarderingsmethode wordt gehanteerd die afwijkt van de methode die wordt gebruikt bij geïmporteerde voertuigen is gesteld noch gebleken.
18. Ook het betoog van eiser dat sprake is van een ‘exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap’, waardoor elk optreden van een lidstaat op hetzelfde domein a priori in strijd is met het Verdrag, snijdt geen hout. De heffing van belastingen betreft immers geen exclusieve bevoegdheid van enig Unierechtelijk orgaan.
De hoorplicht in de bezwaarfase (grief d)
19. Eiser stelt dat verweerder in bezwaar de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank leidt uit de stukken in het dossier af dat eiser voorafgaand aan het doen van uitspraak op bezwaar twee keer is uitgenodigd voor een hoorgesprek op 30 mei 2023, namelijk bij brieven van 9 mei 2023 en 22 mei 2023. Deze brieven zijn per aangetekende post aan de gemachtigde van eiser gezonden. Deze aangetekende poststukken zijn door gemachtigde geweigerd en vervolgens retour ontvangen door verweerder. De brieven zijn ook per gewone post aan gemachtigde gezonden. Verweerder heeft de dossiers ook digitaal aan gemachtigde aangeboden. Verweerder heeft ook per e-mail een uitnodiging gestuurd voor het hoorgesprek via WebEx. Gemachtigde van eiser heeft niet ingelogd via WebEx om deel te nemen aan het hoorgesprek.
20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Gemachtigde heeft hier geen gehoor aan gegeven. Dat gedurende de bezwaarfase geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden komt dan ook voor rekening en risico van eiser. Van schending van de hoorplicht is daarom geen sprake.
De gestelde schendingen van het verdedigingsbeginsel (grief e)
21. Eiser stelt dat verweerder de naheffingsaanslagen in strijd met artikel 47 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (HGEU) heeft opgelegd, nu eiser daaraan voorafgaand niet in de gelegenheid is gesteld mondeling te reageren. Het door eiser bedoelde recht om te worden ‘gehoord’ voordat een voor eiser nadelig besluit wordt genomen houdt in dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden het standpunt over een voorgenomen bezwarend besluit naar behoren kenbaar te maken. Uit het Unierecht vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het Unierecht schrijft immers niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken mits de vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest geen hindernis vormt van het recht gebruik te maken. Dit betekent dat indien eiser is uitgenodigd om schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en eiser in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid aan de eisen van het Unierecht is voldaan.
22. In het onderhavige geval heeft eiser met dagtekening 11 januari 2023 respectievelijk 8 februari 2023 een zogenaamde ‘Kennisgeving naheffingsaanslag’ en een ‘Mededeling naheffingsaanslag’ gekregen en is hij in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid gebruik kunnen maken van die mogelijkheid. Dat eiser kennelijk ervoor heeft gekozen om dit niet te doen, blijft voor zijn rekening. De conclusie dat sprake is van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (artikel 47 HGEU Pro) kan nier niet aan worden ontleend. De verwijzing van eiser naar artikel 47 HGEU Pro maakt vorenstaande niet anders. Deze bepaling waarborgt het recht op een eerlijk proces en een onpartijdig gerecht en niet het recht op een mondelinge toelichting voorafgaand aan het opleggen van een naheffingsaanslag. Voor het stellen van prejudiciële vragen op dit punt bestaat, gegeven de hierboven weergegeven gang van zaken, geen aanleiding.
De bevoegdheid van verweerder een naheffingsaanslag op te leggen (grief f)23. De stelling van eiser dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt (vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht) motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393. Het is evenmin in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiser van artikel 110 VWEU Pro ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat middels een corrigerende (naheffings-)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening – dat ook bij bijvoorbeeld de veelvuldig aan het Unierecht getoetste omzetbelasting wordt gebruikt – brengt immers met zich mee dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
De onafhankelijkheid van de DRZ (grief g)
24. De rechtbank stelt voorop dat het verweerder vrij staat om voor de door hem noodzakelijk geachte controle een door hem te kiezen deskundige in te schakelen. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen reden te twijfelen aan de deskundigheid van de gekozen taxateur, terwijl er evenmin aanleiding kan worden gevonden om vanwege de werkwijze van de DRZ geen of minder waarde aan het rapport van DRZ te hechten. De rechtbank volgt eiser daarom niet in diens betoog dat de rapportage van DRZ niet aan de bestreden naheffingsaanslag ten grondslag kan worden gelegd. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 februari 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:1676).

