ECLI:NL:RBDHA:2026:18872

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
24.40330 en 25.17138
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 31 lid 1 Vw 2000Art. 64 Vw 2000Art. 6:20 Awb lid 3Art. 8:72 Awb lid 3
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering over situatie Sana’a in Jemen

Eiser, een Jemenitische asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister wees deze aanvraag af op grond van het ontbreken van een reëel risico op ernstige schade, mede vanwege het beleid dat in Sana’a geen uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld geldt.

De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, met name over de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld en de rol van humanitaire omstandigheden in Sana’a. De rechtbank vernietigt daarom het besluit. De minister heeft echter in beroep alsnog voldoende gemotiveerd waarom de aanvraag is afgewezen, waardoor de afwijzing in stand blijft.

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk omdat de minister inmiddels heeft beslist. De rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten aan eiser. Het beroep tegen het inhoudelijke besluit is gegrond wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. Het beroep tegen het inhoudelijke besluit met een apart zaaknummer is niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang.

De rechtbank gaat uitgebreid in op de situatie in Sana’a, de humanitaire omstandigheden, het beleid rond willekeurig geweld en de individuele omstandigheden van eiser, en concludeert dat de minister terecht heeft geoordeeld dat geen uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld geldt en dat eiser geen verhoogd risico loopt.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand vanwege voldoende aanvullende motivering in beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.40330 en NL25.17138

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. A.R.J. Maas).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Dat besluit wordt daarom vernietigd. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister in beroep alsnog voldoende heeft gemotiveerd waarom eisers asielaanvraag is afgewezen. Dit betekent dat die afwijzing in stand blijft.

Procesverloop

2. Eiser stelt van Jemenitische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997. Hij heeft op 24 mei 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
2.1.
Bij brief van 1 oktober 2024 heeft eiser de minister in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Op 16 oktober 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit (NL24.40330).
2.2.
De minister heeft met het bestreden besluit van 8 april 2025 de aanvraag in de algemene asielprocedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen op 12 april 2025 afzonderlijk beroep ingesteld (NL25.17138)
2.3.
Eiser heeft op 25 april 2025 beroepsgronden ingediend. De minister heeft desgevraagd op 15 juni 2026 een verweerschrift ingediend. Op die dag heeft eiser ook nadere stukken ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, W. Fadl als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank in de zaak NL24.40330

Ten aanzien van het beroep tegen het niet tijdig beslissen
3. De rechtbank stelt vast en tussen partijen is niet in geschil dat de minister niet tijdig heeft beslist op de asielaanvraag van eiser, dat de ingebrekestelling van 1 oktober 2024 geldig is en dat sindsdien twee weken zijn verstreken zonder dat de minister in die periode heeft beslist op de aanvraag. De minister heeft na het instellen van het beroep met het bestreden besluit echter alsnog beslist op de aanvraag. Dat betekent dat eiser geen inhoudelijk belang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk.
3.1.
Omdat sprake is van tegemoetkomen, bestaat wel aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 467,00, waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eiser één punt met een waarde van € 934,00 wordt toegekend (voor het indienen van het beroepschrift). Het gewicht van de zaak is bepaald op licht (wegingsfactor 0,5) omdat het bij dit beroep uitsluitend gaat om het niet tijdig nemen van een besluit.
Ten aanzien van het beroep tegen het alsnog genomen besluit van 8 april 2025
De toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
4. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Blijkens de beroepsgronden in de zaak NL25.17138 is eiser het niet eens met het inhoudelijke besluit op zijn asielaanvraag. Het beroep van eiser heeft dus mede betrekking op het bestreden besluit van 8 april 2025. De rechtbank zal dan ook hierna inhoudelijk ingaan op de beroepsgronden van eiser tegen het besluit van 8 april 2025 tot afwijzing van zijn asielaanvraag.
Het asielrelaas
5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft Jemen verlaten wegens de bedreiging van een oud klasgenoot, [naam], die zich heeft aangesloten bij de Houthi beweging. Eiser stelt dat de Houthi’s in het algemeen en [naam] in het bijzonder hem willen rekruteren. Eiser vreest bij terugkeer naar Jemen gedood te worden door [naam] of dat hij mee zal moeten vechten met de Houthi beweging. Daarnaast vreest eiser dat [naam] en de Houthi’s zijn familie pijn zullen doen.
