ECLI:NL:RBDHA:2026:18179

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
NL26.21726
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 34 DublinverordeningArt. 35 AMBVArt. 42 AMBV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 april 2026 waarbij zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling is genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek. De rechtbank beoordeelt dit beroep aan de hand van het toepasselijke overgangsrecht van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV) en de Dublinverordening.

De rechtbank stelt vast dat het verzoek van eiser vóór 12 juni 2026 is ingediend, waardoor de Dublinverordening van toepassing blijft op de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is. De minister heeft een terugnameverzoek aan Kroatië gedaan, dat is geaccepteerd. Eiser voerde onder meer aan dat hij onmenselijk is behandeld in Kroatië en dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn individuele omstandigheden en het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat de verwijzingen naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigen dat Kroatië verantwoordelijk is. De door eiser aangevoerde individuele omstandigheden en medische klachten zijn onvoldoende onderbouwd om de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van Pro de Dublinverordening toe te passen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat eiser mag worden overgedragen aan Kroatië.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de overdracht aan Kroatië bevestigd.

Uitspraak

uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.21726
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. M.W.A. van Hoof).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1. De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen: M. Cordes.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toepasselijk recht
4. Op 12 juni 2026 is de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV) in werking getreden.1 Artikel 83, eerste volzin, van de AMBV bepaalt dat de Dublinverordening2 op 12 juni 2026 wordt ingetrokken. De rechtbank bespreekt daarom als eerste welk recht in deze zaken van toepassing is.
1. EU 2024/1351 en EU 2025/90929 rectificatie.
2 EU 604/2013.
Overgangsrecht
5. Artikel 84, tweede lid, van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.
6. Eisers verzoek om internationale bescherming is vóór 12 juni 2026 ingediend. Dat betekent dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het overgangsrecht wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.
7. Het besluit gaat ook over de toepassing van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Op grond van dat artikel kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Artikel 35, eerste lid, van de AMBV kent eenzelfde discretionaire bevoegdheid aan de lidstaten toe. In zoverre brengt de inwerkingtreding van de AMBV geen wijziging in de bevoegdheid van een lidstaat. Gelet op het hierna te bespreken nationale overgangsrecht, kan in het midden blijven of artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening van toepassing is onder de werking van artikel 84, tweede lid, van de AMBV of dat artikel 35 van Pro de AMBV van toepassing is op grond van de onmiddellijke werking van de AMBV.
8. Op grond van artikel IX van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 20263 blijven – voor zover hier relevant – de voorschriften gesteld bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 van vóór 12 juni 2026 van toepassing. Dat betekent ook dat het beleid van de minister in C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 over de toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening van toepassing blijft. Dit geldt beleid geldt ook als artikel 35, eerste lid, van de AMBV van toepassing is.
9. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank bij de beoordeling van dit beroep uit van het beleid dat is opgenomen in C2/5 van de Vreemdelingencirculaire, zoals dat luidde voor 12 juni 2026.
Overgangsrecht draagwijdte rechtsmiddel
10. Artikel 43, eerste lid, van de AMBV bepaalt dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de beoordeling van de punten die in de onderdelen a, b en c van dat artikellid zijn genoemd. Artikel 43, eerste lid, van de AMBV valt niet onder de werking van het overgangsrecht van artikel 84, tweede lid, van de AMBV zodat dat artikel onmiddellijke werking heeft. De rechtbank is echter van oordeel dat artikel 43, eerste lid, van de AMBV niet van toepassing is op zaken die onder het overgangsrecht van de AMBV vallen. Artikel 43 valt Pro onder Afdeling IV van de AMBV over procedurele waarborgen die zien op een overdrachtsbesluit in de zin van artikel 42 van Pro de AMBV. Bij verzoeken ingediend voor 12 juni 2026 en die vallen onder het overgangsrecht, is daarvan geen sprake. Bij die verzoeken is immers sprake van een overdrachtsbesluit volgend op de toepassing van de criteria van de Dublinverordening. Artikel 43, eerste lid, van de AMBV beperkt dan ook niet de rechterlijke toetsing van overdrachtsbesluiten die onder het overgangsrecht vallen.
3 Staatsblad 2026, 127.
Totstandkoming van het besluit
11. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.4 In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.
Tekenen machtiging/vertrouwensbeginsel
12. Eiser stelt dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de minister zijn asielaanvraag in behandeling zou nemen. Eiser heeft een machtiging op grond van artikel 34 van Pro de Dublinverordening ondertekend, waarin expliciet staat dat Nederland wordt aangemerkt als verantwoordelijke lidstaat. Eiser mocht, gelet op de bewoordingen uit deze machtiging, er gerechtvaardigd op vertrouwen dat Nederland verantwoordelijk was voor zijn asielaanvraag. Dat de minister stelt dat de machtiging een voorbereidende en voorwaardelijke stap is maakt dit niet anders, omdat het formulier redelijkerwijs anders kon overkomen. De minister heeft in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom het ondertekenen van dit formulier niet tot gerechtvaardigd vertrouwen leidt.
