ECLI:NL:RBDHA:2026:19762

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37498
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, is op 17 februari 2026 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel vanaf 5 juni 2026, het moment waarop het eerdere onderzoek werd gesloten. Eiser stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde en dat er geen zicht was op uitzetting naar Tunesië binnen een redelijke termijn.

De rechtbank oordeelde dat er geen aanwijzingen zijn dat uitzetting binnen een redelijke termijn niet mogelijk is, mede omdat eiser geen aantoonbare inspanningen heeft geleverd om identificatiedocumenten te verkrijgen. Verweerder heeft regelmatig contact gehad met de Tunesische autoriteiten en voldoende voortvarend gehandeld.

Daarom is het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37498

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

Verweerder heeft op 17 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 14 juli 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2004 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. [1] Uit de uitspraak van 5 juni 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 5 juni 2026.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting en dat zicht op uitzetting op korte termijn ontbreekt.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat zicht op uitzetting naar Tunesië binnen een redelijke termijn ontbreekt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat niet is gebleken dat eiser tot op heden aantoonbare concrete inspanning heeft verricht om zijn identificerende documenten te verkrijgen, in het bijzonder de door eiser gestelde geboorteakte. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat de Tunesische autoriteiten ondanks een volledige medewerking van eiser niet bereid zijn om binnen afzienbare tijd een lp af te geven.
6. Uit het voortgangsrapport van 7 juli 2026 volgt dat verweerder op 23 juni 2026 voor het laatst een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Verder heeft verweerder regelmatig schriftelijk gerappelleerd aan de Tunesische autoriteiten. Het meest recente schriftelijke rappel dateert van 26 juni 2026. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser.
7. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 17 juli 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Uitspraken van 2 maart 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:4168), 25 maart 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:6488) en 5 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:15370).