Het bestreden besluit
6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. bedreiging en mishandeling door oud klasgenoot [naam]; en
3. rekrutering door de Houthi beweging.
6.1.
De minister vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Ook de bedreiging en mishandeling door oud klasgenoot [naam] vindt de minister geloofwaardig. Eisers vrees voor rekrutering door de Houthi beweging vindt de minister niet geloofwaardig. De minister werpt eiser tegen dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
6.2.
Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst en de bedreiging en mishandeling door oud klasgenoot [naam] zijn volgens de minister niet te herleiden tot een van de gronden van het Vluchtelingenverdrag, zodat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van dat verdrag. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade.
6.3.
Eiser komt daarom volgens de minister niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. De minister heeft de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Voorts heeft de minister geen reguliere vergunning voor bepaalde tijd aan eiser verleend en ook geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000. Aan eiser is een terugkeerbesluit opgelegd waarin staat dat eiser binnen vier weken moet vertrekken en terugkeren naar Jemen.
Omvang van het geschil
7. De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep geen gronden heeft gericht tegen de geloofwaardig geachte identiteit, nationaliteit en herkomst en de geloofwaardig geachte bedreiging en mishandeling door oud klasgenoot [naam]. De rechtbank zal daarop dan ook niet ingaan. De rechtbank zal evenmin ingaan op eisers betoog dat wat hij in zijn zienswijze op het voornemen van de minister naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, voor zover eiser daarbij niet specifiek heeft benoemd waarin de reactie van de minister daarop in het bestreden besluit te kort schiet, onjuist is of anderszins onvoldoende is.
Rekrutering door Houthi beweging
8. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet
zou behoren tot de doelgroep voor rekrutering door de Houthi’s. De minister baseert zich hierbij op het Algemeen Ambtsbericht Jemen van 2025 (AAB 2025). Het Ambtsbericht stelt echter niet dat enkel en alleen binnen de beschreven doelgroep wordt gerekruteerd, maar veelal. Reeds daarom is er al een kans dat eiser gerekruteerd zal worden. In combinatie met de door eiser aangedragen informatie van YouTube en X is er een aanzienlijke kans dat eiser daadwerkelijk wordt gerekruteerd. In het verlengde van het rekruteringsrisico heeft eiser toegelicht hoe hij zijn studie, vanwege de situatie, heeft moeten staken. Dus enerzijds vanwege de situatie en anderzijds omdat er geen banen waren en geen salaris werd betaald. Uit de verklaringen van eiser blijkt geenszins de wens van eiser om niet verder te studeren.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft overwogen dat uit openbare bronnen [1] blijkt dat er rekruteringen plaatsvinden door Houthi’s, maar dat deze niet onder dwang plaatsvinden. Het zijn vooral analfabete jonge mannen – afkomstig uit de armste lagen van de bevolking – die vanwege armoede en honger zich aansluiten bij de Houthi-beweging. Uit de verklaringen van eiser is naar voren gekomen dat hij niet behoort tot een gezin dat kan worden geschaard onder de armste lagen van de bevolking. Eiser heeft een opleiding genoten en hij verklaart dat hij niet wenste verder te studeren, wat impliceert dat hij wel de mogelijkheid had. [2] Dat eiser later van deze verklaring terugkomt, volgt de rechtbank niet.
8.2.
Verder verklaart eiser drie keer te zijn benaderd na zijn middelbare schooltijd door de Houthi beweging. Dit gebeurde op de vrijdagmiddagen waar jongeren bijeenkomen. Eiser verklaart tijdens deze bijeenkomsten indirect te zijn benaderd door het wijkhoofd, de coördinator en handlangers. [3] Dit betroffen algemene benaderingen maar eiser is niet persoonlijk benaderd. Ook verklaart eiser dat rekrutering bij de Houthi beweging niet onder dwang gebeurde [4] , maar door beïnvloeding. Tijdens de bijeenkomsten proberen het
wijkhoofd, de coördinator en handlangers jongeren over te halen zich aan te sluiten door hen te verleiden. De rechtbank is van oordeel dat eiser hierover vaag verklaart. Hij kan niet aangeven waarmee zij de jongeren verleiden. Hij verklaart via via te hebben begrepen dat mensen een extra beloning krijgen wanneer zij tien mensen rekruteren maar kan niet concreet aangeven wat voor beloningen dit zijn.
8.3.
