ECLI:NL:RBDHA:2026:18643

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
SGR 24/8413
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.10 WnbArt. 3.17 WnbArt. 3.18 WnbArt. 1:2 AwbArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging opdracht tot uitroeiing damhertenpopulatie Hoeksche Waard wegens onvoldoende onderbouwing

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van Stichting Animal Rights en Stichting Fauna4Life tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland om de damhertenpopulatie in de Hoeksche Waard volledig uit te roeien. De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende heeft aangetoond dat de populatie uitsluitend uit verwilderde dieren bestaat en dat het noodzakelijk is om de populatie tot nul terug te brengen ter voorkoming van ernstige schade aan gewassen en in het belang van de verkeersveiligheid.

De rechtbank stelt vast dat het college zich baseert op een beheeradvies en eerdere taxaties van schade, maar dat het onderzoek naar de herkomst van de damhertenpopulatie niet afdoende is, met name omdat geen genetisch onderzoek is uitgevoerd. Ook is de onderbouwing van de noodzaak tot volledige uitroeiing onvoldoende, aangezien het handhaven van een populatie van 40 dieren niet is uitgesloten als levensvatbaar en er onvoldoende bewijs is dat de verkeersveiligheid ernstig wordt bedreigd.

Verder oordeelt de rechtbank dat eiseressen als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt vanwege hun statutaire doelstellingen en feitelijke werkzaamheden. Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De voorlopige voorziening vervalt met deze uitspraak.

Uitkomst: Het besluit tot uitroeiing van de damhertenpopulatie in de Hoeksche Waard wordt vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8413

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen

Stichting Animal Rights(eiseres 1) uit Den Haag
,en
Stichting Fauna4Life,(eiseres 2) uit Amstelveen, tezamen: eiseressen
(gemachtigde: mr. M. van Duijn),
en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

(gemachtigde: mr. F.B. Mantel en mr. W.M. Lambooij).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Faunabeheereenheid Zuid-Hollanduit Den Haag
(de faunabeheereenheid) (gemachtigde: mr. P.C.H. van Schooten).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseressen tegen de gegeven opdracht in de zin van artikel 3.18, eerste en vierde lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) om de omvang van de populatie van het damhert binnen de grenzen van het werkgebied van de Wildbeheereenheid Hoeksche Waard te beperken tot nul exemplaren.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat de populatie damherten in de Hoeksche Waard uitsluitend uit verwilderde dieren bestaat. Ook heeft het college onvoldoende onderbouwd dat het terugbrengen van de populatie tot nul exemplaren nodig is ter voorkoming van ernstige schade aan gewassen en in het belang van de (verkeers-)veiligheid. Eiseressen krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 1 oktober 2024 heeft het college opdracht gegeven om de populatie van het damhert in de Hoeksche Waard tot nul terug te brengen.
2.1.
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook hebben eiseressen de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek toegewezen [1] en de voorlopige voorziening getroffen dat de populatie damherten in de Hoeksche Waard tot aan de uitspraak in de bodemprocedure mag worden teruggebracht tot 40 exemplaren, met toepassing van het Plan van aanpak populatiereductie damherten Hoeksche Waard van 17 maart 2025.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De faunabeheereenheid heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens eiseressen deelgenomen: [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , bijgestaan door de gemachtigde van eiseressen. Namens het college hebben [naam 4] en de gemachtigden van het college aan de zitting deelgenomen. Namens de faunabeheereenheid is [naam 5] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van de faunabeheereenheid.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 16 december 2020 heeft het college aan de faunabeheereenheid de opdracht als bedoeld in artikel 3.18, eerste en vierde lid, van de Wnb gegeven om de populatie van het damhert in de Hoeksche Waard tot nul terug te brengen.
3.1.
Eiseressen hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Met de uitspraak van 17 februari 2021 heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen en het besluit van 16 december 2020 geschorst. [2]
3.2.
Met de uitspraak van 20 december 2021 heeft de rechtbank het beroep van eiseressen gegrond verklaard, het besluit van 16 december 2020 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het, zowel met het oog op de verkeersveiligheid als ter voorkoming van ernstige schade aan gewassen, noodzakelijk is dat de gehele populatie damherten wordt gedood. [3]
3.3.
