ECLI:NL:RBDHA:2026:19415

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
VK 25/15616
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 30 VwArt. 31 Vw
Verwijzingen
19 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning wegens onvolledige belangenafweging privéleven

Eiser, een Azerbeidzjaanse nationaliteit dragende vreemdeling, diende op 10 mei 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op niet-tijdelijke humanitaire gronden. De minister wees deze aanvraag af, waarna eiser bezwaar maakte. Na eerdere procedures en vernietigingen van besluiten, werd het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard op 18 juli 2025. Eiser stelde beroep in tegen dit bestreden besluit.

De rechtbank oordeelt dat de minister bij de belangenafweging, met name ten aanzien van het privéleven van eiser in Nederland, niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken. Zo is onvoldoende rekening gehouden met het feit dat de minister geen initiatieven heeft genomen om eiser uit Nederland te verwijderen, terwijl dit een relevante factor is volgens de geldende werkinstructies. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet is vrijgesteld van het mvv-vereiste.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij alle relevante feiten, waaronder het familieleven en het terugkeerbesluit, moeten worden betrokken. Tevens moet de minister beoordelen of terugkeer naar Azerbeidzjan in strijd is met het non-refoulementbeginsel. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister moet binnen acht weken een nieuw besluit nemen met volledige belangenafweging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/15616

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de minister van Asiel en Migratie. [1]
(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De minister heeft bij zijn belangenafweging, in het kader van de vraag of op grond van het privéleven dat eiser in Nederland heeft opgebouwd vrijstelling van het mvv-vereiste moet worden verleend, namelijk niet alle relevante feiten en omstandigheden betrokken. Het beroep is gegrond en de minister moet een nieuw besluit nemen. Daarbij zal hij moeten betrekken de feiten en omstandigheden die op dat moment bestaan, ook ten aanzien van het familieleven en het terugkeerbesluit. Ook moet de minister beoordelen of terugkeer van eiser naar Azerbeidzjan in strijd is met het beginsel van non-refoulement. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat wat er aan het bestreden besluit voorafging. Onder 4 wordt de eerdere uitspraak die in deze procedure is gedaan aangehaald. Onder 5 wordt het bestreden besluit – kort – weergegeven. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2.1
Eiser heeft op 10 mei 2023 een aanvraag ingediend voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 3 oktober 2023 afgewezen. Daartegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het besluit van 20 september 2024 heeft de minister dat bezwaar ongegrond verklaard. Het beroep dat eiser daartegen heeft ingesteld is bij uitspraak van 13 mei 2025 gegrond verklaard. [2] De rechtbank heeft in die uitspraak het besluit van 20 september 2024 vernietigd en de minister opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.
2.2
Met het besluit van 18 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
2.3
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en het beroep aangevuld bij brieven van 29 augustus 2025 en 1 april 2026.
2.4
De minister heeft op 17 maart 2026 een verweerschrift uitgebracht.
2.5
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Wat er aan het bestreden besluit voorafging
3.1
Uit het dossier volgt dat eiser op [geboortedatum] 1950 is geboren en de Azerbeidzjaanse nationaliteit heeft. In 2002 is eiser naar Nederland gekomen. Op 16 oktober 2002 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 18 februari 2003 is de aanvraag afgewezen op grond van artikel 30, aanhef en onder a, van de Vw [3] , omdat de Italiaanse autoriteiten verantwoordelijk waren voor de behandeling van de asielaanvraag. Het beroep dat eiser daartegen heeft ingesteld is bij uitspraak van 9 oktober 2003 gegrond verklaard. Op 18 februari 2004 heeft de minister aan eiser bericht dat hij wordt opgenomen in de nationale procedure. Bij besluit van 14 juni 2004 heeft de minister de aanvraag afgewezen op grond van artikel 31 van Pro de Vw. Dit besluit is tevens een terugkeerbesluit.
3.2
De vrouw en kinderen van eiser hebben ook een asielaanvraag ingediend in Nederland. Hun aanvragen zijn ook afgewezen bij besluiten van 14 juni 2004.
3.3
Zowel eiser als zijn vrouw en kinderen hebben beroep ingesteld tegen deze besluiten. De beroepen zijn bij uitspraak van 1 augustus 2006 ongegrond verklaard.
3.4
Eiser heeft nadien verschillende malen opnieuw een asielaanvraag ingediend. Geen van die aanvragen heeft geleid tot een verblijfsvergunning. Wel is aan eiser bij besluit van 30 mei 2018 een inreisverbod opgelegd voor de duur van 2 jaar.
3.5
Bij beschikking van 26 januari 2011 is de echtscheiding uitgesproken tussen eiser en zijn echtgenote.
3.6
In 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘humanitair niet-tijdelijk’. Die aanvraag heeft niet tot het verlenen van een verblijfsvergunning geleid.
3.7
Uit de toelichting op de aanvraag die eiser op 10 mei 2023 heeft ingediend, de aanvraag waarover het in deze uitspraak gaat, volgt dat [naam 2], de dochter van eiser, in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Zij heeft twee kinderen die zijn geboren in 2009 en 2012. [naam 1], de zoon van eiser, heeft verblijf in Nederland op grond van verblijf bij een Nederlands staatsburger. Hij heeft twee kinderen. [naam 3], ook een zoon van eiser, heeft verblijf in Nederland bij een EU-burger. Hij heeft één kind.