Daarnaast heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat uit het Ambtsbericht verder niets blijkt van gedwongen rekrutering door Houthi-rebellen [5] . Hieruit blijkt weliswaar dat mensen door de Houthi’s gerekruteerd worden, maar er is geen sprake van dwang.
8.4.
Ook verklaart eiser niets te maken te willen hebben met de Houthi beweging en altijd te hebben geweigerd zich bij hen aan te sluiten. Hij heeft geen persoonlijke problemen ondervonden na zijn weigering om zich aan te sluiten bij de Houthi beweging. Hij verklaart na zijn afronding van de middelbare school in 2017 driemaal te zijn benaderd tijdens een bijeenkomst, waarbij hij geweigerd heeft om zich aan te sluiten. Eiser heeft echter pas in 2020 Jemen verlaten. De minister heeft in dit kader terecht gesteld dat wanneer de Houhi beweging hem daadwerkelijk gedwongen wilde rekruteren zij direct meer druk op eiser zouden uitoefenen en bij weigering hieraan consequenties zouden verbinden. Het is dan ook niet aannemelijk dat eiser nog drie jaar in Sanaa kon blijven wonen zonder problemen te hebben ondervonden. Daarnaast is het niet aannemelijk dat de Houthi beweging mensen bij hun beweging willen die niet achter hun gedachtengoed en werkwijze staan. De minister werpt dit terecht tegen.
8.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister eisers asielrelaas terecht ongeloofwaardig heeft geacht.
15c-situatie in Jemen en Sanaa
9. Eiser betoogt dat door de minister niet deugdelijk is gemotiveerd waarom de humanitaire situatie in Jemen niet in overwegende mate kan worden geweten aan het directe handelen van de strijdende partijen. Uit de beslisnota van 29 september 2023 en het AAB 2025 volgt dat de minister aanneemt dat de humanitaire situatie voor een deel te wijten is aan de impact van klimaatverandering en voor een deel bewust wordt veroorzaakt en in stand wordt gehouden door de strijdende partijen. In het bestreden besluit wordt nagelaten te motiveren hoe al deze omstandigheden tegen elkaar zijn afgezet, hoe groot het aandeel van de strijdende partijen is en waaruit volgt dat de strijdende partijen niet in overwegende mate verantwoordelijk zouden zijn voor de zorgelijke humanitaire situatie. Uit het ABB 2025 lijkt volgens eiser overigens te volgen dat de strijdende partijen bewust de slechte humanitaire situatie in Jemen creëren dan wel in stand houden of verergeren. De minister dient inzichtelijk te maken hoe dit weegt in de beoordeling of er sprake is van een reëel risico op ernstige schade. Zonder deze afweging is niet uit te sluiten dat nog altijd sprake is van de meest uitzonderlijke situatie. Ook als er geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie en de individuele omstandigheden van eiser van belang zijn voor de beoordeling, is dit inzicht ook nodig om te kunnen bepalen welke individuele omstandigheden van belang zijn en hoe zwaarwegend deze zijn. Eiser verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 18 april 2025 [6] .
Beleid minister en relevante rechtspraak
10. Als gevolg van het arrest X en Y [7] en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 juli 2024 [8] over dit arrest, neemt de minister voor artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3 van de Vw 2000 [9] verschillende gradaties van willekeurig geweld aan. [10] De drie gradaties zijn:
uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;
relatief hoger niveau van willekeurig geweld; en
relatief lager niveau van willekeurig geweld.
10.1.
Het uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld betreft de situatie waarin de mate van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict zodanig is dat wordt aangenomen dat een vreemdeling enkel en alleen al door zijn aanwezigheid op dat grondgebied een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon.
10.2.
In deze hoogste gradatie van willekeurig geweld beperkt het individualiseringsvereiste zich tot het afkomstig zijn uit het land of bepaald gebied, waar sprake is van deze uitzonderlijke mate van willekeurig geweld. Bij de laagste twee gradaties moet de betrokkene aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en dat juist hij specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer daarvan te worden. Daarbij geldt een glijdende schaal. Naarmate het niveau van willekeurig geweld lager is zullen er relatief gewichtigere individuele omstandigheden vereist zijn om een reëel risico aan te nemen.
10.3.
Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. [11] In WBV 2024/9 [12] heeft de minister dit niet langer aangenomen en heeft de minister, mede naar aanleiding en met toepassing van het arrest X en Y, bepaald dat voor Jemen de middelste gradatie van willekeurig geweld geldt: een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. In dit beleid werd geen onderscheid per regio gemaakt.