12. De rechtbank oordeelt dat het ondertekenen van de machtiging op grond van artikel 34, derde lid, van de Dublinverordening er niet toe leidt dat eiser er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de minister zijn asielverzoek in behandeling nam. Uit de tekst van de machtiging volgt niet dat eisers aanvraag in Nederland zal worden behandeld. De tekst van de verklaring die eiser heeft ondertekend, luidt: “provided it is necessary for the examination of the application for international protection, the Member State responsible may request another Member State to let it know on what grounds the applicant bases his or her application and, where applicable, the grounds for any decisions taken concerning the applicant. I hereby declare that I have no objections and therefore agree that the IND will request information as mentioned above. This information will be treated confidentially.” Daarin kan geen verklaring worden gelezen waaraan de verwachting kan worden ontleend dat eisers asielaanvraag in Nederland wordt behandeld. Verder volgt uit jurisprudentie5 van de Afdeling dat niet snel wordt aangenomen dat Nederland is aangevangen met de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek, zolang de procedure waarbij wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek nog niet is afgerond. Daarnaast blijkt uit het verslag van het gehoor in de aanmeldfase dat eiser op 24 maart 2026 zowel mondeling als door middel van formulieren is geïnformeerd over het feit dat een andere lidstaat kan worden verzocht om eisers asielprocedure over te nemen. Hierna heeft eiser de machtiging van artikel 34, derde lid, van de Dublinverordening ondertekend. Gelet op het voorgaande kon eiser er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat zijn asielaanvraag in Nederland zou worden behandeld. De beroepsgrond slaagt niet.
Standaard voornemen
14. Eiser stelt dat de minister het voornemen onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat de minister gebruik heeft gemaakt van een standaard voornemen, zonder in te gaan op de door eiser in het gehoor aangedragen individuele omstandigheden, zoals zijn onmenselijke behandeling in Kroatië. Doordat de minister hier niet kenbaar op is ingegaan, is eiser niet in staat gesteld om gericht en effectief te reageren op de motivering van de minister. Dit is een
4 Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
gebrek in de procedure en de minister heeft dit niet kunnen herstellen door in het besluit wel op de door eiser aangedragen omstandigheden in te gaan.
15. De rechtbank overweegt dat een voornemen een voorbereidingshandeling is, die niet is gericht op enig rechtsgevolg. Wanneer in het voornemen voldoende duidelijk uiteen is gezet op grond van welke redenen (in dit geval) Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, waarom er geen reden is om op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de aanvraag aan zich te trekken en wanneer alle voor het standpunt dragende overwegingen zijn opgenomen, is dit voldoende.6 Vervolgens wordt de vreemdeling (in dit geval eiser) in de gelegenheid gesteld om in een zienswijze hierop te reageren. In het besluit dient de minister vervolgens in te gaan op alle relevante elementen die tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag hebben geleid.
16. Naar het oordeel van de rechtbank zijn in het voornemen ten aanzien van eiser alle dragende overwegingen opgenomen. Uit het voornemen kan namelijk worden afgeleid waarom Kroatië verantwoordelijk wordt geacht en dat de minister in de individuele omstandigheden van eiser geen aanleiding ziet om de asielaanvraag in behandeling te nemen. Eiser heeft hier vervolgens met de zienswijze op kunnen reageren. De beroepsgrond slaagt niet.
Asielaanvraag in Kroatië
17. Eiser stelt dat hij geen asielaanvraag heeft ingediend in Kroatië. Eiser heeft namelijk nooit een asielaanvraag willen indienen in Kroatië en hij was niet op de hoogte van de gevolgen van een Eurodac-registratie in Kroatië. Dat uit het Eurodac-systeem blijkt dat eiser is geregistreerd in Kroatië is slechts een indicatie voor de vaststelling waar eiser een asielaanvraag heeft ingediend. De minister had nader onderzoek moeten doen naar hoe de registratie van eiser in Kroatië tot stand is gekomen.
18. Niet is betwist dat uit het Eurodac-systeem blijkt dat eiser in Kroatië is geregistreerd met een referentienummer aan de hand waarvan op grond van artikel 24, vierde lid, in samenhang met artikel 9, eerste lid, van Verordening nr. 603/2013 (Eurodacverordening), kan worden vastgesteld dat eiser een asielverzoek heeft ingediend. Daarbij is van belang dat in de Eurodacverordening bepalingen7 zijn opgenomen die de lidstaten verplichten tot afname van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Dublinverordening.
19. De minister mag uitgaan van de juistheid van deze registratie ook indien eiser achteraf aangeeft dat hij geen aanvraag had willen indienen. Dit blijkt ook uit het feit dat de minister een terugnameverzoek heeft ingediend en dat de Kroatische autoriteiten deze met het claimakkoord hebben bevestigd. De stelling dat onder valse voorwendselen een asielaanvraag tot stand is gekomen in Kroatië is niet onderbouwd. Daarnaast is niet gebleken dat hij hierover heeft geklaagd in Kroatië of dat dit niet mogelijk was. De beroepsgrond slaagt niet.

