ECLI:NL:RBDHA:2026:18185

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
NL26.61729
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 KwalificatierichtlijnArt. 3 EVRMArt. 8:72 lid 4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit minister over asielaanvraag wegens onvoldoende motivering veiligheidssituatie Aden Jemen

Eisers, afkomstig uit de regio Aden in Jemen, vroegen op 8 mei 2023 asiel aan. De minister wees de aanvraag op 31 oktober 2024 af, waarna de rechtbank dit besluit vernietigde vanwege onvoldoende beoordeling van de algemene veiligheidssituatie. De Afdeling Bestuursrechtspraak bevestigde dit oordeel. De minister nam daarop een nieuw besluit op 10 december 2025, waarin de aanvraag opnieuw werd afgewezen als kennelijk ongegrond, uitsluitend op basis van de algemene veiligheidssituatie in Aden.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de mate van willekeurig geweld in Aden niet de hoogste gradatie bereikt zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. De humanitaire omstandigheden zijn niet op deugdelijke wijze betrokken bij de beoordeling, ondanks verwijzingen naar landenbeleid, Kamerbrieven en rapportages. De rechtbank sluit aan bij eerdere uitspraken waarin werd vastgesteld dat het landenbeleid onvoldoende specifiek is en geen allesomvattende beoordeling biedt.

De minister heeft ook nagelaten het belang van het kind en het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro adequaat te betrekken. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd en krijgt de minister de opdracht binnen 12 weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de algemene veiligheidssituatie en humanitaire omstandigheden in Aden duidelijk en volledig worden gemotiveerd. Eisers krijgen een proceskostenvergoeding van €1.868,- toegewezen.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de veiligheidssituatie en humanitaire omstandigheden in Aden, Jemen, en de minister moet binnen 12 weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.61729, NL25.61730 en NL25.61731.

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] , V-nummer: [V-nummer] , eiser,

[eiser 2] ,V-nummer: [V-nummer] , eiser
[eiseres] ,V-nummer: [V-nummer] , eiseres,
mede namens de minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] ,V-nummer: [V-nummer] ,
[minderjarige 2] ,V-nummer: [V-nummer] ,
hierna samen: eisers,
(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).

