ECLI:NL:RBDHA:2026:18759
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen kennelijk ongegrond verklaard beroep Dublinoverdracht Kroatië afgewezen
Opposant, een Syrische asielzoeker, diende op 3 augustus 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk was volgens de Dublinverordening. De rechtbank verklaarde het beroep van opposant op 23 maart 2026 kennelijk ongegrond, waarbij werd aangenomen dat Kroatië adequaat is in opvang en procedure en dat er geen bijzondere individuele omstandigheden waren die overdracht zouden verhinderen.
Opposant maakte bezwaar tegen deze uitspraak en stelde dat medische omstandigheden en een lopende behandeling in Nederland een overdracht onverantwoord maken. Ter onderbouwing overlegde hij een afspraakbevestiging van de POH-GGZ en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin medische omstandigheden tot gegrondverklaring leidden.
De rechtbank oordeelde dat de verzetsprocedure geen inhoudelijke herbeoordeling is, maar slechts toetst of het beroep terecht kennelijk ongegrond is verklaard. De medische stukken boden onvoldoende bewijs van een reëel en onomkeerbaar risico bij overdracht. Opposant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat Kroatië geen passende behandeling kan bieden.
Daarom bleef de uitspraak van 23 maart 2026 in stand en werd het verzet ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzet tegen de kennelijk ongegrond verklaarde asielprocedure wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende medische onderbouwing.