10.4.
De Afdeling is in de uitspraken van 16 juli 2025 [13] ingegaan op dit beleid en heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle in de uitspraak genoemde relevante omstandigheden globaal in zijn beoordeling betrokken. Op het moment van deze Afdelingsuitspraak was het AAB 2025 al uitgebracht. De Afdeling heeft de minister opgedragen de nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van dit nieuwe Ambtsbericht.
10.5.
In zijn brief van 8 oktober 2025 aan de Tweede Kamer [14] heeft de minister naar aanleiding van het AAB 2025 en voormelde uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, de voorgenomen wijzigingen in het landenbeleid over Jemen uiteengezet. Daarna is met WBV 2025/20 [15] het landenbeleid gewijzigd.
Het bestreden besluit
11. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit toepassing heeft gegeven aan het beleid, zoals dat is opgenomen in WBV 2024/9. Gelet op de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 kan dat besluit geen standhouden. De minister heeft dit op de zitting ook erkend. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat de minister in beroep alsnog voldoende heeft gemotiveerd waarom hij eisers asielaanvraag heeft afgewezen. Daarom zal de rechtbank bepalen dat op grond artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten. Hierna de zal rechtbank uitleggen waarom zij tot dit oordeel komt.
Is de beoordeling in WBV 2025/20 volledig?
12. Deze rechtbank en deze zittingsplaats heeft eerder geoordeeld in haar uitspraak van 17 maart 2026 dat de minister alle door de Afdeling in de uitspraken van 16 juli 2025 genoemde relevante omstandigheden in de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld in Jemen heeft betrokken. [16] De rechtbank neemt het oordeel en de motivering in deze uitspraak over en maakt deze tot de hare. De rechtbank voegt hier nog aan toe dat de minister in het verweerschrift en de ‘Bijlage 15c-beoordeling Jemen’ bij de eerdergenoemde Kamerbrief ook is ingegaan op de specifieke situatie in de stad Sana’a en van welke relevante feiten en omstandigheden daar sprake is. De minister heeft er in dit kader terecht op gewezen dat hij bij zijn beoordeling van de situatie in Sana’a niet enkel de aantallen dodelijke slachtoffers van geweld in verhouding tot de totale bevolking heeft betrokken, maar ook de algemene veiligheidssituatie, de spreiding van het geweld, de gerichtheid van het geweld en het risico op willekeurige burgerslachtoffers, de veiligheidsstructuur, de ontheemden en de humanitaire omstandigheden. Daarbij komt dat de minister ook nog is nagegaan of er sinds het AAB 2025 wijzigingen in de veiligheidssituatie van Sana’a zijn geweest. De rechtbank verwijst in dit kader naar wat hierna in 13.1.1 tot en met 13.1.4 is overwogen. Partijen zijn verder verdeeld over het antwoord op de vraag hoe de humanitaire omstandigheden moeten worden betrokken bij de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld. Eiser betoogt dat de minister dit niet slechts globaal moet doen, maar een allesomvattende beoordeling van alle omstandigheden, waaronder de humanitaire omstandigheden, moet maken. De minister betoogt dat de humanitaire omstandigheden slechts globaal bij deze beoordeling moeten worden betrokken. Maar, zelfs al zou er een allesomvattende beoordeling worden gemaakt, dan betoogt de minister dat de humanitaire omstandigheden in Sana’a niet zodanig zijn dat deze ertoe leiden dat het uitzonderlijke niveau van willekeurig geweld moet worden aangenomen. Daargelaten de vraag of de humanitaire omstandigheden globaal moeten worden betrokken of niet, is de rechtbank met de minister van oordeel dat zelfs als een allesomvattende beoordeling van alle relevante omstandigheden wordt gemaakt, deze beoordeling niet leidt tot de conclusie dat sprake is van het uitzonderlijke niveau van willekeurig geweld in Sana’a. De rechtbank legt dit oordeel hierna uit.
Heeft de minister een te lage gradatie van het willekeurig geweld aangenomen?
