ECLI:NL:RBDHA:2026:18888

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL26.32168
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 8 PolitiewetArt. 231 SrArt. 50 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wegens risico op onttrekking en voortvarendheid uitzetting

Eiser, van Algerijnse nationaliteit, werd op 5 juni 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege risico op onttrekking aan toezicht en belemmering van uitzetting. Hij voerde aan dat de staandehouding onrechtmatig was en dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld bij zijn uitzetting.

De rechtbank oordeelde dat de staandehouding niet verkapt vreemdelingenrechtelijk was, maar op grond van de Politiewet en het Wetboek van Strafrecht plaatsvond. De minister had de ophouding op juiste grondslag verricht en de bewaring was voldoende gemotiveerd met zware en lichte gronden. Eiser had geen concrete persoonlijke belangen of alternatieven voor bewaring aangetoond.

Verder stelde de rechtbank vast dat de minister voortvarend had gehandeld door tijdig vertrekgesprekken te voeren en een lp-aanvraag in te dienen voor een vlucht naar Algerije. Ook was het belang van het kind en het familie- en gezinsleven voldoende betrokken bij de beslissing.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.32168
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. H. Loth als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Barzizaoua. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1968.
Staandehouding
2. Eiser voert aan dat uit de informatie in het proces-verbaal onvoldoende blijkt dat sprake was van een niet-vreemdelingenrechtelijke staandehouding. Hij stelt dat het proces-verbaal van bevindingen de controle en staandehouding onvoldoende concreet onderbouwen. Eiser is van mening dat de beschreven omstandigheden – afwijkend reizigersgedrag, een woordenwisseling (met een NS-medewerker) en het niet instappen in een trein – te algemeen zijn en te weinig individueel bepaald om de daaropvolgende identiteitscontrole en het vreemdelingrechtelijke vervolgtraject dragend te rechtvaardigen.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 4 juni 2026, dat op ambtseed en ambtsbelofte is opgemaakt, volgt dat de verbalisanten van
de politie zagen dat een man – dit bleek later eiser te zijn – afwijkend gedrag vertoonde wat verbalisanten herkenden als ‘bagagedievengedrag’. De verbalisanten zagen dat eiser opvallend naar tassen keek, maar ook nauwlettend was op zijn omgeving. Verbalisant [verbalisant] verklaarde dat hij afwijkend reizigersgedrag herkent en ook het gedrag dat gepaard gaat met zakkenrollerij/bagagediefstal, omdat hij al vijftien jaar werkzaam is rondom het spoor en meer dan 2.000 zakkenrollers en bagagedieven heeft aangehouden. Verbalisanten besloten eiser te volgen en zagen dat eiser een woordenwisseling kreeg met een NS-medewerker, waarbij eiser zijn stem verhief. Verbalisant [verbalisant] hoorde dat eiser met de trein naar Breda wilde en daarna door wilde reizen naar Brussel, bij [verbalisant] bekend als een lijn die vaak gebruikt wordt door bagagedieven. Eiser liep vervolgens naar spoor 8 en stond daar te wachten op de trein naar Nijmegen, maar stapte niet in toen de trein halteerde, welk gedrag de verbalisanten ook bevreemdde. Nadat verbalisanten dit afwijkende gedrag en zijn agressieve gedrag tegenover de NS-medewerker zagen, besloten zij eiser op grond van artikel 8 van Pro de Politiewet te controleren. Hierop liet eiser een valse ID-kaart zien.
Vervolgens is eiser aangehouden voor het overtreden van artikel 231, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
4. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de in het proces-verbaal vastgelegde omstandigheden voldoende duidelijk dat de aanleiding tot het vragen om inzage van eisers identiteitsbewijs was gebaseerd op de in artikel 8 van Pro de Politiewet neergelegde bevoegdheden en eiser daarna is aangehouden op grond van artikel 231, tweede lid, Sr. Van een verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding is dan ook geen sprake.
5. Uit vaste rechtspraak1 volgt dat het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken is om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheden. Dit betekent dat de rechtbank de staandehouding van eiser in deze bewaringsprocedure niet op rechtmatigheid kan beoordelen. De beroepsgrond slaagt niet.

