ECLI:NL:RBDHA:2026:18670

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
12251714 \ RL EXPL 26-11311
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Arbeidsovereenkomst onrechtmatig opgezegd; loonbetaling en wettelijke verhoging toegewezen

In deze kortgedingprocedure vordert de werknemer betaling van achterstallig loon en nevenvorderingen omdat zijn arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd volgens hem onrechtmatig is opgezegd. De kantonrechter stelt vast dat de arbeidsovereenkomst inderdaad niet rechtsgeldig is beëindigd, mede op basis van een brief van de werkgever.

De kantonrechter wijst de loonvorderingen over april en mei 2026 toe, inclusief een wettelijke verhoging van respectievelijk 50% en 30%. Voor toekomstige loonbetalingen vanaf juni 2026 wordt het loon toegewezen, maar zonder wettelijke verhoging omdat niet vaststaat dat deze termijnen te laat worden betaald. Daarnaast wordt de werkgever veroordeeld tot het verstrekken van salarisspecificaties onder dwangsom.

Ook worden de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten toegewezen, inclusief wettelijke rente. De werkgever krijgt een termijn van zeven dagen om aan de betalingsverplichtingen te voldoen. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst is onrechtmatig opgezegd en de werkgever is veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, wettelijke verhogingen, rente, salarisspecificaties en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: 12251714 \ RL EXPL 26-11311
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 22 juni 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. I. Atay (toevoeging: [nummer] )
tegen
ZRM B.V. T.H.O.D.N. MERAM STREETFOOD,
te 's-Gravenhage,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ZRM,
procederende bij de heer Z. Bildirici.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Den Haag.
De zaak wordt behandeld door mr. D. Nobel, kantonrechter, bijgestaan door mr. S. Hertog als griffier.
Aanwezig zijn:
- [naam] en mr. I. Atay namens [eisende partij] ;
- dhr. Z. Bildirici namens ZRM.
Op de zitting is een kopie van de originele dagvaarding aan het procesdossier toegevoegd.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1.De beoordeling

1.1.
Voor toewijzing van een vordering in kort geding is slechts plaats indien naast een spoedeisend belang tevens sprake is van een grote mate van waarschijnlijkheid dat die toewijzing in overeenstemming zal zijn met een oordeel in een bodemprocedure. De kantonrechter dient derhalve, op basis van de voorhanden stukken, te beoordelen of de vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat vooruitlopend daarop de toewijzing reeds nu gerechtvaardigd is.
1.2.
De vordering van [eisende partij] betreft in hoofdzaak loon en is naar zijn aard spoedeisend. De niet op de verkrijging van loon gerichte vorderingen worden gezien als nauw verwante nevenvorderingen, waarvoor eveneens een spoedeisend belang wordt aangenomen. De vordering van [eisende partij] zal daarom inhoudelijk worden beoordeeld.
1.3.
[eisende partij] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat zijn arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd niet rechtsgeldig is beëindigd. ZRM heeft niet betwist dat tussen partijen inmiddels sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op basis van de door [eisende partij] overgelegde brief van 8 maart 2026, die ZRM aan hem heeft gestuurd, is de kantonrechter voorshands van oordeel dat de wijze waarop ZRM de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd niet voldoet aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Daarom acht de kantonrechter het voldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd. Vooralsnog wordt er dan ook van uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst is blijven voortbestaan en dat ZRM gehouden is het loon aan [eisende partij] door te betalen totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindigd.
1.4.
Dit betekent dat het gevorderde achterstallige salaris over de maanden april en mei 2026 wordt toegewezen. De hoogte van het netto salaris waarop [eisende partij] aanspraak maakt, is door ZRM niet betwist, zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan. Ook het salaris vanaf juni 2026 wordt zoals gevorderd toegewezen, een en ander totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd.
1.5.
Voor toewijzing van de gevorderde wettelijke verhoging moet kunnen worden vastgesteld dat het loon te laat is betaald en gedurende welke periode dat het geval is. Over het achterstallige salaris van april 2026 acht de kantonrechter een wettelijke verhoging van 50% gerechtvaardigd, en over het achterstallige salaris van mei 2026 een verhoging van 30%. Voor de toekomstige loontermijnen (dus vanaf juni 2026) bestaat geen grond om reeds nu een wettelijke verhoging toe te kennen, omdat niet vaststaat dat deze termijnen niet tijdig zullen worden betaald waardoor evenmin kan worden beoordeeld wat de hoogte van de verhoging moet zijn. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.
1.6.
De gevorderde wettelijke rente wordt als onweersproken en op de wet gegrond toegewezen zoals gevorderd.
1.7.
De vordering tot verstrekking van salarisspecificaties wordt eveneens toegewezen, nu de wet ZRM daartoe verplicht. Aan deze veroordeling wordt een dwangsom verbonden van € 100,- per dag of gedeelte daarvan dat ZRM in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen, met een maximum van € 5.000,-.
1.8.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden ook toegewezen. Het bedrag komt overeen met het maximale bedrag dat op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten voor toewijzing in aanmerking komt. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten wordt als onweersproken en op de wet gegrond toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, zijnde 9 juni 2026.
1.9.
Aan de veroordelingen tot betaling wordt een termijn van zeven dagen verbonden waarbinnen daaraan moet worden voldaan, nu ZRM hiertegen geen verweer heeft gevoerd.
1.10.
ZRM is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eisende partij] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal ZRM niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- griffierecht
265,00
- salaris advocaat
865,00
- nakosten
144,00
Totaal
1.274,00
1.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

2.De beslissing

De kantonrechter
2.1.
veroordeelt ZRM om binnen zeven dagen na heden tot betaling aan [eisende partij] over te gaan, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, van:
- het achterstallige salaris over de maand april 2026 ten bedrage van € 2.299,66 netto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%;
- het achterstallige salaris over de maand mei 2026 ten bedrage van € 2.299,66 netto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 30%;
- het salaris ten bedrage van € 2.299,66 netto per maand vanaf juni 2026 en voor iedere daaropvolgende maand zolang de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd;
- de wettelijke rente over de som van voornoemde bedragen vanaf de dag dat zij verschuldigd zijn tot aan de dag van volledige betaling;
- de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 584,93, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2026 tot aan de dag van volledige betaling;
2.2.
veroordeelt ZRM tot het verstrekken aan [eisende partij] van deugdelijke salarisspecificaties vanaf de datum van indiensttreding tot en met heden zulks op straffe van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat ZRM nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 5.000,-;
2.3.
veroordeelt ZRM in de proceskosten van € 1.274,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
2.4.
veroordeelt ZRM tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
2.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
2.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. D. Nobel en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.