ECLI:NL:RBDHA:2026:17985

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL26.33620
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 onder a Vw 2000Art. 106 lid 1 Vw 2000Art. 59c Vw 2000Art. 5.5 Vb 2000Art. 5.6 lid 1 Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid en voortvarendheid bij maatregel vreemdelingenbewaring

Deze uitspraak betreft het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring die de minister van Asiel en Migratie aan hem heeft opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwist de rechtmatigheid van deze maatregel en stelt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

De rechtbank overweegt dat de maatregel terecht is opgelegd vanwege een onderduikrisico, gebaseerd op meerdere gronden waaronder het niet naleven van vertrekverplichtingen en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats. Het verweer van eiser dat hij niet wist dat hij Nederland moest verlaten wordt verworpen omdat het uitreikingsblad met Poolse tolk correct is uitgereikt en ondertekend.

Verder oordeelt de rechtbank dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld, ondanks het ontbreken van bepaalde documenten in het dossier, omdat op de zevende dag van inbewaringstelling een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden en relevante verzoeken zijn ingediend. Ook is geen schending van de inspanningsverplichting vastgesteld tijdens de voorafgaande strafrechtelijke detentie, omdat de einddatum van die detentie nog onbekend was.

De rechtbank concludeert dat de maatregel van vreemdelingenbewaring rechtmatig is en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33620

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.P. Duijn),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.N. Sap).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [1]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 16 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [2]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. [3] De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. [4] Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [5] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zich voordoen. [6]
Kunnen de gronden de maatregel van vreemdelingenbewaring dragen?
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.2.
Eiser voert hier slechts tegen aan dat hij niet wist dat hij Nederland moest verlaten omdat het uitreikingsblad in de Nederlandse taal is opgesteld en er bij de uitreiking geen Poolse tolk aanwezig was. Dit volgt de rechtbank niet. Op het uitreikingsblad staat namelijk dat de beschikking in persoon is uitgereikt en dat de strekking van het besluit met de hulp van een beëdigde Poolse tolk is medegedeeld. Eiser heeft ook zijn handtekening op het uitreikingsblad gezet. De rechtbank ziet geen reden om aan deze gang van zaken te twijfelen.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag zijn gelegd, verder niet heeft betwist. Ook naar het oordeel van deze rechtbank zijn deze gronden voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring te dragen.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
5. Eiser betoogt verder dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Uit het dossier blijkt namelijk niet dat de minister sinds de inbewaringstelling een eerste daadwerkelijke uitzettingshandeling heeft verricht. Verder heeft de minister ook geen uitzettingshandelingen verricht tijdens de periode van strafrechtelijke detentie voorafgaand aan de vreemdelingenbewaring. De minister heeft daarmee zijn inspanningsverplichting geschonden.
5.1.
De rechtbank overweegt allereerst dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de minister in geval van eiser een meer dan gebruikelijke voortvarendheid moet betrachten, omdat eiser een burger van de Unie is. [7] Anders dan eiser, is de rechtbank echter van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld. Op de zitting heeft de minister namelijk toegelicht dat op 22 juni 2026, de zevende dag van inbewaringstelling, een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden, een Terugname & Overnameverzoek is ingediend en het Openbaar Ministerie is gevraagd of er bezwaar is tegen de uitzetting. Hoewel het wenselijk is dat de minister deze stukken in het dossier uploadt, maakt het enkele niet-uploaden van deze stukken niet, zoals eiser op de zitting heeft betoogd, dat de minister onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Bovendien heeft eiser op de zitting desgevraagd bevestigd dat hij op 22 juni 2026 een vertrekgesprek heeft gehad.
5.2.
De rechtbank volgt eiser verder evenmin in zijn standpunt dat de minister niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting gedurende zijn strafrechtelijke detentie.
5.2.1.
Volgens paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 rust op de minister een inspanningsverplichting om vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie zoveel mogelijk te beperken. Het is echter vaste rechtspraak van de Afdeling dat in het geval de einddatum van de strafrechtelijke detentie nog onbekend is, van de minister niet kan worden gevergd dat hij de voorbereiding van de uitzetting steeds zo inricht, dat de uitzetting aansluitend aan het einde van de detentie plaatsvindt en iedere vreemdelingenbewaring dientengevolge achterwege kan blijven. [8]
5.2.2.
Uit het dossier volgt dat eiser van 2 juni 2026 tot en met 16 juni 2026 in preventieve hechtenis heeft gezeten. Uit deze gegevens maakt de rechtbank op dat eiser direct voorafgaand aan zijn vreemdelingenbewaring in voorarrest verbleef en nog niet onherroepelijk was veroordeeld. Daardoor was de dag van zijn ontslag uit de hem opgelegde strafrechtelijke detentie nog niet bekend. Onder deze omstandigheden kon van de minister niet worden gevergd dat hij de uitzetting zo voorbereidde dat deze aansluitend aan het einde van de strafrechtelijke detentie van eiser zou plaatsvinden. Van een schending van de inspanningsverplichting door de minister is in dit geval dan ook geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [9]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Het beroep tegen een maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
2.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
3.Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
4.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw 2000.
5.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb 2000.
6.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb 2000.
7.Zie bv. de uitspraak van 18 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3338, r.o. 15.1 en 15 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3392, r.o. 5.1.
8.Zie bv. 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:17 en 4 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:78.
9.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.