ECLI:NL:RVS:2020:2327
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- E. Steendijk
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM
De vreemdeling, van Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd om bij haar partner, een 78-jarige Nederlandse man met ernstige medische aandoeningen, te verblijven. De staatssecretaris wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro in het nadeel van de vreemdeling uitviel en vernietigde het besluit.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en voerde aan dat de rechtbank ten onrechte de bewijslast bij hem had gelegd en dat hij de belangenafweging wel degelijk deugdelijk had gemotiveerd. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de rechtbank terecht de leeftijd en medische situatie van de referent had betrokken, maar dat de vreemdeling onvoldoende bewijs had geleverd over de ontoegankelijkheid van noodzakelijke medische zorg in Marokko.
De staatssecretaris wees terecht op de noodzaak van bewijsstukken en verwees naar vaste rechtspraak en beleidsregels. Gelet hierop concludeerde de Afdeling dat de staatssecretaris de belangenafweging deugdelijk had gemotiveerd en dat de rechtbank ten onrechte de bewijslast bij de staatssecretaris had gelegd.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens werd het besluit van 30 juni 2020 vernietigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.