De uitspraak van 13 mei 2025
4. In de uitspraak van 13 mei 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister bij de belangenafweging die hij in het besluit van 20 september 2024 in het kader van het privéleven, dat door artikel 8 van Pro het EVRM [4] wordt beschermd, heeft gemaakt, niet alle omstandigheden heeft betrokken. De minister is daarbij namelijk niet ingegaan op wat eiser heeft aangevoerd over het tekort aan financiële middelen dat hij in Azerbeidzjan zal hebben. Het standpunt van de minister dat eiser zich zelfstandig zal kunnen redden in Azerbeidzjan is dan ook onvoldoende gemotiveerd. Dat maakt ook dat de minister zich zonder nadere motivering niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gemaakte belangenafweging in het nadeel van eiser zou moeten uitvallen. Omdat het beroep hierom al gegrond is, is de rechtbank niet ingegaan op wat eiser verder in die procedure heeft aangevoerd. De rechtbank heeft het besluit van 20 september 2024 vernietigd en de minister opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van de uitspraak.
Waarom heeft de minister de aanvraag afgewezen en is hij bij die afwijzing gebleven?
5. De minister heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat – kort samengevat – eiser niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Daarbij heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste om gezondheidsredenen, omdat uit het BMA [5] -advies van 22 juli 2024 volgt dat eiser in staat wordt geacht te kunnen reizen en er verder geen sprake is van een medische noodsituatie als bedoeld in paragraaf A3/7.1.3 van de Vc. [6] Verder heeft de minister het standpunt ingenomen dat afwijzing van de aanvraag niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Niet is namelijk gebleken dat tussen eiser en zijn kinderen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie en dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiser en zijn kleinkinderen. Er is voor wat betreft de relatie tussen eiser en zijn kinderen en kleinkinderen daarom geen sprake van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Wel heeft eiser privéleven in Nederland, maar de belangenafweging valt, ook omdat er geen sprake is van een objectieve belemmering voor eiser om terug te kunnen keren naar zijn land van herkomst, in het nadeel van eiser uit. Omdat de uitzetting van eiser daarmee niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM, bestaat geen aanleiding hem vrijstelling van het mvv-vereiste te verlenen.
Over het privéleven
6. Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit op het punt waarop de rechtbank in de uitspraak van 13 mei 2025 een gebrek heeft geconstateerd nauwelijks een gedegen motivering bevat. Eiser verwijst in dat verband naar bronnen die het beeld bevestigen dat hij eerder heeft geschetst voor wat betreft het ontbreken van voldoende bestaansmiddelen in Azerbeidzjan. De conclusie die uit die bronnen getrokken kan worden is dat de maandelijkse noodzakelijke kosten tenminste 850 tot 950 manat bedragen, terwijl eiser maximaal 200 tot 370 manat zou kunnen ontvangen. Dat leidt tot een structureel tekort van 500-700 manat per maand, waardoor eiser feitelijk geen bestaanszekerheid heeft. De minister miskent verder dat de sociale voorzieningen in Azerbeidzjan ontbreken. Verder heeft de minister zijn stelling dat eiser sterke banden heeft met Azerbeidzjan niet onderbouwd. Eiser verblijft al jaren in Nederland, zet zich als vrijwilliger maatschappelijk in en kampt, ook vanwege zijn leeftijd, met toenemende lichamelijke problemen. De minister weegt dit onvoldoende mee. Dat geldt ook voor het feit dat eiser weliswaar nog steeds niet uit Nederland is vertrokken, maar dat de minister ook geen initiatieven heeft genomen om hem uit Nederland te verwijderen.
6.1
De minister heeft aangenomen dat bij eiser sprake is van privéleven. De minister heeft daarom een belangenafweging gemaakt.
6.2
Uit de rechtspraak van het EHRM [7] en de Afdeling volgt dat wanneer het privéleven wordt opgebouwd tijdens illegaal verblijf of een periode waarin de verblijfsrechtelijke status onzeker is, en de betrokken vreemdeling zich van de onzekerheid van zijn of haar verblijfsstatus bewust was, dat privéleven alleen in uitzonderlijke gevallen kan leiden tot een verplichting tot het laten voortzetten daarvan. [8] De binding met Nederland die door langdurig onrechtmatig verblijf hier te lande ontstaat, is verder niet voldoende om een schending van privéleven aan te nemen. Daarvoor moeten de banden die een vreemdeling met Nederland is aangegaan de gebruikelijke banden overstijgen. [9] In het kader van die belangenafweging moet de minister ook beoordelen of vestiging van de vreemdeling in het land van herkomst een ‘certain degree of hardship’ met zich brengt. [10] De vreemdeling moet onderbouwen dat daarvan sprake is.
6.3
De rechtbank moet beoordelen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een 'fair balance' tussen het belang bij de uitoefening van het privéleven onderscheidenlijk het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid.