Vervolgens heeft het college in het bestreden besluit opnieuw de faunabeheereenheid de opdracht in de zin van artikel 3.18, eerste en vierde lid, van de Wnb gegeven om de omvang van de populatie van het damhert binnen de grenzen van het werkgebied van de Wildbeheereenheid Hoeksche Waard (uitsluitend buiten de bebouwde kom en met uitzondering van Tiengemeten en het Eiland van Dordrecht) te beperken tot nul exemplaren, in het belang van de openbare (verkeers-)veiligheid en ter voorkoming van ernstige schade aan met name gewassen. De opdracht heeft een geldigheidsduur van vijf jaar.
3.4.
In het bestreden besluit stelt het college zich op het standpunt dat de populatie damherten in de Hoeksche Waard verwilderde dieren zijn en dat een populatie damherten in dit gebied ongewenst is, omdat (1) de openbare (verkeers-)veiligheid wordt bedreigd, (2) de damherten zich midden in een landbouwgebied bevinden en ook op landbouwgewassen foerageren, met reeds in de huidige situatie aanzienlijke economische schade tot gevolg en (3) het laten ontsnappen of uitzetten van dieren in strijd is met het verbod op het uitzetten van dieren.
3.5.
Het college heeft aan het bestreden besluit het “Beheeradvies damwild in de Hoeksche Waard (Zuid-Holland)” van 19 december 2022, opgesteld door Worm-Advies en Natuurlijk! Fauna-Advies (het beheeradvies) ten grondslag gelegd. In het beheeradvies wordt een beschrijving gegeven van de herkomst en het voorkomen van de populatie damherten, de verwachte populatieontwikkeling, de mogelijkheden om in te grijpen met verschillende beheerscenario’s en wordt een advies gegeven.
Overgangsrecht Omgevingswet
4. Het bestreden besluit is genomen op grond van de Wnb. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en is de Wnb ingetrokken. Op grond van het overgangsrecht van artikel 2.9, eerste lid, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet is in dit geval de Wnb nog van toepassing.
Juridisch kader
5. Op grond van artikel 3.10, eerste lid, van de Wnb is het in beginsel verboden om dieren die behoren tot een beschermde diersoort opzettelijk te doden. Het damhert is in de bijlage, onderdeel A, bij de Wnb aangewezen als een beschermde diersoort.
5.1.
Op grond van artikel 3.18, eerste lid, van de Wnb kunnen gedeputeerde staten aan (onder andere) faunabeheereenheden opdracht geven om in afwijking van onder meer artikel 3.10, eerste lid, van de Wnb de omvang van een bij de opdracht aangeduide populatie te beperken als dat nodig is voor de redenen genoemd in artikel 3.17, eerste lid, onderdelen a, b en c. In de tweede volzin van artikel 3.18, eerste lid, worden verder de artikelen 3.3, vierde en vijfde lid, 3.8, vijfde lid, en 3.10, tweede lid, van overeenkomstige toepassing verklaard. Hierin is onder meer bepaald dat een ontheffing of een vrijstelling alleen kan worden verleend als er geen andere bevredigende oplossing bestaat en dat de maatregelen niet mogen leiden tot een verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.
5.2.
Artikel 3.18, vierde lid, van de Wnb verklaart het eerste tot en met derde lid, met uitzondering van de tweede volzin van het eerste lid, van overeenkomstige toepassing op het beperken van de omvang van populaties van dieren die zijn aan te merken als exoten of verwilderde dieren. Dat betekent – kort gezegd – dat het college bij exoten of verwilderde dieren niet hoeft te toetsen of er andere bevredigende oplossingen zijn en of het streven naar een gunstige staat van instandhouding in de weg staat aan de verleende ontheffing.
5.3.