13. De rechtbank overweegt dat uit het arrest CF en DN [17] volgt dat de minister bij de beoordeling of een betrokkene bij terugkeer een risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld, in het geval van terugzending naar het betrokken land of gebied, de daadwerkelijke bestemming moet betrekken. Verder volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat bij de beoordeling of zich in een land dan wel, in voorkomend geval, het gebied waaruit een vreemdeling afkomstig is, een 15c-situatie voordoet, moet worden uitgegaan van het land dan wel het gebied waar de desbetreffende vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- en verblijfplaats heeft gehad. [18] Dat betekent dat in dit geval de situatie in de stad Sana’a als laatste woon- en verblijfplaats van eiser in Jemen moet worden beoordeeld.
13.1.
De minister heeft in zijn beleid voor de stad Sana’a geen uitzonderlijke situatie aangenomen waarbij een vreemdeling enkel door zijn aanwezigheid daar al te vrezen heeft voor een reëel risico op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon. In het verweerschrift heeft de minister dit toegelicht door te verwijzen naar zijn brief aan de Tweede Kamer van 8 oktober 2025 met bijlagen.
13.1.1.
In de ‘Bijlage 15c-beoordeling Jemen’ van deze brief gaat de minister eerst in op de humanitaire situatie in Jemen in zijn algemeenheid. Deze situatie is slecht en wordt gekenmerkt door armoede, voedseltekorten, honger, tribale tegenstellingen en economische malaise. Al voor de start van het conflict in 2008 kende Jemen een hoge mate van voedselonzekerheid, ondervoeding en waterschaarste. Het conflict heeft dit verergerd door het beschadigen van infrastructuur. Daarnaast ligt Jemen in een geologische actieve zone, waardoor Jemen te maken heeft met aardbevingen, plotselinge overstromingen en aardverschuivingen. De bestaande en voortdurende slechte humanitaire situatie is verslechterd door de militaire escalatie in de Rode Zee. Deze al slechte situatie belette de strijdende partijen niet om ook oorlogsmethoden te gebruiken die invloed hadden op de toegang tot water en voedsel. Hier staat tegenover dat de ngo ACAPS constateerde dat tussen 2023 en 2024 een lichte verbetering tot humanitaire hulp zichtbaar was.
13.1.2.
Vervolgens gaat de minister in de ‘Bijlage 15c-beoordeling Jemen’ in op de overige omstandigheden zoals genoemd in de uitspraken van 16 juli 2025. In Sana’a geldt dat de burgerbevolking het risico loopt om slachtoffer te worden van de oorlogsmethoden die de strijdende partijen gebruiken. Achtergebleven landmijnen en Explosive Remnants of War (ERW) veroorzaakten veel slachtoffers langs de voormalige frontlijnen. Deze landmijnen en ERW plaatsten de Houthi’s onder andere in bewoonde gebieden en landbouw gebieden waardoor deze onbruikbaar werden voor voedselproductie. Uit de informatie van het AAB blijkt ook dat in sommige gevallen de humanitaire situatie door de gehanteerde oorlogsmethoden verslechterde. Verder valt niet uit te sluiten dat de luchtaanvallen van de internationale coalitie, als reactie op de Houthi-aanvallen in de Rode Zee, op zowel militaire doelen als civiele infrastructuur leiden tot burgerslachtoffers. De aanvallen op de infrastructuur hebben wel invloed op de mogelijkheid tot het leveren van humanitaire goederen. Door Israëlische luchtaanvallen op de kritieke infrastructuur in Houthi-gebied zijn o.a. de luchthaven van Sana’a en energie installaties beschadigd waardoor de belangrijkste aanvoerhavens voor humanitaire goederen nog slechts op 30% van de operationaliteit functioneerden.
13.1.3.