6.4
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen. Eiser wijst er terecht op dat de minister geen initiatieven heeft genomen om eiser uit Nederland te verwijderen, althans, dat blijkt niet uit het bestreden besluit. Dit is echter wel een factor die moet worden meegewogen in de belangenafweging. In Werkinstructie (WI) 2020/16 staat namelijk onder 10.3 dat in het geval sprake is van (zeer) langdurig (illegaal) verblijf in Nederland in de belangenafweging aandacht is voor het handelen van de overheid gedurende het verblijf van de vreemdeling in Nederland. In deze werkinstructie staat dat hij geldig was tot 2021, maar in de opvolger van deze werkinstructie, WI 2026/3, staat dat WI 2026/3 een actualisering is van WI 2020/16. Daaruit leidt de rechtbank af dat WI 2020/16 al die tijd heeft gegolden, en dus ook ten tijde van de totstandkoming van het bestreden besluit. De minister heeft er in het besluit, en ook ter zitting, op gewezen dat eiser meerdere keren een aanzegging heeft gekregen Nederland te verlaten. Daarmee is het handelen van overheid gedurende de periode van illegaal verblijf van eiser in Nederland echter onvoldoende bij de belangenafweging betrokken. De rechtbank heeft de minister ter zitting gevraagd op welke manier hij aan de terugkeer van eiser naar Azerbeidzjan heeft gewerkt maar de minister moest het antwoord daarop schuldig blijven. De rechtbank acht duidelijkheid hierover wel van belang. Niet alleen in het kader van de belangenafweging, zoals hiervoor is overwogen, maar ook in het kader van de vraag of terugkeer van eiser naar Azerbeidzjan überhaupt mogelijk is, wat van betekenis kan zijn voor de vraag of aan eiser een verblijfsvergunning moet worden verleend.
6.5
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiser niet is vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb. [11]
6.6
De rechtbank wijst eiser er ten overvloede op dat van verschillende bronnen die eiser in dit kader heeft aangehaald de vindplaats niet is genoemd, of dat deze bronnen niet zijn te vinden, zoals de minister in het verweerschrift terecht heeft opgemerkt. Het is aan eiser om duidelijk te maken waar de bronnen waar hij zich op beroept kunnen worden gevonden. Ook ligt het op zijn weg om, daar waar hij naar omvangrijke rapporten of stukken verwijst, specifiek aan te geven welke delen van die rapporten of stukken zijn standpunt ondersteunen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit, alleen al gelet op wat in rechtsoverweging 6.5 is geoordeeld, is genomen in strijd met de wet. [12] De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
8. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen, zoals eiser in beroep heeft gevraagd. Dit omdat het maken van een belangenafweging als waarvan in dit geval sprake is in eerste instantie aan de minister is en de rechtbank ook niet beschikt over de informatie die de minister in de belangenafweging had moeten betrekken maar niet heeft betrokken. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor 8 weken.
10. De rechtbank zal wat eiser verder heeft aangevoerd over het familieleven en het terugkeerbesluit onbesproken laten. Zoals hiervoor is geoordeeld moet de minister een nieuw besluit nemen. Daarbij zal hij moeten betrekken de feiten en omstandigheden die op dat moment bestaan, ook ten aanzien van het familieleven en het terugkeerbesluit. Daarnaast moet de minister beoordelen of terugkeer van eiser naar Azerbeidzjan in strijd is met het beginsel van non-refoulement. [13]
11. De rechtbank stelt vast dat dit de tweede keer is dat in de procedure die is begonnen met de aanvraag van 10 mei 2023 het beroep gegrond wordt verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank realiseert zich dat eiser dus al bijna 2 jaar wacht op een afronding van de procedure maar ziet in dit geval, gelet op wat hiervoor is overwogen, geen andere mogelijkheid dan de minister op te dragen opnieuw een besluit te nemen.
12. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard moet de minister de proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1868,00. [14]
13. Omdat eiser geen griffierecht heeft betaald, hoeft de minister geen griffierecht aan hem te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 18 juli 2025;
- draagt de minister op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. de Zwart, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
de rechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.In de diverse procedures die eiser heeft doorlopen zijn besluiten genomen door de rechtsvoorgangers van de minister van Asiel en Migratie. Voor de leesbaarheid van deze uitspraak zullen al deze rechtsvoorgangers worden aangeduid als minister.
2.NL24/15901.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Bureau Medische Advisering.
6.Vreemdelingencirculaire 2000.
7.Europees Hof voor de rechten van de mens.
8.zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2661, onder 3, en de arresten van het EHRM van 4 december 2012, Butt tegen Noorwegen, paragrafen 78, 79 en 80, ECLI:CE:ECHR:2012:1204JUD004701709, en 28 juli 2020, Pormes tegen Nederland, paragraaf 58, ECLI:CE:ECHR:2020:0728JUD002540214.
9.Afdeling 4 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1429, overweging 3.3.
10.Afdeling 30 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2327.
11.Vreemdelingenbesluit 2000.
12.Artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
13.Vgl. Hof van Justitie van de Europese Unie 17 april 2024, ECLI:EU:C:2024:892 en Afdeling 18 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6114.
14.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor van 1.