ECLI:NL:RBDHA:2026:18674
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en Kroatië als verantwoordelijke lidstaat
De minister van Asiel en Migratie heeft op 12 maart 2026 besloten de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening om overdracht te voorkomen totdat op het beroep is beslist.
De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek op 7 juli 2026 in een mondelinge zitting te Groningen. Eiser voerde aan dat Kroatië niet betrouwbaar is vanwege systematische pushbacks, beperkte opvangcapaciteit en het ontbreken van adequate communicatie tijdens zijn verblijf. Hij baseerde zich op rapporten van AIDA en DRC en zijn persoonlijke ervaringen.
De rechtbank overwoog dat de Afdeling bestuursrechtspraak eerder heeft geoordeeld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië geldt, ondanks genoemde problemen. Eiser slaagde er niet in met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro. De persoonlijke ervaringen van eiser waren onvoldoende onderbouwd met stukken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen de uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na verzending van het proces-verbaal.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.