ECLI:NL:RBDHA:2026:18707

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
NL26.10198, NL26.10199 en NL26.13587
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 TerugkeerrichtlijnArt. 30c Vreemdelingenwet 2000Art. 4.37 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:72 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit en inreisverbod wegens schending zorgvuldigheidsbeginsel

Eiser, met de Comorese nationaliteit, diende op 6 maart 2025 een asielaanvraag in die op 21 maart 2025 werd afgewezen. Na vernietiging van dit besluit door de rechtbank op 9 mei 2025, stelde de minister op 17 februari 2026 een nieuw besluit vast waarin de aanvraag buiten behandeling werd gesteld en het terugkeerbesluit en inreisverbod werden gehandhaafd. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en tegen een aanvullend besluit van 4 maart 2026 waarin een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod van twee jaar werden vastgesteld.

De rechtbank oordeelt dat het besluit van 17 februari 2026 onzorgvuldig is omdat het terugkeerbesluit en inreisverbod dat eerder door de rechtbank waren vernietigd, onterecht werden gehandhaafd. Dit besluit wordt daarom vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 4 maart 2026 wordt ongegrond verklaard omdat de minister niet verplicht was om uit eigen beweging onderzoek te doen naar de verblijfplaats van eiser, die met onbekende bestemming was vertrokken en zijn verblijfplaats niet had gemeld.

Verder overweegt de rechtbank dat de minister in het besluit van 4 maart 2026 wel een kenbare non-refoulementbeoordeling heeft gemaakt, maar dat eiser onvoldoende concrete informatie heeft verstrekt om het risico op non-refoulement te kunnen beoordelen. De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het terugkeerbesluit en inreisverbod van 17 februari 2026 worden vernietigd, het besluit van 4 maart 2026 blijft in stand, en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.10198, NL26.10199 en NL26.13587
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. G. Erdal).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de buiten behandelingstelling van zijn asielaanvraag en tegen het vastgestelde terugkeerbesluit en het uitgevaardigde inreisverbod en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
2. Eiser heeft op 6 maart 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft op 21 maart 2025 de aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen. De rechtbank heeft op 9 mei 2025 het beroep van eiser tegen dat besluit gegrond verklaard [1] en de minister opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.
2.1.
De minister heeft met het bestreden besluit van 17 februari 2026 opnieuw op de aanvraag van eiser beslist en heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (zaaknummer: NL26.10198).
2.2.
De minister heeft op 4 maart 2026 een aanvullend besluit genomen, waarbij hij een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn heeft vastgesteld en een inreisverbod voor de duur van 2 jaar heeft uitgevaardigd. Eiser heeft tegen dit besluit ook beroep ingesteld (zaaknummer: NL26.13587).
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen en het verzoek op 5 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaan deze zaken over?
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Comorese nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1998. De rechtbank wijst op de uitspraak van 9 mei 2025 voor een omschrijving van eisers asielmotieven. [2]
Het bestreden besluit van 17 februari 2026
4. De minister heeft de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld [3] , omdat eiser op 26 juni 2025 met onbekende bestemming is vertrokken en niet binnen een gestelde termijn van twee weken contact heeft opgenomen met de bevoegde autoriteiten. Verder handhaaft de minister een terugkeerbesluit en een inreisverbod van 21 maart 2025.
Het bestreden besluit van 4 maart 2026
5. De minister heeft op 4 maart 2026 een aanvullende beschikking genomen, omdat het terugkeerbesluit en inreisverbod van 21 maart 2025 door de rechtbank zijn vernietigd [4] . In de aanvullende beschikking stelt de minister alsnog een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn vast en vaardigt hij en een inreisverbod van twee jaren uit.
Wat vindt eiser in beroep?
6. Eiser heeft aangevoerd dat in het bestreden besluit van 17 februari 2026 wordt miskend dat het terugkeerbesluit en inreisverbod van 21 maart 2025 door de rechtbank zijn vernietigd. Het besluit van 4 maart 2026 is volgens eiser in strijd met artikel 6 van Pro de Terugkeerrichtlijn, omdat eiser geruime tijd niet meer in Nederland verblijft. Subsidiair voert eiser aan dat de minister onderzoek had moeten doen naar eisers verblijfplaats voordat hij een terugkeerbesluit uitvaardigde, omdat onduidelijk was of eiser in Nederland dan wel de Europese Unie verbleef.
6.1.
Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte geen non-refoulementbeoordeling heeft gemaakt. Volgens eiser wordt zijn situatie in de Comoren met de dag erger.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
NL26.10198
7. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft aangevoerd tegen het buiten behandeling stellen van zijn asielaanvraag en zal dat in deze uitspraak daarom niet bespreken.
8. De rechtbank is het met eiser eens dat het bestreden besluit van 17 februari 2026 onzorgvuldig is, voor zover dit ziet op het handhaven van een terugkeerbesluit en een inreisverbod die met de uitspraak van 9 mei 2025 door de rechtbank zijn vernietigd. De rechtbank verklaart het beroep NL26.10198 daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 17 februari 2026 voor zover het ziet op het handhaven van het terugkeerbesluit en inreisverbod. In overweging 12. van deze uitspraak licht de rechtbank toe wat de gevolgen hiervan zijn.
NL26.13587
9. Over het terugkeerbesluit van 4 maart 2026 overweegt de rechtbank dat de rechtmatigheid daarvan moet worden beoordeeld naar de feiten die ten tijde van het nemen van dat besluit bekend waren of redelijkerwijs bekend behoorden te zijn. [5] Op het moment van het nemen van het terugkeerbesluit was het voor de minister onduidelijk waar eiser verbleef, omdat hij met onbekende bestemming was vertrokken. De onderzoeksplicht van de minister gaat niet zover dat hij uit zichzelf had moeten onderzoeken waar eiser verbleef. Eiser is gedurende de aanvraagprocedure verplicht om de minister te informeren over zijn verblijfplaats. [6] Uit het dossier blijkt niet dat eiser dat heeft gedaan. Eiser heeft ook geen zienswijze ingediend, terwijl uit de e-mail [7] die eiser in zijn beroepsgronden aanhaalt, kan worden opgemaakt dat hij wel op de hoogte was van het voornemen van 12 augustus 2025. Eiser heeft – voor zover bekend – in beroep pas voor het eerst kenbaar gemaakt dat hij al ‘geruime tijd niet meer in Nederland’ verblijft. De verwijzing naar de uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2024:23276 gaat daarom niet op. Het komt voor rekening en risico van eiser dat hij de minister niet eerder over zijn verblijf buiten Nederland heeft geïnformeerd. De rechtbank is van oordeel dat het terugkeerbesluit van 4 maart 2026 niet in strijd is met artikel 6 van Pro de Terugkeerrichtlijn.
Non-refoulement
10. Uit het arrest Ararat [8] blijkt dat de minister in alle fasen van de terugkeerprocedure met het beginsel van non-refoulement rekening moet houden. Naar het oordeel van de rechtbank moet de minister ook in een geval waarin hij een terugkeerbesluit vaststelt voor een vreemdeling van wie de asielaanvraag buiten behandeling is gesteld, kenbaar toetsen aan het beginsel van non-refoulement. De Terugkeerrichtlijn is immers van toepassing op illegaal verblijvende personen uit een derde land en artikel 5 van Pro die richtlijn is een algemene regel die in acht moet worden genomen bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn. De rechter is verplicht om een eventuele schending van het beginsel van non-refoulement bij de uitvoering van het terugkeerbesluit vast te stellen op basis van het dossier en de toelichting tijdens de zitting.
11. Anders dan eiser stelt, heeft de minister in het besluit van 4 maart 2026 wel kenbaar een beoordeling van het risico op non-refoulement gemaakt. De rechtbank wijst op pagina twee, zevende alinea van het bestreden besluit. Hoewel eiser in de reactie van 4 maart 2026 [9] stelt ‘dat zijn situatie in de Comoren met de dag erger wordt’, is de rechtbank het met de minister eens dat hij geen
actuelebeoordeling van het gestelde risico op non-refoulement kon/kan maken omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en hij verder ook geen toelichting heeft gegeven op zijn stelling van 4 maart 2026. De enkele stelling van eiser over zijn situatie in de Comoren is in dit geval onvoldoende concreet om het actuele risico te beoordelen of vast te stellen. Eiser noch zijn gemachtigde was tijdens de zitting aanwezig om een nadere toelichting te geven.

