ECLI:NL:RBDHA:2026:18881

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL26.32166
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 20 VWEUArt. 5.1b VbArt. 8 VwArt. 4:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing maatregel van bewaring wegens procedureel rechtmatig verblijf na Chavez-aanvraag

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, had rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan op grond van artikel 20 VWEU Pro. De minister trok dit verblijfsrecht bij beschikking van 22 april 2026 in, waarna eiser in bewaring werd gesteld. Eiser voerde aan het intrekkingsbesluit niet te hebben ontvangen, maar de rechtbank oordeelde dat de minister aannemelijk had gemaakt dat het besluit correct was verzonden.

De minister stelde dat geen rechtsgeldige Chavez-aanvraag was ingediend, terwijl eiser een e-mail met aanvraag overlegd had. De rechtbank concludeerde dat de aanvraag op 23 juni 2026 rechtsgeldig was ingediend en dat er geen sprake was van misbruik van recht. Hierdoor had eiser procedureel rechtmatig verblijf en kon de maatregel van bewaring niet worden voortgezet.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval de opheffing van de maatregel van bewaring per 24 juni 2026 en kende een schadevergoeding van €240 toe voor zes dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens werden de proceskosten van €1.868 aan eiser toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de maatregel van bewaring wordt per 24 juni 2026 opgeheven wegens procedureel rechtmatig verblijf na Chavez-aanvraag.

Uitspraak

uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.32166
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H. Loth),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).
Procesverloop
Bij besluit van 7 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I. Zyad. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Het onderzoek is ter zitting geschorst om de minister in de gelegenheid te stellen nadere informatie aan het dossier toe te voegen. Dit heeft de minister op 22 en 23 juni 2026 gedaan en op 23 juni 2026 heeft de gemachtigde van eiser hierop gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek, met toestemming van partijen, zonder nadere zitting op 23 juni 2026 gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.
2. Eiser had rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan op grond van artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Bij beschikking van 22 april 2026 heeft de minister dit verblijfsrecht ingetrokken, omdat hij niet meer voldoet aan de voorwaarden voor zijn verblijfsrecht.
Bekendmaking intrekkingsbesluit
3. Eiser stelt hij niet in bewaring gesteld mocht worden, omdat hij het besluit van 22 april 2026 waarin zijn rechtmatig verblijf is ingetrokken niet heeft ontvangen. Eiser was er daardoor niet van op de hoogte dat hij geen rechtmatig verblijf meer had in Nederland. Eiser verwijst daarbij ook naar de door de minister overgelegde telefoonnotitie van 27 mei 2026, waarin staat dat eiser en zijn partner de minister hebben gebeld, omdat zij niets hebben ontvangen. Ook hieruit blijkt dat eiser niet op de hoogte was van zijn onrechtmatig verblijf in Nederland. Volgens eiser had de minister hier nader onderzoek naar moeten doen alvorens over te gaan tot het opleggen van de maatregel van bewaring.
