ECLI:NL:RBDHA:2026:18239
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit Autoriteit Persoonsgegevens wegens motiveringsgebrek bij klachtbehandeling
Eisers dienden een klacht in bij de Autoriteit Persoonsgegevens over de verwerking van hun persoonsgegevens door de minister en het Openbaar Ministerie. Verweerder besloot aanvankelijk geen nader onderzoek te doen, waarna eisers bezwaar maakten en beroep instelden. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit gebrekkig is gemotiveerd, omdat verweerder geen uitputtend onderzoek heeft verricht naar de klacht.
De rechtbank stelt vast dat de reikwijdte van de klacht door eisers in de bezwaarfase is beperkt tot de verwerking door de minister, waardoor verweerder dit als uitgangspunt mocht nemen. Verweerder heeft de klacht inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de verwerking rechtmatig was op grond van een prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie van de EU.
Hoewel de rechtbank het motiveringsgebrek vaststelt, volgt zij de afweging van verweerder dat een nader onderzoek niet effectief en efficiënt is vanwege de beperkte maatschappelijke relevantie en het feit dat de persoonsgegevens onderdeel zijn van procesdossiers. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk, maar het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond. Verweerder moet het betaalde griffierecht vergoeden, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.
Uitkomst: Het besluit van de Autoriteit Persoonsgegevens wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en griffierecht wordt vergoed.