Op grond van artikel 3.17, eerste lid, van de Wnb verlenen gedeputeerde staten ten behoeve van de beperking van de omvang van een populatie van soorten als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, ontheffing als bedoeld in artikel 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, tweede lid, indien deze beperking nodig is:
a. (….);
b. in geval van dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid:
1°. (…);
2°. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden en wateren en andere vormen van eigendom, of
3°. in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, of
c. in geval van dieren van soorten als bedoeld in 3.10, eerste lid, met uitzondering van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid:
1°. om de redenen genoemd in onderdeel b;
2°. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, industrieterreinen of begraafplaatsen,
3°. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren, en
4°. in het algemeen belang.
Zijn eiseressen aan te merken als belanghebbenden?
6. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eiseressen zijn aan te merken als belanghebbenden. De faunabeheereenheid heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep van eiseressen niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat zij niet zijn aan te merken als belanghebbenden. In dat kader wijst de faunabeheereenheid erop dat eiseressen geen feitelijke werkzaamheden verrichten om schade door damherten in de Hoeksche Waard te beperken of de verkeersveiligheid in de Hoeksche Waard te bevorderen.
6.1.
De rechtbank overweegt het volgende. Voor het antwoord op de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt. Met artikel 1:2, derde lid, van de Awb heeft de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis [4] veilig willen stellen dat organisaties als belanghebbende kunnen opkomen, mits een algemeen of collectief belang dat zij zich statutair ten doel stellen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzetten, bij het besluit rechtstreeks is betrokken. Anders dan de faunabeheereenheid lijkt te veronderstellen, moeten de feitelijke werkzaamheden dus zien op de statutaire doelstellingen van eiseressen en niet specifiek op de belangen die gemoeid zijn met het bestreden besluit (zoals het voorkomen van schade en het bevorderen van de verkeersveiligheid).
6.2.
Volgens de statuten van eiseres 1 heeft zij zich ten doel gesteld:
“De stichting heeft ten doel:
  • Het opkomen voor door mensen gehouden dieren;
  • Het opkomen voor in (relatieve) vrijheid levende dieren, de kwaliteit van hun bestaan en natuurlijke habitats’
  • Het bevorderen van een plantaardige levensstijl;
  • Het regelen van opvang en het verlenen van directe en indirecte hulp aan dieren’
dit alles in de meest ruime zin van het woord.”
6.3.
Volgens de statuten van eiseres 2 heeft zij zich ten doel gesteld:
“a. De bevordering van een ethisch en wetenschappelijk verantwoord faunabeleid. Het werkterrein van de stichting is Nederland, maar kan zich ook uitstrekken tot buiten onze landsgrenzen. De stichting heeft het maken van winst uitdrukkelijk niet tot doel;
b. het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.”
6.4.
Eiseressen hebben ter zitting – onder verwijzing naar hun websites – toegelicht dat de feitelijke activiteiten onder meer bestaan uit lobbyen, het maken van publicaties en het organiseren van bijeenkomsten en themadagen. Daarmee hebben eiseressen naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat zij – naast het voeren van juridische procedures – feitelijke werkzaamheden verrichten ter behartiging van hun doelstellingen. De rechtbank merkt eiseressen daarom aan als belanghebbenden en zal hun beroepsgronden hieronder inhoudelijk beoordelen.
Verwilderde dieren?
7. Eiseressen betogen dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de damhertenpopulatie in de Hoeksche Waard enkel uit verwilderde damherten bestaat. In dat verband wijzen eiseressen onder meer op de uitspraak van deze rechtbank van
20 december 2021, waarin de rechtbank de eerder verleende opdracht heeft vernietigd omdat het college niet toereikend had gemotiveerd dat de damhertenpopulatie uitsluitend uit verwilderde dieren bestaat. [5] De motivering in het bestreden besluit is niet anders, en voldoet dus nog steeds niet, aldus eiseressen. De enkele verklaring van een Buitengewoon Opsporingsambtenaar waar het college naar verwijst is daartoe niet voldoende. En zelfs als aannemelijk is dat rond het jaar 2000 drie damherten ontsnapt zijn uit een hertenkamp in Numansdorp, wil dat nog niet zeggen dat de huidige populatie uitsluitend uit verwilderde dieren bestaat. Er kan immers vermenging hebben plaatsgevonden met wilde damherten. Ook uit de Verspreidingsatlas van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) blijkt dat het mogelijk is dat damherten van elders zich in de Hoeksche Waard vestigen. Ten slotte betogen eiseressen dat het besluit om deze populatie damherten als verwilderd aan te merken willekeurig is, omdat uiteindelijk alle damherten zijn terug te leiden tot ooit gehouden dieren. Gelet op het voorzorgsbeginsel had het college moeten uitgaan van de beschermde status van wilde damherten, aldus eiseressen.
