ECLI:NL:RBDHA:2026:19036

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
NL26.19208 en NL26.19209
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vw 2000Art. 17 DublinverordeningArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en medische omstandigheden

Eiser, met onbekende nationaliteit, vroeg asiel aan in Nederland, maar de minister nam zijn aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Eiser stelde dat zijn ernstige medische situatie overdracht aan Kroatië onmogelijk maakt, verwijzend naar het arrest C.K. en artikel 17 van Pro de Dublinverordening.

De rechtbank beoordeelde de medische stukken, waaronder CT-scans en rapporten van een ziekenhuis in Jordanië, en concludeerde dat er geen sprake is van een bijzondere ernst van de gezondheidstoestand die overdracht zou verhinderen. Verweerder hoefde geen aanvullend medisch advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) in te winnen omdat eiser niet onder actieve behandeling stond van een medisch specialist.

Ook de door eiser aangevoerde psychische klachten en mishandeling in Kroatië werden onvoldoende onderbouwd. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de asielaanvraag niet aan zich heeft getrokken op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.19208 (beroep) en NL26.19209 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser en verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. D. de Heuvel),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Sloots).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Eiser heeft ook gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet aan Kroatië wordt overgedragen totdat op zijn beroep is beslist.
1.2.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Ball-Ponne als tolk in de taal Arabisch en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Besluitvorming
4. Eiser is geboren op [geboortedag] 2000 en heeft een onbekende nationaliteit. Eiser heeft op 3 december 2025 asiel aangevraagd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
4.1.
Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 [1] . Daarin staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen als op grond van de Dublinverordening [2] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 28 november 2025 asiel heeft aangevraagd in Kroatië. Volgens verweerder is Kroatië daarom verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Verweerder heeft Kroatië op 20 januari 2026 gevraagd om eiser terug te nemen. Op 29 januari 2026 is verweerder hiermee akkoord gegaan.
Standpunten en beoordeling door de rechtbank
Arrest C.K. en artikel 17 van Pro de Dublinverordening
5. Eiser voert aan dat, gezien zijn medische situatie, overdracht aan Kroatië achterwege moet blijven en verwijst in dit kader naar het arrest C.K. van het Hof [3] van 16 februari 2017. [4] Eiser stelt dat een overdracht aan Kroatië zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand. Eiser stelt namelijk erg ziek te zijn. Zo heeft hij veertien operaties aan zijn hoofd en wervels gehad. Ook stelt eiser dat hij wacht op een afspraak met een KNO-arts en een internist vanwege maagklachten. Eiser stelt verder last te hebben van zijn middenoor vanwege schade hieraan. Zo heeft hij geen trommelvlies maar wel een kunsttrommelvlies. Ook geeft eiser aan te kampen met een slokdarmverwijding, waardoor hij kampt met een maagzweer. Eiser stelt ook pijn in zijn maag, oren en wervelkolom te hebben. Daarnaast stelt eiser dat hij kampt met psychische klachten en dat hij problemen heeft met zijn kaak. Op de zitting heeft eiser daaraan toegevoegd dat hij vaak misselijk wordt en dan ook bloed moet overgeven, ook heeft hij vaak bloedneuzen.
5.1.
Ter onderbouwing van zijn medische situatie heeft eiser meerdere stukken overgelegd van het in Amman, Jordanië gevestigde [ziekenhuis]. Deze stukken, waaronder resultaten van CT-scans, een maagontledigingsonderzoek en bloedonderzoek, dateren uit de periode van oktober 2016 tot en met april 2026. Eiser heeft ook een brief van de tandarts overgelegd van 8 juni 2026, waaruit volgens hem volgt dat zijn kiezen zijn getrokken. Dit is volgens eiser echter niet goed gebeurd en dit zal verder moeten worden opgepakt door een kaakchirurg. Gezien deze stukken had verweerder volgens eiser het BMA [5] om advies moeten vragen. Eiser heeft in dit kader op de zitting verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 3 maart 2026 [6] en de uitspraak van zittingsplaats Zwolle van 22 mei 2026 [7] .