De Houthi’s maakten sinds het bestand van april 2022 in steeds grotere mate gebruik van drone-aanvallen. Bij het afnemen van grote escalaties langs de bestandslijnen gingen zij over op het voeren van geweld op afstand. Dit wordt onderstreept door de NGO Mwatana, die in 2023, net als in 2022, een toename constateerde in drone-aanvallen op burgerdoelen. Verder zorgde de relatieve luwte in de vijandelijkheden aan de frontlijnen tot meer bewegingen van burgers; deze omstandigheid leidde tot meer incidenten met exploderende mijnen en ERW. Burgerslachtoffers als gevolg van ERW vielen met name aan de westkust van Jemen. Ook bij luchtaanvallen uitgevoerd door de internationale coalitie en het Israëlische leger vielen burgerslachtoffers. De luchtaanvallen van de internationale coalitie concentreren zich op de westelijke provincies waaronder ook de stad Sana’a. De rechtshandhaving en veiligheidsstructuren in Jemen bleven sterk versnipperd en werden de facto uitgevoerd door militaire en paramilitaire eenheden. Deze opereerden in de praktijk veelal onafhankelijk en maakten zich schuldig aan misbruik, zoals willekeurige detentie. De intensiteit waarmee de verschillende partijen aanvallen uitvoeren, verschilt sterk per regio. Zowel de OCHR als het CIMP registreerde in 2023 de laagste aantallen burgerslachtoffers in heel Jemen sinds jaren. OCHR noteerde 97 dodelijke burgerslachtoffers gerelateerd aan het gewapende conflict. Het CIMP registreerde een totaal aantal van 1.675 burgerslachtoffers, waarvan 502 dodelijk. In 2024 daalde het aantal burgerslachtoffers dat het CIMP noteerde verder tot 1.201, van wie 337 dodelijk en 864 niet-dodelijk. In 2024 registreerde het CIMP in de stad Sana’a 47 burgerslachtoffers. Volgens het IOM raakten in 2024 ruim 22.000 mensen ontheemd. Dit is een daling ten opzichte van 2023, toen er ruim 60.000 mensen ontheemd raakten. Het percentage van ontheemding als direct gevolg van het gewapende conflict steeg echter wel; in 2023 was dat percentage nog 42%, terwijl dit in 2024 61% was. De meeste ontheemden, zo’n 1,5 miljoen, verbleven in de provincie Marib. In de provincies Taiz en Al Hudayda verbleven respectievelijk 490.000 en 409.000 ontheemden.
13.1.4.
Daarnaast gaat de minister in het verweerschrift nader in op de veiligheidsincidenten en burgerslachtoffers. De Houthi’s hebben volgens het AAB 2025 voornamelijk mijnen gelegd langs frontlinies. De frontlinies zijn echter ver van de stad Sana’a verwijderd gebleven. Ook is bekend dat er enkele organisaties actief zijn in Jemen met het ruimen van mijnen en het geven van voorlichting aan burgers. Sana’a had voor het bestand van 2022 te maken met grote aantallen luchtaanvallen uitgevoerd door Saoedi-Arabië. Na het bestand voerde Saoedi-Arabië geen luchtaanvallen meer uit. In het eerste kwartaal van 2024 kreeg de stad met luchtaanvallen van de internationale coalitie te maken. In juli en december 2024 raakten ook Israëlische luchtaanvallen doelen in Sana’a. In 2023 en 2024 bleven de door ACLED in Sana’a geregistreerde aantallen gevechten minimaal. De geregistreerde incidenten van ‘explosies en geweld op afstand’ in 2024 betroffen zonder uitzondering luchtaanvallen van de internationale coalitie of Israël. Uit cijfers van ACLED is gebleken dat in Sana’a tussen maart 2025 en 19 mei 2026 612 incidenten geregistreerd zijn die hebben plaatsgevonden. ACLED heeft 199 fatalities geregistreerd.
Ook gaat de minister in het verweerschrift nader in op de humanitaire situatie in Sana’a. Uit het AAB 2025 volgt dat met name de Houthi’s oorlog bewust gebruikten om de humanitaire situatie te verslechteren in de frontlinies, regio’s onder eigen controle en als het lukt regeringsgebieden. Sana’a wordt in het AAB 2025 niet genoemd als één van de provincies die het meest met voedselonzekerheid kampen. In 2024, 2025 en begin 2026 heeft een lichte verbetering plaatsgevonden voor wat betreft de toegankelijkheid van humanitaire hulp volgens ACAPS. Hoewel intimidaties hiertegen plaatsvinden, blijkt uit het AAB 2025 wel dat in Jemen mensenrechtenorganisaties actief zijn. Hieruit volgt niet dat de humanitaire hulp non-existent is of de hulp in zijn geheel geweigerd wordt. Uit de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 volgt dat met name de zuidelijke
provincies over het geheel genomen betere toegang hebben van hulporganisaties. [19] Ook heeft de minister verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 5 februari 2026 [20] en van deze zittingsplaats van 2 juni 2026. [21] In deze uitspraken oordeelde de rechtbank dat de minister zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zich in de stad Sana’a niet de hoogste gradatie van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn voordoet.