Inleiding en procesverloop

1. Eisers hebben asiel aangevraagd op 8 mei 2023. De minister heeft de aanvraag ongegrond verklaard op 31 oktober 2024. Het beroep van eisers tegen het besluit van de minister is gegrond verklaard door de rechtbank Den Haag. [1] De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister niet op basis van de individuele asielmotieven van eisers asiel heeft hoeven te verlenen. De rechtbank heeft de beoordeling met betrekking tot de algemene veiligheidssituatie echter onvoldoende gevonden. Daarom is het besluit van de minister van 31 oktober 2024 vernietigd. Het oordeel van de rechtbank is bevestigd door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). De minister heeft daarom een nieuw besluit genomen. De minister heeft op 10 december 2025 de aanvraag van eisers in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister heeft zich in dat besluit beperkt tot de grond van eisers over de algemene veiligheidssituatie in Jemen, want het staat in rechte vast dat de individuele asielmotieven niet leiden tot verlening van een asielvergunning.
2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het bestreden besluit van de minister van 10 december 2025.
3. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eiser, gemachtigde van de minister en
W. Fadl als tolk.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
5. Eisers komen oorspronkelijk uit de regio Aden in Jemen. Eisers leggen aan hun asielaanvraag, voor zover hier van belang, ten grondslag dat de algemene veiligheidssituatie, mede vanwege de slechte humanitaire omstandigheden, zo slecht is in Jemen dat het te gevaarlijk is voor eisers om terug te keren naar Jemen.
Het bestreden besluit
6. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de algemene veiligheidssituatie in Jemen geen reden is om in aanmerking te komen voor een asielvergunning. Voor de regio Aden in Jemen is volgens de minister sprake van een relatief hoge mate van willekeurig geweld, maar niet van de hoogste gradatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Volgens de minister blijkt uit het gewijzigde landenbeleid voor Jemen, neergelegd in WBV 2025/20, de Kamerbrief over landenbeleid Jemen van 8 oktober 2025, de Beslisnota en de bijlage ‘15c beoordeling Jemen’, dat de humanitaire omstandigheden bij de beoordeling zijn betrokken. De minister stelt zich daarbij uitdrukkelijk op het standpunt dat in de bijlage van 18 juni 2025 per provincie de artikel 15c-beoordeling uitgebreid uiteen is gezet, evenals de wijze waarop de humanitaire omstandigheden daarbij zijn betrokken. Daarnaast wijst de minister op het Algemeen Ambtsbericht Jemen 2025, waaruit volgt dat zich wel veiligheidsincidenten voordoen, maar dat het aantal burgerslachtoffers beperkt is gebleven. Ook uit recent geraadpleegde gegevens van Armed Conflict Location & Event Data (ACLED) over de periode van 1 maart 2025 tot en met 8 april 2026 volgt volgens de minister geen wezenlijke verslechtering van de veiligheidssituatie in de regio Aden ten opzichte van de eerdere verslagperiode. De beschikbare informatie geeft daarom geen aanleiding het niveau van willekeurig geweld te wijzigen. Volgens de minister hebben eisers geen individuele factoren aannemelijk gemaakt waardoor zij een reëel risico lopen om slachtoffer te worden bij een hoge mate van willekeurig geweld.
7. Volgens eisers heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom voor de regio Aden geen hogere mate van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn is vastgesteld. De veiligheidssituatie en de humanitaire omstandigheden zijn namelijk extreem slecht. De minister heeft daarbij onvoldoende kenbaar de humanitaire omstandigheden betrokken in de beoordeling. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser onder andere naar de uitspraak van 7 mei 2026 van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht. [2] Daarnaast voert eiser aan dat de minister onvoldoende kenbaar een beoordeling van het risico op schending van artikel 3 Europees Pro Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) heeft gemaakt en het belang van het kind niet heeft betrokken in zijn besluit.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister zijn standpunt over de mate van willekeurig geweld - als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn - in de regio Aden onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarvoor vindt de rechtbank het volgende van belang.
9. De minister heeft toepassing gegeven aan het landenbeleid ten aanzien van Jemen dat geldt vanaf 17 oktober 2025. In de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van
7 mei 2026 is geoordeeld dat de minister met dit landenbeleid niet heeft voldaan aan de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2025. [3] De rechtbank sluit aan bij dit oordeel. In het landenbeleid is onvoldoende ingegaan op de specifieke situatie in de verschillende provincies en is onvoldoende duidelijk hoe de slechte humanitaire omstandigheden in de beoordeling zijn betrokken.
10. In de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 mei 2026 is overwogen dat het door de minister gehanteerde uitgangspunt van een “globale” beoordeling naar het oordeel van de rechtbank niet als ‘comprehensive appraisal’ worden aangemerkt. [4] Door uit te gaan van een globale weging bestaat het risico dat niet alle relevante omstandigheden, waaronder de humanitaire omstandigheden, voldoende indringend worden betrokken. Een allesomvattende beoordeling van de relevante omstandigheden brengt immers met zich dat alle omstandigheden worden meegewogen en het relatieve gewicht van elke omstandigheid afhankelijk is van de mate waarin deze omstandigheden bijdragen aan willekeurig geweld en burgerslachtoffers. De rechtbank sluit in haar beoordeling aan bij de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 14 april 2026. [5] Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank de bijlage ‘15c beoordeling Jemen’ van 18 juni 2025 en de daarbij behorende stukken in haar beoordeling betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet op deugdelijke wijze en conform het arrest CF en DN de humanitaire omstandigheden betrokken in de beoordeling of er in Jemen – specifiek in de regio Aden – sprake is van het hoogste niveau van willekeurig geweld. De rechtbank sluit ook aan bij dit oordeel.
11. Hoewel de minister in het verweerschrift voor de regio Aden verwezen heeft naar recente berichtgeving van onder andere de Presidentiële Leiderschapsraad en ACLED ter onderbouwing van haar standpunt, maakt dit de conclusie niet anders. Uit deze beoordeling volgt namelijk niet op welke manier de slechte humanitaire omstandigheden in de beoordeling zijn betrokken. Niet duidelijk is bovendien of de actuele humanitaire omstandigheden in de regio Aden het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen van de strijdende partijen.
12. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister zijn standpunt over de mate van willekeurig geweld voor de regio Aden in Jemen onvoldoende heeft gemotiveerd. Wat eiser in het kader van zijn beroep op artikel 15c nog heeft aangevoerd
over zijn individuele omstandigheden, behoeft daarom geen bespreking meer.
13. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen waar de minister de algemene veiligheidssituatie en de humanitaire omstandigheden in de regio Aden kenbaar in de motivering moet betrekken. De minister zal vervolgens de humanitaire omstandigheden kenbaar en met oog voor de belangen van de kinderen moeten betrekken bij zijn beoordeling van het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro.

Conclusie en gevolgen

14. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
15. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor 12 weken.
16. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 10 december 2025;
- draagt de minister op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van
mr.S.J. Bootsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 1 juli 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.