4. De rechtbank overweegt het volgende. Als een vreemdeling stelt dat hij een (niet aangetekend verzonden) besluit niet heeft ontvangen, is het in de regel aan de minister om aannemelijk te maken dat het besluit is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Hiertoe is vereist dat op het document het juiste adres staat, een verzenddatum, en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Indien het bestuursorgaan de verzending aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde om voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe moet de geadresseerde feiten stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.1
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister met de nader door hem overgelegde verzendadministratie aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit van 22 april 2026 naar het juiste adres is verzonden. Niet in geschil is dat op het besluit het juiste adres van eiser staat en de datum van 22 april 2026. Op het besluit van 22 april 2026 staan verder de voor- en achternaam van eiser. In de verzendadministratie staat vermeld ‘ [naam] ’. Verder is te zien dat bij het bericht de aanmaakdatum ‘22-04-2026’ is weergegeven. Ook is te zien dat het bericht de status ‘bericht verwerkt’ heeft en dat het verzonden is via het verzendkanaal ‘centrale verzending’. De rechtbank oordeelt dat de minister hiermee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de intrekkingsbeschikking aan eiser is verzonden en daarmee op de juiste wijze bekend is gemaakt. De enkele stelling van eiser dat hij de beschikking niet heeft ontvangen is onvoldoende om redelijkerwijs aan de ontvangst te twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet.
Gronden van de maatregel van bewaring
6. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
1. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:261.
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden en de lichte gronden 4a en 4d feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
De Chavez-aanvraag
8. Eiser stelt dat er sprake is van procedureel rechtmatig verblijf als in artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw, omdat hij op 18 juni 2026 een aanvraag om verblijfsrecht bij zijn minderjarige Nederlandse kinderen heeft ingediend (een zogenoemde Chavez-aanvraag). Eiser heeft om deze aanvraag in te dienen een e-mail verstuurd naar
[e-mailadres]. Daarbij komt dat eiser ook deze aanvraag in het rechtbankdossier in de onderhavige zaak heeft geplaatst en de minister dus daarmee bekend kon zijn. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 november 2021.2
9. De minister stelt zich op het standpunt dat er geen Chavez-aanvraag is ingediend door eiser. De gemachtigde van eiser heeft weliswaar een e-mail overgelegd van 18 juni 2026 om 15.29 uur gericht aan het e-mailadres
[e-mailadres], maar de ontvangst daarvan is nooit bevestigd door de minister. Deze aanvraag elektronisch indienen bij een persoonlijk e-mailadres is ook niet de juiste weg. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat de Chavez-aanvraag niet rechtsgeldig is ingediend, omdat deze is ingediend bij de regievoerder terwijl deze aanvraag direct aan de IND toegezonden had moeten worden. Als laatste stelt de minister zich meer subsidiair op het standpunt dat er sprake is van misbruik van recht, omdat het een onvolledige aanvraag is die is ingediend. Deze aanvraag is volgens de minister enkel ingediend om eisers uitzetting te voorkomen.
10. De rechtbank overweegt het volgende. Uit de hiervoor vermelde uitspraak van de Afdeling van 12 november 2021 volgt dat een vreemdeling die een aanvraag heeft ingediend om toetsing aan EU-recht, procedureel rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw.3 Als een vreemdeling na het opleggen van de maatregel van bewaring krachtens artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw een dergelijke aanvraag heeft