7.1.
Het college stelt zich – onder verwijzing naar het beheeradvies – op het standpunt dat de damhertenpopulatie in de Hoeksche Waard afstamt van drie damherten die rond het jaar 2000 zijn ontsnapt uit een hertenkamp in Numansdorp. Deze damherten zijn daarom aan te merken als verwilderd in de zin van de Wnb. Het is zeer onwaarschijnlijk dat wilde damherten van elders zich bij deze populatie hebben gevoegd, gelet op de afstand vanaf de dichtstbijzijnde damhertenpopulaties in de Amsterdamse Waterleidingduinen, Kop van Schouwen, Manteling van Walcheren en Veluwezoom. Gelet op de afstand en de vele infrastructurele barrières en waterwegen is het niet aannemelijk dat een wild damhert de Hoeksche Waard bereikt. Ook uit waarnemingen in de NDFF-verspreidingsatlas kan volgens het college niet de conclusie worden getrokken dat het aannemelijk is dat wilde damherten zich hebben vermengd met de verwilderde populatie in de Hoeksche Waard.
7.2.
Zoals ook de rechtbank in de uitspraak van 20 december 2021 en de voorzieningenrechter in de uitspraak van 14 april 2025 heeft overwogen, is het mogelijk dat ook buiten de kernleefgebieden op de Veluwe, in de Amsterdamse Waterleidingduinen en in Zeeland, wilde damherten voorkomen. Dat buiten de kernleefgebieden damherten zijn waargenomen blijkt ook uit de kaart uit de NDFF-verspreidingsatlas, zoals ook opgenomen in het beheeradvies. Op die kaart staan immers ook buiten de bestaande kernleefgebieden rode stippen, die op waarnemingen van wilde damherten kunnen duiden. Het standpunt van het college dat het – gelet op de infrastructurele barrières – veel waarschijnlijker is dat dit ook verwilderde (van elders ontsnapte) damherten zijn, volgt de rechtbank niet. Uit het verweerschrift en de bijgevoegde meer detailleerde versies van de kaart van de NDFF blijkt ook dat damherten in de nabijheid van het benuttingsgebied zijn waargenomen op het eiland van Dordrecht, Goeree-Overflakkee, nabij Gouda in de Krimpenerwaard, in de Alblasserwaard en rond Rotterdam. Het college acht niet uitgesloten dat deze damherten zich hebben vermengd met de damherten uit de Hoeksche Waard, maar stelt dat dit zeer onaannemelijk is gelet op de barrières (zoals drukke rijkswegen en vaarwegen) die de damherten moeten doorkruisen om het benuttingsgebied te bereiken. De rechtbank kan ook dit standpunt van het college niet volgen. In het beheeradvies is immers ook opgenomen dat het
“zeer wel mogelijk is dat in de (nabije) toekomst damherten van elders uit kunnen gaan wisselen met de damherten in de HW [Hoeksche Waard] gezien de snelle uitbreidingssnelheid van het benuttingsgebied in Nederland door damherten met circa 100 km2 per jaar. (...) Wel moeten er dan nog veel barrières worden genomen, zoals snelwegen, brede waterwegen, stedelijk gebied, etcetera”. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank niet inzichtelijk gemaakt waarom deze barrières in de (nabije) toekomst wel door damherten kunnen worden geslecht, maar dat het tegelijkertijd zeer onaannemelijk is, dat dit niet al is gebeurd. De rechtbank betrekt daarbij dat uit het beheeradvies blijkt dat uitgebreid genetisch onderzoek de enige manier is om de herkomst van de damherten in de Hoeksche Waard met zekerheid vast te stellen. Het college heeft zo’n onderzoek niet uitgevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college het standpunt dat de damhertenpopulatie in Hoeksche Waard uitsluitend uit verwilderde dieren bestaat onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank merkt daarbij op dat het verlenen van een ontheffing voor het doden van beschermde soorten dient te berusten op een zorgvuldig (ecologisch) onderzoek en een toereikende motivering.