Het door verweerder gehanteerde afschrijvingspercentage (grief h)

25. Eiser heeft betoogd dat het forfaitaire afschrijvingspercentage waarmee verweerder rekent te laag is.
26. Verweerder heeft het afschrijvingspercentage van 56,16% in het onderhavige geval ontleend aan de nacontrole door DRZ. Eiser verdedigt een afschrijvingspercentage van 66,33% en baseert zich daartoe op de aanname dat verweerder de onjuiste historische nieuwprijs heeft gehanteerd in zijn berekeningen. Verweerder past in zijn berekeningen een historische nieuwprijs van € 127.309 toe. Dit had het bedrag van € 134.248 moeten zijn. Het afschrijvingspercentage zou dus hoger moeten komen te liggen, aldus eiser.
27. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens eiser bedraagt de verschuldigde belasting, met een historische nieuwprijs van € 143.248 en een handelsinkoopwaarde van
€ 45.204, in totaal € 9.030 (en niet de door verweerder voorgestane € 15.692). Er is € 5.823 betaald op aangifte en dus zou het na te heffen bedrag € 3.207 moeten bedragen. Eiser stelt dat de naheffingsaanslag verminderd moet worden met € 6.662. De rechtbank acht deze berekening juist en neemt deze over. De belastingrente dient overeenkomstig verminderd te worden. De grief van eiseres slaagt.
28. Eiser stelt ook dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de correctiefacturen markt- en dealer situatie bij toepassing van de koerslijst Eurotaxglass’s
(15 percent). Volgens hem is de afschrijving aan de hand van deze koerslijst met de correctiefactoren gunstiger en leidt dit tot een vermindering van de naheffingsaanslag. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de Hoge Raad van 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1783. De door eiser gestelde correctiefactoren zijn sinds 4 oktober 2021 niet meer van toepassing. Ook in zoverre faalt de grief.
De hoogte van de in aanmerking te nemen schade (grief i)
29. Het door eiser bestreden en door verweerder gehanteerde percentage berust op de (Bijlage bij de) Uitvoeringsregeling bpm (tekst 2020). Deze regeling is volgens vaste jurisprudentie aanvaardbaar. Verwezen is naar bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 juli 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:2998). Van doorslaggevende betekenis is daarbij geacht dat de regeling een tegenbewijsregeling kent, zodat onder omstandigheden, ook de volledige schade in aanmerking kan worden genomen. In verband met deze tegenbewijsmogelijkheid is volgens deze jurisprudentie ook geen sprake van strijd met artikel 110 VWEU Pro. De rechtbank sluit zich bij dit oordeel aan. In het onderhavige geval is van de mogelijkheid van tegenbewijs te geven geen gebruik gemaakt. Daarnaast ontbreken de aankoopnota, de nota van herstel en de reparatienota’s, waardoor de rechtbank geen ruimte ziet om het taxatierapport van eiser te volgen. Bijgevolg sluit de rechtbank aan bij het standpunt van verweerder. Voorts heeft eiser, op wie de bewijslast rust, de gestelde waardevermindering wegens ex-schade niet inzichtelijk gemaakt.
De CO2-uitstoot (grief j)
30. De grief van eiser dat de heffing kennelijk begrensd is met een uitstoot van 218 gram voor een soortgelijk binnenlands voertuig, waardoor verweerder het risico op schending van artikel 110 VWEU Pro kennelijk aanvaardt, omdat voor de auto uitgegaan wordt van de werkelijke uitstoot van het voertuig zonder de waarde van het importvoertuig te vergelijken met de waarden van soortgelijke binnenlandse voertuigen, leidt niet tot gegrondverklaring van het beroep. Op geen enkele wijze is immers gebleken dat verweerder in de praktijk voorrang geeft aan hetgeen eiser heeft gesteld met betrekking tot de betreffende koerslijst boven de wettelijke bepalingen inzake de uitstoot van CO² en de daaraan te verbinden fiscale gevolgen. Nu eiser het eigen gegeven niet heeft betwist heeft verweerder dat mogen hanteren.