5.2.
In het verlengde van zijn medische situatie voert eiser ook aan dat verweerder op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de asielaanvraag aan zich had moeten trekken. Zo stelt eiser dat hij, naast hetgeen hij heeft aangevoerd over zijn lichamelijke gesteldheid, tevens heeft verklaard dat hij in Kroatië is mishandeld en is gekleineerd. Eiser heeft verder ook verklaard hij dagen achtereen geen of nauwelijks eten heeft gekregen van de Kroatische autoriteiten. Verweerder is hier volgens eiser ten onrechte aan voorbijgegaan in het bestreden besluit.
6. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij de in beroep overgelegde medische stukken heeft bekeken en beoordeeld. In dat verband heeft verweerder verwezen naar WI [8] 2021/03 [9] , waaruit onder meer volgt dat geen medisch advies van het BMA hoeft te worden ingewonnen indien de vreemdeling niet onder actieve behandeling staat van een medisch specialist. Een enkele bevestiging van een toekomstige afspraak bij een medisch specialist is daarbij onvoldoende. Dit volgt volgens verweerder ook uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 15 juni 2026. [10] Wat betreft de inhoud van de medische stukken heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit de overgelegde resultaten van de CT-scans blijkt dat vrijwel alles er normaal uitziet en dat er geen sprake is van aandoeningen. Er zijn volgens verweerder weliswaar medische klachten, waaronder geconstateerde afwijkingen in het linker middenoor, maar niet is gebleken dat sprake is van een lopende medische specialistische behandeling.
7. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van Kroatië mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [11] In geschil is of verweerder nader onderzoek had moeten doen naar de medische situatie van eiser in het licht van het arrest C.K. en of verweerder gezien de medische omstandigheden en afgelegde verklaringen van eiser de asielaanvraag aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
7.1.
Uit het arrest C.K. volgt dat, ook als van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, overdracht in het kader van de Dublinverordening op zichzelf een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest [12] kan opleveren. Dit kan met name voorkomen als de overdracht van een vreemdeling met bijzonder ernstige psychische of lichamelijke problemen een ernstige verslechtering van zijn of haar gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben, zodat er een situatie ontstaat zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest. Als een vreemdeling objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn of haar gezondheidstoestand onderbouwt, en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen waartoe een overdracht zou kunnen leiden aantoont, moet verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Verweerder kan dan, zoals gesteld in WI 2021/03, een BMA-onderzoek laten opstarten, waarin het BMA naar aanleiding van de medische gezondheidssituatie van de vreemdeling een advies opstelt en beziet of de vreemdeling kan reizen en zo ja, welke (eventuele) reisvoorwaarden daaraan verbonden zijn. Uit WI 2021/03 volgt dat in ieder geval geen BMA-onderzoek wordt opgestart indien de vreemdeling niet onder actieve behandeling staat van een medisch specialist. Het overleggen van bewijs van een toekomstige afspraak bij een medisch specialist is daarbij ook onvoldoende.