7.3.
De beroepsgrond slaagt.
Inhoudelijk oordeel over de overige beroepsgronden
8. De rechtbank begrijpt het bestreden besluit zo dat het college heeft beoogd om subsidiair – ervan uitgaande dat het geen verwilderde maar wilde damhertenpopulatie betreft – een ontheffing te verlenen op grond van artikel 3.17, eerste lid van de Wnb. De rechtbank zal daarom aan de hand van de beroepsgronden een inhoudelijk oordeel geven over het standpunt van het college dat de ontheffing nodig is, er geen andere bevredigende oplossingen voorhanden zijn, en er geen gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van het damhert in Nederland.
Nodig om ernstige schade aan gewassen te voorkomen?
9. Eiseressen betogen dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van ernstige schade. Dat in de jaren 2019, 2021, 2022 en 2023 taxaties zijn gedaan met een gewasschade van meer dan € 250,- per geval is daarvoor niet voldoende, aldus eiseressen. De keuze voor een vast bedrag voor de invulling van het begrip ‘belangrijke schade’ is volgens eiseressen in strijd met het relatieve karakter van deze Europeesrechtelijke norm. Verder betogen eiseressen dat uit de
“Mededeling van de Commissie - Richtsnoeren inzake de strikte bescherming van diersoorten van communautair belang uit hoofde van de habitatrichtlijn (2021/C6 496/01)”(hierna: de richtsnoeren) volgt dat belangrijke schade aan gewassen slechts schade is die het normale bedrijfsrisico te boven gaat en een agrariër onevenredig zwaar treft. Ook verwijzen eiseressen naar de uitspraak [6] van 24 februari 2022, waarin de rechtbank Midden-Nederland oordeelde dat een bedrag van € 250,- per geval, per bedrijf, per jaar, niet strookt met de uitleg van dit begrip in het Gidsdocument bij de Vogelrichtlijn.
9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de damhertenpopulatie ernstige schade aanricht aan gewassen. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst het college naar de getaxeerde schade volgens een zevental taxaties uit 2019 en een vijftal taxaties die zijn uitgevoerd in 2021, 2022 en 2023. Deze schade zal groter worden als de populatie van de damherten verder toeneemt. In de Beleidsregel uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland wordt onder ernstige schade aan gewassen verstaan: de schade waarbij het schadebedrag per geval € 250,- of meer is. De Afdeling heeft dit niet onredelijk geacht en er is geen reden om daar in deze zaak van af te wijken, aldus het college.
9.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, [7] is aan het gestelde vereiste van belangrijke schade voldaan als is gebleken van een concrete dreiging van belangrijke schade. Bij de invulling van het begrip ‘belangrijke schade’ en bij het bepalen van een concrete dreiging daarvan, komt het college beoordelingsruimte toe. Niet vereist is dat de belangrijke schade zich al heeft voorgedaan. Het college hoeft voor het verlenen van de ontheffing dus niet af te wachten tot de schade is ontstaan. [8] Uit het enkele gegeven dat een schadeveroorzakende diersoort en schadegevoelige gewassen in een gebied voorkomen, kan echter niet de conclusie worden getrokken dat belangrijke schade zich in die gebieden voordoet. Daarbij komt aan de schadehistorie belangrijke betekenis toe. De rechtbank merkt daarbij op dat in dit geval het criterium niet ‘belangrijke schade’ is (dat criterium komt uit de Vogelrichtlijn), maar het criterium ‘ernstige schade’. Deze begrippen moeten echter hetzelfde worden uitgelegd. [9]
9.3.