13.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister met de motivering in 13.1 tot en met 13.1.4 zich terecht op het standpunt stelt dat in Sana’a geen sprake is van het uitzonderlijke niveau van willekeurig geweld. Ook stelt de minister terecht dat uit de beschikbare openbare informatie niet volgt dat de humanitaire situatie in Sana’a zodanig is dat een vreemdeling enkel en alleen al door zijn aanwezigheid op dat grondgebied een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon. Daarom maakt het ook niet uit of de humanitaire omstandigheden globaal of meer indringend bij deze beoordeling moet worden betrokken. Eiser heeft bovenstaande motivering niet met openbare informatie weerlegd. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Loopt eiser een verhoogd risico op willekeurig geweld?
14. Voor het oordeel van de rechtbank is van belang dat uit het arrest X en Y [22] , en het beleid in paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vc, volgt dat een betrokkene in minder uitzonderlijke situaties (de middelste en laagste gradatie) aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk moet maken dat juist hij vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
14.1.
Eiser betoogt dat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de persoonlijke omstandigheden van eiser, dat hij ruzie had met [naam], is mishandeld op de markt en meermaals is benaderd door de Houthi’s, zich verhouden tot de veiligheidssituatie in Jemen en de aard en intensiteit van het willekeurig geweld dat daar plaatsvindt. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. In het verweerschrift heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat in het bestreden besluit al is aangegeven dat eisers vrees voor rekrutering voor de Houthi-beweging niet geloofwaardig is geacht en dat de wel geloofwaardig geachte onderdelen van het asielrelaas niet leiden tot de conclusie dat eiser vanwege individuele omstandigheden een groter risico loopt om bij terugkeer slachtoffer te worden van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers. Gelet hierop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een groter risico loopt dan anderen om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is gegrond, omdat het niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister in beroep zijn motivering voldoende heeft aangevuld zodat het de afwijzing van eisers asielaanvraag alsnog kan dragen.
15.1.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).

Beoordeling door de rechtbank in de zaak NL25.17138

16. Eiser heeft tegen het besluit van 8 april 2025 ook afzonderlijk beroep ingesteld terwijl door de rechtbank nog geen uitspraak was gedaan op het eerder door eiser ingediende beroep vanwege het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 4 is overwogen heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit besluit geheel aan het beroep tegemoet komt. Omdat de minister niet geheel aan het beroep is tegemoetgekomen, heeft het beroep wegens het niet tijdig beslissen mede betrekking op het alsnog genomen besluit van 8 april 2025.
16.1.
Gelet hierop is de rechtbank niet gebleken dat eiser enig belang heeft bij een beoordeling door de rechtbank van het onderhavige beroep. Ten tijde van het indienen van dit beroep was er immers van rechtswege al een beroep ontstaan gericht tegen het bestreden besluit. De rechtbank zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep met zaaknummer NL24.40330, voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep met zaaknummer NL24.40330, voor zover het is gericht tegen het besluit van 8 april 2025, gegrond;
  • vernietigt het besluit van 8 april 2025;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,00;
  • verklaart het beroep met zaaknummer NL25.17138 niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C.M. van Dommele, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 09 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.AAB Jemen augustus 2022, p. 30 in combinatie met AAB september 2023, p. 37 en AAB april 2025, p. 89.
2.Aanmeldgehoor, p. 7.
3.Nader gehoor, p. 10
4.Nader gehoor, p. 11.
5.AAB Jemen, augustus 2022, p. 30 in combinatie met AAB september 2023, p. 37 en AAB april 2025, p. 89.
7.HvJ EU 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843, punten 40 en 41.
8.ABRvS 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927.
9.Dit is de implementatie van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (Kri).
11.Zie WBV 2016/18 en (laatstelijk) WBV 2022/26.
12.Besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 22 april 2024, nummer WBV 2024/9, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Stcrt. 2024, nr. 13067.
13.ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153 en ECLI:NL:RVS:2025:3154.
15.Besluit van de Minister van Asiel en Migratie van 15 oktober 2025, nummer WBV 2025/20, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Stcrt. 2025, nr. 35447.
16.ECLI:NL:RBDHA:2026:5729, r.o 11 t/m 11.3.
17.HvJ EU 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472, punt 43.
18.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 16 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8940, r.o 2.1.2 en van 22 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1428, r.o 2.8.1.
19.ECLI:NL:RVS:2025:3153, r.o. 5.8.
22.Punt 42 van dit arrest.