7.2.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening geeft verweerder een bevoegdheid om onverplicht een asielverzoek in behandeling te nemen. Verweerder heeft met betrekking tot deze bevoegdheid beleid gemaakt. In paragraaf C2/5 van de Vc 2000 [13] staat dat verweerder hiervan terughoudend gebruik maakt als Nederland daartoe, op grond van de in de Dublinverordening neergelegde criteria, niet verplicht is. Verweerder gebruikt de bevoegdheid in ieder geval als “bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt”. Vanwege de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die verweerder heeft om deze hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank deze beslissing terughoudend.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser met de overgelegde medische stukken niet heeft aangetoond dat sprake is van een bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en dat een overdracht zou kunnen leiden tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen, zoals gesteld in het arrest C.K. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat uit de medische documenten niet blijkt van een bijzondere ernst van eisers gezondheidssituatie. Uit de overgelegde medische stukken blijkt weliswaar dat afwijkingen zijn geconstateerd aan eisers linker middenoor en dat eiser last heeft van brandend maagzuur, maar uit de resultaten van de CT-scans van de hersenen en de neusbijholten blijkt ook dat er geen afwijkingen zijn gevonden en dat er geen bijzonderheden zijn geconstateerd bij eiser. Ook de overgelegde brief van de tandarts is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van een bijzondere ernst van eisers gezondheidstoestand. In de brief wordt namelijk enkel een melding gemaakt van ‘extractie elementen’. Daaruit kan niet worden afgeleid dat eiser zodanige problemen heeft met zijn kaak dat een overdracht aan Kroatië zal leiden tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen wat betreft zijn gezondheid. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser de overgelegde resultaten van het bloedonderzoek niet nader heeft toegelicht of onderbouwd, zodat niet is gebleken dat deze duiden op relevante gezondheidsproblemen. Ook heeft eiser geen medische stukken overgelegd wat betreft zijn overige gestelde medische klachten, zijn gestelde psychische problematiek en de veertien operaties die hij zou hebben ondergaan aan zijn hoofd en wervels. De rechtbank volgt eveneens het standpunt van verweerder dat hij niet is gehouden tot het opstarten van een BMA-onderzoek, nu niet is gebleken dat eiser onder actieve behandeling staat van een medisch specialist. Het gegeven dat eiser (nadere) toekomstige afspraken heeft met een KNO-arts en een internist is daarbij onvoldoende. Verweerder heeft in dit kader kunnen verwijzen naar hetgeen is vermeld in WI 2021/03 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 15 juni 2026. De rechtbank is wat betreft het arrest C.K. tot slot van oordeel dat de verwijzingen van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 3 maart 2026 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 22 mei 2026 hem niet kunnen baten, nu de omstandigheden van deze zaken niet vergelijkbaar zijn met die van de onderhavige zaak. In deze zaken was namelijk sprake van alarmerende stukken wat betreft de gezondheidssituatie van de betreffende vreemdelingen. Zo was er in de uitspraak van 3 maart 2026 sprake van een vreemdeling waarbij een sterk verhoogd suïciderisico was geconstateerd en was er in de uitspraak van 22 mei 2026 sprake van complexe medische problematiek ten aanzien van het kind van de vreemdeling, en onderging het kind een specialistische medische behandeling.
7.4.
Wat betreft artikel 17 van Pro de Dublinverordening is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij de asielaanvraag van eiser niet aan zich heeft hoeven trekken, nu geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat een overdracht aan Kroatië van een onevenredige hardheid getuigt. Zo is bij eiser niet gebleken van een bijzondere ernst van zijn gezondheidssituatie, zoals hierboven reeds is geoordeeld. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat Kroatië, voor wat betreft de medische problematiek die hij wel ervaart, de behandelingen hiervoor niet zou kunnen aanbieden. Verder heeft eiser zijn verklaringen over de gestelde ervaringen in Kroatië, en de gevolgen hiervan voor hem, niet nader onderbouwd met (medische) stukken. De rechtbank benadrukt in dit kader dat eiser, gezien het claimakkoord van 29 januari 2026, zal terugkeren naar Kroatië als Dublinclaimant. Eiser heeft niet nader onderbouwd dat hij het risico loopt om deze ervaringen bij een terugkeer naar Kroatië mee te maken als Dublinclaimant. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat eiser zich bij eventuele problemen niet zou kunnen wenden tot de Kroatische autoriteiten.
7.5.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Gelet hierop is er geen aanleiding om een voorlopige
voorziening te treffen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank, in zaaknummer NL26.19208:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in zaaknummer NL26.19209:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid
van mr. A.S. Hayas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, voor zover het de hoofdzaak betreft, kan
een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het
hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak
is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat
de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een
tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige
voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Hof van Justitie van de Europese Unie.
4.ECLI:EU:C:2017:127
5.Bureau Medische Advisering.
8.Werkinstructie.
9.‘BMA advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K’.
11.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635, waarin de Afdeling dit heeft bevestigd.
12.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
13.Vreemdelingencirculaire 2000.