Voor zover eiseressen betogen dat het hanteren van een vast bedrag voor de invulling van het begrip ‘ernstige schade’ in strijd is met de Wnb, overweegt de rechtbank het volgende. In de hiervoor genoemde uitspraak van 1 april 2026 heeft de Afdeling overwogen dat het college bij de inventarisatie van schade mag kijken naar een drempelbedrag, zoals het eerder in de jurisprudentie geaccepteerde drempelbedrag van
€ 250,- per geval, per jaar, per bedrijf. De Afdeling neemt in die uitspraak evenwel in aanmerking dat dit bedrag nooit is geïndexeerd, en acht in die zaak een aanvullende onderbouwing van het college nodig om aannemelijk te maken dat sprake is van belangrijke schade. Het moet immers gaan om schade die meer is dan ongemak en die het normale bedrijfsrisico overtreft. Daarbij behoeven volgens de Afdeling niet de financiële gegevens van bedrijven te worden betrokken en behoeft ook niet te worden beoordeeld in hoeverre de schade impact heeft op de bedrijfsvoering van elk afzonderlijk bedrijf.
9.4.
De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 14 april 2025 in de overwegingen tot en met 9.4 geoordeeld dat het op grond van de door het college overgelegde taxatierapporten aannemelijk is dat ingrijpen nodig is ter voorkoming van ernstige schade aan gewassen, aangericht door damherten, aangezien de schadebedragen aanzienlijk hoger zijn dan € 250,- per schadegeval en de populatie damherten zonder ingrijpen blijft groeien. De rechtbank onderschrijft op dit punt het oordeel van de voorzieningenrechter en voegt daaraan het volgende toe. In de uitspraak van 27 mei 2026 [10] heeft de Afdeling aangenomen dat in die zaak de geschatte schade in veel gevallen meer dan € 600,- per geval bedroeg en geconcludeerd dat het college daarmee op zichzelf voldoende heeft onderbouwd dat in de betreffende jaren sprake was van een concrete dreiging van ernstige schade. Die schattingen waren gebaseerd op door BIJ12 getaxeerde schades over de jaren 2010 tot en met 2014 en 2018 en op schattingen van registratie van schadegevallen in het SRS-systeem, waarbij was aangegeven: wat de gewassen zijn, wat het geschatte oppervlakte is, het geschatte schadebedrag en de diersoort waaraan het kan worden toegeschreven en voor welk percentage. De rechtbank overweegt dat deze gegevens ook zijn opgenomen in de vijf taxaties uit 2021, 2022 en 2024 die het college aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank is van oordeel dat het college zeven taxaties uit 2019 niet heeft kunnen beschouwen als een onderbouwing van (concrete dreiging van) ernstige schade, omdat die taxaties niet zijn gebaseerd op de schadetaxatieprotocollen van BIJ12. Uit de vijf taxaties uit 2021, 2022 en 2024, die wel volgens die protocollen zijn opgesteld, blijkt dat de daarin opgenomen schadebedragen beduidend hoger zijn dat € 600,- per schadegeval. Hoewel dit beperkte aantal van vijf taxaties over een periode van drie jaar naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie rechtvaardigt dat ten tijde van die taxaties reeds sprake was van ernstige schade, zoals het college stelt en de voorzieningenrechter heeft aangenomen, kan daaruit wel worden afgeleid dat in de betreffende jaren sprake was van een concrete dreiging van ernstige schade. Het college heeft in het bestreden besluit voldoende onderbouwd dat die ernstige schade zich zal kunnen verwezenlijken, gelet op de grote voedselbehoefte van damherten en het gegeven dat de populatie – bij niet ingrijpen – in 2028 uit ongeveer 1.300 damherten zal bestaan.
9.5.
Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat het om ernstige schade te voorkomen noodzakelijk is om de gehele populatie te doden. In dat kader stelt het college zich op het standpunt dat het stabiliseren van de populatie op 40 dieren niet wenselijk is, omdat dat volgens het beheeradvies geen levensvatbare populatie is. Het terugbrengen tot nul exemplaren is daarom volgens het college de enige realistische, passende en bevredigende oplossing, ook uit het oogpunt van dierenwelzijn. De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 14 april 2025 in de overwegingen 9.5 en 9.6 geoordeeld dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het doden van de gehele populatie noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige schade, aangezien het moet gaan om het voorkomen van ernstige schade en niet van alle schade. De rechtbank onderschrijft ook op dit punt het oordeel van de voorzieningenrechter en de overwegingen die daaraan aan ten grondslag liggen. De rechtbank voegt daaraan toe dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt dat het handhaven van de populatie op 40 damherten reeds zal kunnen leiden tot ernstige schade. De rechtbank wijst er daarbij nogmaals op dat uit de vijf taxaties uit 2021, 2022 en 2024 niet kan worden geconcludeerd dat gedurende die jaren reeds sprake was van ernstige schade, terwijl de populatieomvang blijkens het in het bestreden besluit opgenomen tellingsoverzicht in 2021, 2022, 2023 en 2024 respectievelijk 36, 37, 42 en 69 exemplaren bedroeg. Het standpunt van het college dat handhaven van een populatie van 40 dieren niet mogelijk is omdat zo’n populatie, vanwege effecten van inteelt, op de lange termijn niet levensvatbaar is, volgt de rechtbank niet. Uit het beheeradvies blijkt immers dat het zeer wel mogelijk is dat in de (nabije) toekomst damherten van elders uit kunnen gaan wisselen met de damherten in de Hoeksche Waard. Ook kan niet worden uitgesloten dat in de afgelopen periode enige vorm van uitwisseling heeft plaatsgevonden tussen damherten van elders en damherten binnen de populatie in de Hoeksche Waard (zie ook overwegingen 7.2 en 7.3).
9.6.
De beroepsgrond slaagt.
Nodig in het belang van de (verkeers-)veiligheid?
10. Eiseressen betogen dat het college ook onvoldoende heeft onderbouwd dat er een reëel gevaar is voor de openbare veiligheid. In de periode 2016-2022 zijn vier aanrijdingen geweest met een motorvoertuig, dat is gemiddeld 0,67 aanrijdingen per jaar. Verder neemt het aantal aanrijdingen niet toe, terwijl het aantal damherten wel toeneemt. Ook ontbreken betrouwbare gegevens of bij deze ongevallen daadwerkelijk damherten betrokken waren.
10.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat overstekende damherten een groot risico vormen voor de verkeersveiligheid. In de periode 2016-2022 zijn in ieder geval vier aanrijdingen met een motorvoertuig geweest. Het is het college bekend dat er meer aanrijdingen hebben plaatsgevonden, maar die zijn niet gemeld of geregistreerd. Een grotere populatie damherten betekent ook een grotere kans op aanrijdingen, te meer omdat jonge mannelijke damherten uitzwerven om nieuwe gebieden te verkennen.
10.2.
De rechtbank overweegt het volgende. De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 14 april 2025 overwogen (onder 8.1-8.5) dat de conclusie van het college dat de huidige populatie damherten in de Hoeksche Waard een bedreiging van de verkeersveiligheid vormt, niet door de cijfers van het aantal aanrijdingen wordt ondersteund. De voorzieningenrechter oordeelt dan ook dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het met het oog op de verkeersveiligheid noodzakelijk is dat de gehele populatie damherten moet verdwijnen. De rechtbank onderschrijft op dit punt het oordeel van de voorzieningenrechter en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De rechtbank voegt daaraan toe dat uit het verweerschrift in beroep blijkt dat in de periode van 1 april 2025 tot en met 31 maart 2026 geen enkele aanrijding met damherten is geregistreerd.
10.3.
De beroepsgrond slaagt.
Zijn er andere bevredigende oplossingen?
11. Eiseressen betogen – onder verwijzing naar de richtsnoeren – dat het college eerst alle andere bevredigende, diervriendelijke, oplossingen moet inzetten, ook als die het probleem niet volledig oplossen. Het college is in het bestreden besluit ten onrechte alleen maar ingegaan op het plaatsen van hekwerken. Daarnaast behoeven volgens eiseressen alleen de kwetsbare en kapitaalintensieve gewassen te worden afgerasterd, en niet – zoals het college stelt – het hele gebied. Verder wijzen eiseressen op de PreventieKit Hertachtigen van BIJ12. Hierin staan drie hoog effectieve maatregelen opgenomen. Die heeft het college volgens eiseressen onvoldoende betrokken. Ook voor het voorkomen van gevaarlijke verkeerssituaties zijn alternatieven beschikbaar, aldus eiseressen.