Ophouding en onderzoek

6. Eiser voert verder aan dat de minister hem op onjuiste grondslag heeft opgehouden. Eiser stelt dat de ophouding had moeten plaatsvinden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw, omdat zijn identiteit tijdens het strafrechtelijke voortraject niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Volgens eiser is onvoldoende inzichtelijk waarop die onmiddellijke identiteitsvaststelling berustte, omdat uit het M105-A formulier blijkt dat nog meerdere systemen zijn geraadpleegd en nader identiteitsonderzoek is verricht.
7. De rechtbank oordeelt dat de minister eiser op juiste grondslag heeft opgehouden. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 4 juni 2026 volgt dat de verbalisanten tijdens zijn strafrechtelijke aanhouding de identiteitsgegevens van eiser hebben verkregen uit de systemen van de Europese opsporingseenheden. Verder sluit artikel 50, derde lid, van de Vw niet uit dat tijdens de ophouding de minister wat betreft de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling nog de nodige verificatiewerkzaamheden
1. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:274, en 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:190.
verricht en aanvullende gegevens van die vreemdeling verzamelt terwijl hij voorts voorbereidingen kan treffen voor een mogelijke inbewaringstelling.2 De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
8. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
9. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd niet heeft bestreden. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden zijn voldoende om aan te nemen dat sprake is van een risico op onttrekking en kunnen daarom de maatregel van bewaring dragen.
Lichter middel
10. Eiser stelt zich op het standpunt dat uit het proces-verbaal van gehoor slechts beperkt blijkt van een daadwerkelijke verkenning van minder dwingende alternatieven. Volgens eiser is er een concreet alternatief voor vreemdelingenbewaring in de vorm van zelfstandig vertrek met de trein via een route door België, Frankrijk en Turkije. Ook voert eiser persoonlijke belangen aan waarbij hij doelt op zijn minderjarige kinderen. Volgens eiser volgt uit het proces-verbaal van gehoor niet dat daarop wezenlijk is doorgevraagd of dat deze omstandigheden individueel en kenbaar zijn gewogen.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel. Uit de niet-bestreden gronden van de maatregel en de motivering daarvan blijkt al dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestond. De minister heeft daarbij kunnen overwegen dat er op 30 juli 2025 een terugkeerbesluit met inreisverbod is opgelegd aan eiser. Eiser heeft toen aangegeven zelfstandig te willen vertrekken naar Algerije. Nadat hij op 22 augustus 2025 uit detentie
ontslagen was, had eiser de mogelijkheid om zelfstandig te vertrekken, maar heeft hij dit niet gedaan. De minister heeft daarom kunnen overwegen dat een lichter middel al eerder is ingezet en dat dit er niet voor heeft gezorgd dat eiser zelfstandig is vertrokken. Eiser heeft verder weliswaar verklaard een vrouw en twee dochters in Frankrijk te hebben, maar heeft hierbij niet met stukken onderbouwd dat hij getrouwd is, noch dat hij zijn dochters heeft erkend. Tijdens het gehoor voor inbewaringstelling heeft eiser ook verklaard dit niet aan te kunnen tonen. Verder is niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend zouden maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om een lichter middel toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting
12. Eiser voert aan dat de minister had moeten controleren of het terugkeerbesluit dat de grondslag voor de bewaringsmaatregel is wel kan worden uitgevoerd. Eiser verwijst hierbij naar het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025.3
13. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest Adrar volgt dat de minister bij het opleggen (en voortduren) van de maatregel van bewaring dient na te gaan of het beginsel van non-refoulement of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven zich niet verzetten tegen de verwijdering van eiser. Vervolgens dient de bewaringsrechter zich daarvan, zo nodig ambtshalve, te vergewissen.
14. Ten aanzien van het beginsel van non-refoulement is de rechtbank van oordeel dat de minister hier kenbaar op in is gegaan. Tijdens het gehoor voor inbewaringstelling van
5 juni 2026 heeft eiser aangegeven geen problemen te hebben met de autoriteiten van Algerije. De minister motiveert in de maatregel dat de redenen waarom eiser niet terug kan naar Algerije gaan over problemen met de broers en neven van zijn vrouw. Eiser heeft geen problemen met de autoriteiten en kan zich in Algerije melden bij de politie/autoriteiten in verband met zijn problemen.
15. Ten aanzien van het belang van het kind en het familie- en gezinsleven is de rechtbank tevens van oordeel dat de minister hier kenbaar op in is gegaan. In de maatregel is namelijk overwogen dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden waardoor respect voor eisers familie- en gezinsleven of de belangen van het kind in de weg staan aan eisers verwijdering en daarbij is concreet in gegaan op eisers verklaringen daaromtrent in het gehoor voor inbewaringstelling (zie ook rechtsoverweging 11). De beroepsgrond slaagt niet.

Voortvarend handelen

16. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting heeft gewerkt. Eiser stelt dat volgens hem niet valt in te zien waarom wordt gewacht tot 17 juni 2026 (dertiende dag van de bewaring) met het verzenden van de lp-aanvraag.
17. De rechtbank stelt vast dat uit het vertrekgesprek van 9 juni 2026 volgt dat de regievoerder op 9 juni 2026 aan eiser heeft gevraagd een kopie van zijn paspoort – dat zich
3 ECLI:EU:C:2025:647.
volgens eiser bij een vriend in Portugal zou bevinden – via WhatsApp te sturen. De regievoerder heeft daarom haar mobiele telefoonnummer aan eiser verstrekt. Op 11 juni 2026 heeft de regievoerder eiser opnieuw bezocht en aan eiser voorgesteld om een lp-aanvraag in te vullen. Eiser wilde daar niet aan meewerken en heeft de regievoerder verzocht om hem later te bezoeken. Op 16 juni 2026 heeft de regievoerder van IOM de vluchtgegevens van eiser ontvangen, waaruit blijkt dat hij op 29 juni 2026 naar Algerije vertrekt. Ondanks het uitblijven van een kopie van eisers paspoort heeft de regievoerder daarna de aanvraag voor een lp doorgestuurd naar de afdeling DIA, zodat de benodigde vertrekhandelingen tijdig konden worden opgestart. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft namelijk, na het opleggen van de bewaringsmaatregel op 5 juni 2026, aansluitend op 9 juni 2026 en 11 juni 2026 vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Op 17 juni 2026 is een lp-aanvraag doorgestuurd ten behoeve van de IOM-vlucht van 29 juni 2026.
Deze handelingen zijn allemaal uitgevoerd in het kader van de voortvarendheid. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toets
18. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
19. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van J.M. Pattynama, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
26 juni 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.