ECLI:NL:RBDHA:2026:18877

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL24.21866
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit minister na nieuwe motivering in mensenhandelzaak

De rechtbank Den Haag heeft op 30 april 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over een besluit van de minister van Asiel en Migratie betreffende een mensenhandelrelaas. In een eerdere tussenuitspraak was geoordeeld dat de minister geen eigen beoordeling had gemaakt van de aannemelijkheid van het mensenhandelrelaas, terwijl het openbaar ministerie de aangifte had geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.

Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de minister een aanvullend besluit genomen met een nieuwe motivering, gebaseerd op een nadere reactie van het openbaar ministerie. Dit leidde ertoe dat de rechtbank terugkwam op haar eerdere oordeel, omdat het oordeel van het OM dat sprake was van een kwalificatiesepot als deskundige instantie leidend is. De rechtbank oordeelde dat een eigen beoordeling van de minister in dit geval zinledig is.

Eiser had nog aanvullende bewijsaanbiedingen gedaan, maar deze werden afgewezen wegens te late indiening en strijd met de goede procesorde. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand vanwege de nieuwe motivering. Tevens werd eiser vrijstelling van griffierecht verleend en kreeg hij een proceskostenvergoeding van €3.269,- toegewezen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; eiser krijgt proceskostenvergoeding.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.21866
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. U.H. Hansma),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. P.M. Jans).

Procesverloop

1. In de tussenuitspraak van 23 juli 2025 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
2. De minister heeft in reactie op de tussenuitspraak op 30 september 2025 een aanvullend besluit genomen met een nieuwe motivering. Eiser heeft hierop gereageerd met een schriftelijke zienswijze.
3. De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op een tweede zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Cetinkaya als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling van de rechtbank

4. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen. Eiser heeft voldoende aangetoond dat hij aan de voorwaarden voor deze vrijstelling voldoet. De rechtbank verleent eiser daarom vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen.
5. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het bestreden besluit gebreken bevat, omdat de minister geen eigen beoordeling heeft gemaakt van de aannemelijkheid van het mensenhandelrelaas. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de minister dat wel had moeten doen, omdat het openbaar ministerie (OM) de aangifte van eiser heeft geseponeerd vanwege een gebrek aan bewijs (een bewijssepot). Omdat er in het bestuursrecht een andere bewijsmaatstaf geldt dan in het strafrecht, heeft de rechtbank overwogen dat de
minister zelf een beoordeling had moeten maken of het aannemelijk is dat eiser slachtoffer is geweest van mensenhandel. Ook had de minister eiser aanvullend moeten horen.
6. De minister heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak een nadere reactie gevraagd van het OM die hij ten grondslag heeft gelegd aan het aanvullende besluit. Het OM heeft in die nadere reactie van 21 augustus 2025 het volgende aangegeven:
“In het onderzoek [naam] is door de aangever namelijk als volgt verklaard over de bestanddelen van mensenhandel:
-
handelingen: hij is vervoerd en gehuisvest = ook bewijs voor gevonden.
-
middel(en): misleiding en misbruik van de kwetsbare positie = feitelijk niet te kwalificeren als een middel waardoor de aangever ging werken. Dan maakt het niet uit of er wel of geen ondersteunend bewijs voor aangever zijn verklaring kan worden gevonden.
-
oogmerk van uitbuiting: qua aard & duur van de werkzaamheden, beperkingen die zijn opgelegd en financieel voordeel dat is behaald door de werkgever = geen bewijs voor gevonden.
Met conclusie: daarmee is niet aan alle bestanddelen voldaan om te kunnen spreken van mensenhandel. Dan wordt doorgaans - als er geen andere feiten of redenen zijn om tot de aanhouding van de verdachte over te gaan - de zaak voortijdig beëindigd. De beslissing zou - als de terminologie die is voorgelegd wordt gevolgd - wat ons betreft gezien kunnen worden als een kwalificatiesepot.”
7. De rechtbank kan alleen in zeer uitzonderlijke gevallen terugkomen van een in een tussenuitspraak gegeven oordeel.1
8. Het OM, de instantie die bij uitstek deskundig is als het gaat om het kwalificeren van strafbare feiten, is in de nadere reactie van 21 augustus 2025 op basis van alle relevante dossierstukken en verklaringen van eiser tot de conclusie gekomen dat het (dwang)middel waar eiser over heeft verklaard feitelijk niet als zodanig is te kwalificeren en dat daarmee dus sprake is van een kwalificatiesepot. Niet is gebleken dat de minister niet van de brief van het OM van 21 augustus 2025 mocht uitgaan. Dit betekent dat een eigen beoordeling van de minister van de aannemelijkheid van mensenhandel daarmee zinledig is.
9. Gelet op wat onder 8. van deze uitspraak is overwogen berust het oordeel van de rechtbank in de tussenuitspraak dat sprake is van een bewijssepot en dat de minister een eigen beoordeling had moeten maken van de aannemelijkheid van het mensenhandelrelaas op een evident onjuist uitgangspunt. Daarmee is sprake van een zeer uitzonderlijk geval, dat het terugkomen van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel rechtvaardigt .
10. Eiser heeft op de zitting aangevoerd dat de verklaringen die hij heeft afgelegd tegenover de politie wel degelijk aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat er een
1. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:135, overweging 2.1 en van 19 april 2017,
ECLI:NL:RVS:2017:1052, overweging 9.3.
(dwang)middel is. Eiser heeft deze verklaringen niet overgelegd tijdens de beroepsprocedure, maar heeft aangeboden om dat alsnog te doen.
11. De rechtbank ziet gelet op de brief van het OM van 21 augustus 2025 en het oordeel in overweging 8. van deze uitspraak geen aanleiding om op dit bewijsaanbod van eiser in te gaan. Bovendien is dat aanbod te laat gedaan en gaat de rechtbank daar ook vanwege strijd met de goede procesorde aan voorbij.

Conclusie en gevolgen

12. Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op de nieuwe motivering in het aanvullend besluit aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
13. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser wel een vergoeding van de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 3,5 punten op met een waarde van € 934,- per punt bij een wegingsfactor 1: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 1 punt voor het verschijnen op de nadere zitting na tussenuitspraak. De vergoeding bedraagt dan € 3.269,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.269,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 april 2026

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.