11.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het plaatsen van hekwerken niet is aan te merken als een andere bevredigende oplossing, aangezien er geen sprake is van een natuurlijk leefgebied dat kan worden afgeschermd. De damherten leven immers grotendeels in agrarisch gebied. Daarnaast zouden de damherten door het plaatsen van rasters ofwel op de agrarische percelen ofwel op de weg worden gehouden, wat ook onwenselijk is. Ook hebben de rasters ook grote invloed op het leefgebied van andere soorten, zoals reeën, egels, hazen en vossen. Ten slotte is het plaatsen van rasters niet overal mogelijk omdat een aantal wegen in het gebied zijn gelegen op smalle dijken. Verder zijn volgens het college het wegvangen en het toepassen van anticonceptie niet aan te merken als een andere bevredigende oplossing, waardoor afschot als enige methode overblijft.
11.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wnb volgt dat, als het doden van de betrokken dieren geheel of gedeeltelijk vermijdbaar is door het treffen van geschikte en proportionele maatregelen, het niet verlenen van de ontheffing of vrijstelling, of het daarbij voorschrijven van dergelijke maatregelen, uitgangspunt is. [11] De vraag die moet worden beantwoord is dus of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen geschikte en proportionele maatregelen zijn die het probleem in ieder geval gedeeltelijk oplossen. De vraag of geen andere bevredigende oplossingen bestaan moet worden afgezet tegen het doel van de ingreep. [12]
11.3.
De voorzieningenrechter heeft in overweging 10.2 van de uitspraak van 14 april 2025 geoordeeld dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ter voorkoming van ernstige schade aan gewassen er geen andere bevredigende oplossing bestaat dan het doden van een deel van de populatie damherten. Het omrasteren van kapitaalintensieve gewassen behoort niet tot de mogelijkheid omdat in de Hoeksche Waard veel wisselteelt is. Ook het plaatsen van manchetten rondom bomen is geen optie, vanwege de grootte van een damhert. De rechtbank onderschrijft op dit punt het oordeel van de voorzieningenrechter en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Dat – zoals eiseressen betogen – delen van het leefgebied van de damherten in de Hoeksche Waard bestaan uit Natura 2000-gebied en gebieden die deel uitmaken van Natuur Netwerk Nederland, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het plaatsen van rasters alsnog een geschikte en proportionele alternatieve maatregel is.
11.4.
Omdat de rechtbank in de overwegingen 10-10.3 heeft geoordeeld dat het college de noodzaak van de ontheffing in het belang van de verkeersveiligheid onvoldoende heeft onderbouwd, gaat de rechtbank niet in op het betoog van eiseressen dat ook in het belang van de verkeersveiligheid andere bevredigende oplossingen bestaan.
11.5.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat onvoldoende onderzoek aan het bestreden besluit ten grondslag ligt en dat het besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om het college met toepassing van artikel 8:51a van de Awb in de gelegenheid te stellen het geconstateerde gebrek te herstellen, nu dit naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
12.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseressen vergoeden en krijgen eiseressen ook een vergoeding van hun proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eiseressen een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde van eiseressen heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting deelgenomen. De rechtbank gaat uit van wegingsfactor 1. De vergoeding voor proceskosten bedraagt in totaal (2 x 934 =) € 1.868,-.
12.2.
De rechtbank wijst partijen erop dat de door de voorzieningenrechter getroffen voorlopige voorziening met deze uitspraak vervalt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 371,- aan eiseressen te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzitter, en mr. S.H. van den Ende en
mr. A. Drahmann, leden, in aanwezigheid van mr. J.P. Brand, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van 14 april 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:6084).
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1827), r.o. 4.2.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2097), r.o. 6.4.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1827), r.o. 4.4.
12.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 19 april 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1547), r.o. 7.1, en 13 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3471), r.o. 12.4.