ECLI:NL:RBDHA:2026:18179
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 april 2026 waarbij zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling is genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek. De rechtbank beoordeelt dit beroep aan de hand van het toepasselijke overgangsrecht van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV) en de Dublinverordening.
De rechtbank stelt vast dat het verzoek van eiser vóór 12 juni 2026 is ingediend, waardoor de Dublinverordening van toepassing blijft op de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is. De minister heeft een terugnameverzoek aan Kroatië gedaan, dat is geaccepteerd. Eiser voerde onder meer aan dat hij onmenselijk is behandeld in Kroatië en dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn individuele omstandigheden en het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat de verwijzingen naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigen dat Kroatië verantwoordelijk is. De door eiser aangevoerde individuele omstandigheden en medische klachten zijn onvoldoende onderbouwd om de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van Pro de Dublinverordening toe te passen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat eiser mag worden overgedragen aan Kroatië.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de overdracht aan Kroatië bevestigd.