2.ECLI:NL:RVS:2021:2530.

ingediend, kan de bewaring niet op deze dan wel een andere grondslag worden voortgezet, en moet deze worden opgeheven.
11. Ten aanzien van de stelling van de minister dat er nooit een Chavez-aanvraag zou zijn ingediend overweegt de rechtbank als volgt. De gemachtigde van eiser heeft een afschrift van een e-mail overgelegd van 18 juni 2026, 15.29 uur, gericht aan de regievoerder, met als bijlage de Chavez-aanvraag. De ontvangst daarvan wordt door de minister ontkend. Dit heeft de minister onderbouwd met een afschrift van een e-mail van de regievoerder van 19 juni 2026, 16.25 uur, waarin de regievoerder meldt dat in de gaten zal worden gehouden of er een Chavez-aanvraag binnen komt. Het feit dat een e-mail de geadresseerde niet of niet volledig bereikt komt in beginsel voor rekening en risico van de verzender. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de regievoerder de e-mail heeft ontvangen. Uit het overleggen van het afschrift van de e-mail van 18 juni 2026, 15.29 uur, is niet af te leiden dat die e-mail door de regievoerder is ontvangen. Ook is geen ontvangst- en/of leesbevestiging overgelegd waaruit de ontvangst blijkt. De gemachtigde van eiser heeft een afschrift van de e-mail van 18 juni 2026, 15.29 uur, met als bijlage de Chavez-aanvraag, ook in het rechtbankdossier in de onderhavige zaak geplaatst. Dit betreft echter geen indiening bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen.4
12. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank op 23 juni 2026 bericht dat hij in de ochtend van 23 juni 2026 contact heeft gehad met DT&V van het Detentiecentrum [plaats] , dat hij de Chavez-aanvraag opnieuw ter volledigheid per e-mail heeft verstuurd, de regievoerder de ontvangst daarvan heeft bevestigd en telefonisch door de regievoerder is bevestigd dat de Chavez-aanvraag is doorgezonden naar de IND. De verzonden e-mail en de daaropvolgende ontvangstbevestiging zijn ook aan het rechtbankdossier toegevoegd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser op 23 juni 2026 een Chavez-aanvraag heeft ingediend.
13. Voor zover de minister zich op het standpunt stelt dat ook hiermee sprake is van misbruik van recht, volgt de rechtbank dit niet. De Afdeling heeft in de uitspraak van 29 mei 2024 geoordeeld dat het Unierecht zich ertegen verzet dat rechtzoekenden door middel van misbruik voordelen kunnen verkrijgen die zij anders niet gehad zouden hebben.5 Uit deze uitspraak volgt dat aan twee vereisten moet zijn voldaan voordat misbruik van recht kan worden vastgesteld. In de eerste plaats moet er een geheel van objectieve omstandigheden zijn waaruit blijkt dat, hoewel de vereisten van een Unierechtelijke regeling formeel worden nageleefd, het doel van die regeling niet wordt bereikt (hierna: het objectieve element). Daarnaast is een subjectief element vereist, namelijk de intentie van de vreemdeling om een door het Unierecht toegekend voordeel te verkrijgen, door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat.
14. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan voornoemde vereisten is voldaan. Eiser heeft een onderbouwde Chavez-aanvraag ingediend, waarbij hij een verklaring van zijn schoonmoeder heeft overgelegd waarin zij het belang benadrukt van de aanwezigheid van eiser voor haar kleinkinderen. Daarnaast is de aanvraag (vrijwel) volledig ingevuld. Anders dan in de door de minister aangehaalde
4 Zie artikel 4:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
uitspraak van zittingsplaats Rotterdam, van 24 april 2024,6 waarin ‘kale’ aanvraagformulieren waren ingediend zonder enige toelichting, bijlagen of onderbouwende documenten en er geen enkel aanknopingspunt in het dossier bestond voor een Unierechtelijk verblijfsrecht, kan gelet op het eerder aan eiser toegekende verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro en de door de schoonmoeder naar voren gebrachte omstandigheden in de opvoeding en verzorging van de kinderen van eiser, in het geval van eiser niet worden gezegd dat elk aanknopingspunt op enige aanspraak ontbreekt. Ook de wijze van indiening van de aanvraag van 23 juni 2026 is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om misbruik van recht aan te nemen. Uit artikel 3.101, tweede lid, van het Vb volgt dat indien de vreemdeling rechtens de vrijheid is ontnomen, de aanvraag als bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend op de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd. De gemachtigde van eiser heeft blijkens de door hem overgelegde e-mailwisseling van 23 juni 2026 voorafgaand aan het indienen van de aanvraag per e-mail telefonisch contact gehad met DT&V van het Detentiecentrum [plaats] om de aanvraag (alsnog) kenbaar te maken en vervolgens is de ontvangst van de aanvraag ook bevestigd en doorgezonden. Nu niet is gebleken dat er sprake is van misbruik van recht door het indienen van de aanvraag van 23 juni 2026, is de rechtbank van oordeel dat eiser hiermee procedureel rechtmatig verblijf heeft en niet langer op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring kan worden gehouden.
Conclusie
15. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van 23 juni 2026 onrechtmatig.
16. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 24 juni 2026.
17. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 6 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel
van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 2 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 240,-.
18. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

6.ECLI:NL:RBDHA:2024:13881

Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 24 juni 2026;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 240,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van J.M. Pattynama, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 juni 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.