6.ECLI:NL:RVS:2025:1642.

7 Artikel 9, eerste lid, en 14, eerste lid, van de Eurodacverordening.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
20. Eiser stelt dat ten aanzien van Kroatië niet uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft uitvoerig verklaard over de wijze waarop hij is behandeld in Kroatië. Hij is mishandeld, kreeg geen eten en drinken en heeft verbleven op een opvanglocatie die onhygiënisch was. Dat eiser dit niet heeft kunnen onderbouwen met stukken doet hier niet aan af. Omdat zijn verklaringen consistent zijn, had de minister onderzoek moeten doen naar de omstandigheden in Kroatië. De minister had eiser niet tegen mogen werpen dat hij had moeten klagen bij de Kroatische autoriteiten. Het kan niet van hem worden verwacht dat hij klaagt bij de autoriteiten die hem slecht hebben behandeld. Eiser verwijst hierbij naar het AIDA-rapport (update 2024) over Kroatië. Dit rapport onderbouwt eisers stelling dat er in Kroatië sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang en asielprocedure. De minister had hier onderzoek naar moeten doen.
21. Bij de beoordeling van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling in een van de lidstaten ingediend asielverzoek, mag de minister uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van de vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Het is in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Daarvan is sprake in het geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel-en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het arrest Jawo.8
22. De rechtbank oordeelt dat ten aanzien van Kroatië uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 9 oktober 20249 geoordeeld dat de minister ten aanzien van Dublinclaimanten in Kroatië nog altijd kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft dit op 6 maart 202510 en op 21 november 202511 nog eens bevestigd. De Afdeling heeft onder meer overwogen dat de tekortkomingen in de asielprocedure in Kroatië onvoldoende zijn om te spreken van een fundamentele systeemfout die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid als bedoeld in het arrest Jawo bereikt. De Afdeling heeft op 21 november 202512 geoordeeld dat het AIDA-rapport (update 2024) geen wezenlijk ander beeld geeft dan blijkt uit het eerdere AIDA-rapport (update 2023). Eisers verwijzing naar het AIDA-rapport (update 2024) is dus reeds betrokken bij het oordeel van de Afdeling en onvoldoende voor de rechtbank om tot het oordeel te komen dat niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dat eiser stelt dat hij eerdere slechte ervaringen heeft gehad in Kroatië is onvoldoende om niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te kunnen gaan. Het enkel stellen van eisers ervaringen is zonder toelichting onvoldoende voor de rechtbank om aan te nemen dat er sprake is van structurele tekortkomingen die de drempel van zwaarwegendheid bereiken. Anders dan eiser stelt, oordeelt de rechtbank dat de minister geen nader onderzoek had hoeven doen naar aanleiding van eisers verklaringen. Daarnaast is

8.ECLI:EU:C:2019:218.

het aan eiser om hierover te klagen bij de Kroatische autoriteiten. Niet is gebleken dat dit niet kan of dat de Kroatische autoriteiten hem niet willen helpen. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening
23. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen toepassing is gegeven aan de discretionaire bevoegdheid uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De minister heeft in het bestreden besluit verwezen naar de eerdere beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hiermee heeft de minister geen zelfstandige kenbare en op de persoon toegespitste afweging gemaakt. De minister had de ervaringen van eiser kenbaar en in samenhang mee moeten nemen in de motivering waarom er geen toepassing is gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Ook heeft eiser medische klachten. Dat hij deze niet heeft onderbouwd doet niet af aan de geloofwaardigheid, omdat hij hier consequent over heeft verklaard. Ook is er geen medische zorg aanwezig in Kroatië.
24. Volgens paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 maakt de minister niet snel gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening. Volgens het beleid in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is dat in ieder geval als bijzondere individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Volgens vaste rechtspraak13 is het aan de minister om dit te beoordelen en dient de rechter deze beoordeling terughoudend te toetsen.
25. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij geen reden ziet om toepassing te geven aan de discretionaire bevoegdheid uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Zoals hiervoor is overwogen, mag de minister van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan. Gezien de jurisprudentie14 van de Afdeling mag de minister bij de beoordeling van een beroep op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening verwijzen naar hetgeen is overwogen ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden bij het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ook mag er op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit worden gegaan dat er medische zorg aanwezig is in Kroatië. De door eiser aangedragen omstandigheden zijn door de minister betrokken bij het bestreden besluit en de enkele stelling dat deze omstandigheden in samenhang beoordeeld hadden moeten worden, volgt de rechtbank daarom niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
26. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Kroatië. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

13.ECLI:NL:RVS:2025:2108.

Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 juni 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.