Conclusie en gevolgen

12. De rechtbank verklaart het beroep met het zaaknummer NL26.10198 gegrond, omdat het in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en vernietigt het besluit van 17 februari 2026 voor zover het ziet op het terugkeerbesluit en inreisverbod. [10] Eiser krijgt in deze zaak een vergoeding van zijn proceskosten van € 934,- [11] . De minister moet deze kosten betalen.
12.1.
De rechtbank verklaart het beroep met het zaaknummer NL26.13587 ongegrond. Dit betekent dat het besluit van 4 maart 2026 in stand blijft. Eiser krijgt in deze zaak geen vergoeding van zijn proceskosten.
Voorlopige voorziening
13. Omdat op het beroep NL26.10198 is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep met het zaaknummer NL26.10198 gegrond;
- vernietigt het besluit van 17 februari 2026 voor zover het ziet op het terugkeerbesluit en het inreisverbod;
- verklaart het beroep met het zaaknummer NL26.13587 ongegrond;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

2.ECLI:NL:RBDHA:2025:9048, r.o. 2. en 3.
3.Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1346, r.o. 5.
6.Zie artikel 4.37, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en samenhang met artikel 8, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000.
7.Door de gemachtigde van eiser geciteerd in de ‘Gronden beroep’ van 15 april 2026.
8.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober2024, ECLI:EU:C:2024:892 (C-156/23).
9.Aan het dossier toegevoegd door de gemachtigde van eiser op 8 mei 2026.
10.Artikel 8:72 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
11.Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Eiser krijgt 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.