De belastingcontrole door verweerder (grief j)
31. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder een belastingcontrole heeft uitgevoerd, waarvan binnenlandse voertuigen a priori zijn uitgezonderd. Dat is in flagrante strijd met het recht van de Unie, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in zijn arrest van 10 oktober 1978, Hansen en Balle, EU:C:1978:173, r.o. 17 en 18. De aanslag moet vernietigd worden. De rechtbank is, aldus eiser, kennelijk niet bevoegd uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie en dus van de uitlegging in het arrest Hansen en Balle.
32. De stelling van eiser dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht, motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister, na 1 januari 2022 goedkeuring door de RDW) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393). Voor zover het standpunt van eisers aldus moet worden verstaan dat bij voldoening op aangifte er voor in Nederland reeds aanwezig voertuigen geen controles plaatsvinden overweegt de rechtbank aanvullend als volgt. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van Pro de AWR de te weinig geheven belasting naheffen. Daartoe mag de inspecteur een concrete aangifte aan een controle onderwerpen. Dat geldt zowel voor de registratie van zogenoemde binnenlandse voertuigen als voor de registratie van voertuigen afkomstig uit een andere lidstaat. Van schending van artikel 110 VWEU Pro is dan ook geen sprake. Het is niet in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiser van artikel 110 VWEU Pro ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat door middel van een corrigerende (naheffings)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening dat ook bij bijvoorbeeld de – veelvuldig aan het Unierecht getoetste - omzetbelasting wordt gebruikt, brengt immers met zich dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
33. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. Het beroep dat eiser in dit verband heeft gedaan op het arrest Hansen en Balle gaat naar het oordeel van de rechtbank over een juridisch en feitelijk andere situatie. Voor de algemene conclusie van eiser dat de controle na het doen van aangifte in strijd is met het Unierecht kan in dat arrest geen steun worden gevonden.
Belastingrente en artikel 110 VWEU Pro (grief k)
34. Verweerder heeft eiser belastingrente in rekening gebracht. Dat is, zo heeft eiser gesteld, in kennelijke strijd met het recht van de Unie, nu belastingrente onder het bereik van artikel 110 VWEU Pro valt (Hof van Justitie, 27 april 2022, AirBNB Ierland/ Brussels Hoofdstedelijk Gewest, EU:C:2022:303, r.o. 27 en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Eiser heeft in dit kader gewezen op het hiervoor vermelde arrest van het Hof van Justitie. Daarin wordt, onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie, in punt 27 overwogen dat het begrip “fiscale bepalingen” van artikel 114, tweede lid, VWEU zowel ziet op materiële regels als op procedureregels en dat de wijze van invordering niet los kan worden gezien van het heffings- of belastingstelsel waartoe zij behoort. Derhalve valt de heffing van belastingrente onder de reikwijdte van 110 VWEU. Verweerder heeft dat gemotiveerd bestreden. De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt.
35. De rechtbank stelt voorop dat het Airbnb-arrest geen betrekking heeft op artikel 110 VWEU Pro, maar antwoord geeft op vragen over Richtlijn 2000/31/EG en het dienstenverkeer als bedoeld in artikel 56 VWEU Pro. In onderhavige zaak is noch die Richtlijn van toepassing noch is sprake van dienstenverkeer als bedoeld in artikel 56 VWEU Pro.
36. In artikel 6 van Pro de Wet bpm is bepaald dat tot 1 januari 2022 de belasting op aangifte moet worden voldaan voordat een personenauto op naam is gesteld in het kentekenregister. Verweerder heeft onweersproken verklaard dat ook bij de registratie van binnenlandse personenauto’s geen kenteken wordt afgegeven zolang de ter zake van die registratie verschuldigde belasting niet is voldaan. Zo de nadere invulling van artikel 114, tweede lid, VWEU uit het Aribnb-arrest al onverkort heeft te gelden voor artikel 110 VWEU Pro, is in het voorliggend geval dan ook geen sprake van een met artikel 110 VWEU Pro strijdig verschil in heffingsmodaliteiten. Dat er wellicht bij de registratie van een ingevoerde gebruikte auto een langere periode kan zijn gelegen tussen de betaling van de verschuldigde belasting en de registratie van die auto dan bij de registratie van een binnenlandse auto en daardoor wellicht rentenadeel wordt ondervonden, maakt dat niet anders. Dat is immers niet het gevolg van de heffingssystematiek maar van de keuze om het voertuig pas op een latere datum te laten registreren (zie ook Hoge Raad 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.6.4.).
37. Het in rekening brengen van belastingrente is gebaseerd op het niet tijdig hebben voldaan van het wettelijk verschuldigde bedrag aan belasting. Dat geldt voor zowel binnenlandse voertuigen als voor voertuigen welke hier te lande worden ingevoerd. Een onderscheid wordt daarbij derhalve niet gemaakt. Van strijd met artikel 110 VWEU Pro kan dan ook niet worden gesproken. Het vorenstaande geldt, zo oordeelt de rechtbank, onverkort voor het voldoen van bpm na 1 januari 2022 waarbij het belastbare feit is verlegd naar het doen van aangifte en goedkeuring door de RDW. De rechtbank verwerpt derhalve deze stelling.
De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase (grief l)
38. Eiser heeft betoogd dat verweerder in gevallen als deze, indien een aangevochten aanslag niet volledig in stand blijft omdat deze niet in overeenstemming met het Unierecht is opgelegd, gehouden is de ‘werkelijke’ proceskosten van de bezwaarmaker te vergoeden. Daargelaten de vraag of die situatie zich hier voordoet, hetgeen verweerder betwist, brengt de omstandigheid dat de gemachtigde van eiser voor hem optreedt op basis van een zogenaamde ‘no-cure-no-pay-overeenkomst’ met zich dat dergelijke ‘werkelijke’ proceskosten bij gebrek aan facturen en/of betaalbewijzen niet kunnen worden vastgesteld. De grief slaagt dan ook niet.
Conclusie39. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Beoordeling van het verzoek om immateriële schadevergoeding
40. Eiser heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding in verband met de lange afhandelingsduur van de bezwaar- en beroepsprocedure tegen de opgelegde naheffingsaanslag.
41. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is
overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.
42. Het bezwaarschrift is binnengekomen op 3 april 2023, de uitspraak op bezwaar is gedaan op 2 februari 2024 en de rechtbank doet uitspraak op 29 juni 2026, zodat in deze zaak de redelijke termijn is overschreden met afgerond 15 maanden waarvan 5 maanden zijn toe te rekenen aan de bezwaarfase en 10 maanden aan de beroepsfase.
43. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd moet worden dan wel dat de termijn op een later moment dan het indienen van het bezwaar aanvangt.
44. Gelet hierop bedraagt de immateriële schadevergoeding in deze zaak € 1.500, waarvan € 500 door verweerder en € 1.000 door de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) vergoed dient te worden.
Proceskosten en griffierecht
45. Omdat het beroep gegrond is, heeft eiser recht op vergoeding van proceskosten.
46. Eiser verzoekt om vergoeding van de werkelijke kosten die hij ter zake van het bezwaar en het beroep heeft moeten maken. Verweerder is het met dit laatste niet eens. Voor een integrale proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. Een hogere dan forfaitaire vergoeding kan slechts worden toegepast indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat aan artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een hogere vergoeding kan worden ontleend, omdat een forfaitaire vergoeding volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) niet passend zou zijn. Derhalve is er geen aanleiding een hogere vergoeding toe te kennen dan de vergoeding van de forfaitaire proceskosten als bedoeld in het Bpb.
47. De proceskosten stelt de rechtbank daarom op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.534. De rechtbank gaat hierbij uit van 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1.
48. Verweerder moet ook het door eiser betaalde griffierecht van € 187 vergoeden. Eiser heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van rente ter zake van het griffierecht. De rechtbank honoreert die aanspraak in zoverre dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien het griffierecht niet aan eiser wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot € 3.207;
  • vermindert de belastingrente overeenkomstig;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.534, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187 aan eiser te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 500, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot betaling van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.000, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.W. van de Griend, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
29 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag (belastingkamer) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
Bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden.
a. De naam en het adres van de indiener;
b. De datum van verzending;
c. Een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. De redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).