ECLI:NL:RBDHA:2026:19770

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
12238330 RL EXPL 26-10316
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:653 BWArt. 7:625 BWArt. 6:119 BWArt. 254 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid concurrentie- en relatiebeding in arbeidsovereenkomst makelaar voor bepaalde tijd

De zaak betreft een geschil tussen een makelaarskantoor en een werknemer die een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd had met een concurrentie- en relatiebeding. De werknemer trad na afloop van het contract in dienst bij een concurrerend makelaarskantoor binnen het geografische werkgebied van het beding.

De werkgever vorderde staking van werkzaamheden en betaling van boetes wegens overtreding van de bedingen. De werknemer stelde dat de schriftelijke motivering van het concurrentie- en relatiebeding niet voldeed aan de hoge wettelijke eisen, waardoor de bedingen nietig of vernietigbaar zijn. Tevens vorderde zij loonbetaling.

De kantonrechter oordeelde dat de schriftelijke motivering onvoldoende concreet en specifiek was om het beding te rechtvaardigen. Er ontbrak een duidelijke beschrijving van de zwaarwegende bedrijfsbelangen en de concrete bedrijfsgevoelige informatie die bescherming behoefde. Daarom zullen de bedingen in een bodemprocedure waarschijnlijk worden vernietigd.

De vorderingen van de werkgever werden afgewezen. De werknemer kreeg een netto bedrag van €1.563,74 aan loon toegewezen, vermeerderd met wettelijke verhoging en rente wegens te late betaling. De werkgever werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen van de werkgever tot handhaving van het concurrentie- en relatiebeding worden afgewezen wegens onvoldoende schriftelijke motivering; de werknemer krijgt loonbetaling toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Locatie Den Haag
PV/c
Zaaknr.: 12238330 RL EXPL 26-10316
26 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter ex artikel 254 Rv Pro in de zaak van:
[partij A] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in (deels voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigden: mr. I.H. Castenmiller en mr. drs. P.S. Zweekhorst,
tegen
[partij B],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in (deels voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
gemachtigde: mr. I.R. Köhne.

1.Procedure

1.1.
De kantonrechter heeft kennis genomen van:
- de dagvaarding van 4 juni 2026 met producties 1 tot en met 8;
- de conclusie van antwoord tevens houdende (deels voorwaardelijke) eis in reconventie met producties 1 tot en met 3;
- de aanvullende producties 9 en 10 van [partij A] ;
- de aanvullende productie 4 van [partij B] ;
- de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 12 juni 2026 en de tijdens die behandeling door partijen overgelegde pleitnota’s.

2.Feiten

2.1.
[partij A] is een makelaarskantoor met vestigingen in [plaats 1] en [plaats 2] . Zij houdt zich bezig met de aan- en verkoop van woningen en bedrijfsonroerend goed in de regio Westland.
2.2.
[partij B] is op 17 maart 2025 voor de duur van twaalf maanden bij [partij A] in dienst getreden in de functie van makelaar/vastgoedadviseur. Artikel 10 van Pro de arbeidsovereenkomst bevat een concurrentie- en relatiebeding, dat – voor zover hier relevant – als volgt luidt:
“10.1. De werknemer zal zich gedurende een periode van 12 maanden na het einde van de dienstbetrekking (…) ervan onthouden, op welke wijze dan ook werkzaamheden te verrichten voor of ten behoeve van (…) bij de werkgever bestaande relaties of cliënten, of deze op welke wijze dan ook te benaderen ten behoeve van een nieuwe dienstbetrekking en/of eigen onderneming.
(…)
10.3.
Het is de werknemer zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever niet toegestaan, binnen een periode van 12 maanden na het einde van deze arbeidsovereenkomst, werkzaamheden te verrichten voor een onderneming of instelling, behorende tot dezelfde c.q. vergelijkbare branche als die waarin de werkgever direct of indirect actief is, ten tijde van de beëindiging van het dienstverband (…)
10.4.
Voornoemde bedingen zijn beperkt tot de gemeente Westland, Hoek van Holland, Wateringse Veld en Maassluis.
(…)
10.6.
Werkgever heeft belang bij de opname van de bedingen genoemd in dit artikel, in verband met het feit dat de werknemer een functie bekleedt waarbij hij in aanraking komt met en kennis neemt van bedrijfsgevoelige informatie, relatiebestanden e.d. Aangezien er in het Westland een groot aantal (concurrerende) makelaarskantoren actief is, is het hebben en behouden van relaties van groot belang om de continuiteit van de onderneming te waarborgen. De werkgever zou grote schade kunnen lijden indien een voormalig werknemer met deze kennis van de cliënten ten behoeve van zichzelf of een concurrent, eventuele relaties zou benaderen. Werkgever heeft een zwaarwichtig belang bij het beschermen van deze informatie. (…)”
2.3.
[partij B] heeft eind december 2025/begin januari 2026 aan [partij A] aangegeven haar arbeidsovereenkomst niet te willen verlengen.
2.4.
[partij B] heeft [partij A] op 2 maart 2026 per e-mail gevraagd wanneer zij de afrekening kan verwachten. [partij A] heeft daarop dezelfde dag geantwoord dat [partij B] over 2025 recht heeft op een bonus van € 3.900,- bruto, waarop nog een bedrag van € 3.612,79 aan studiekosten in mindering dient te worden gebracht.
2.5.
De arbeidsovereenkomst van [partij B] is per 16 maart 2026 van rechtswege geëindigd. [partij B] is met ingang van 17 maart 2026 in dienst getreden bij [bedrijfsnaam] (hierna: [bedrijfsnaam] ). [bedrijfsnaam] is een makelaarskantoor met vestigingen in Delft, Den Haag en het Westland ( [plaats 3] ). [partij B] is gaan werken op de vestiging van [bedrijfsnaam] in [plaats 3] .
2.6.
[partij A] heeft [partij B] op 15 april 2026 per brief bericht dat haar indiensttreding bij de vestiging van [bedrijfsnaam] in [plaats 3] onder het bereik van het concurrentiebeding valt en haar gesommeerd om zich te onthouden van verdere overtredingen. Daarbij heeft [partij A] [partij B] erop gewezen dat zij op grond van artikel 12 van Pro de arbeidsovereenkomst een boete verbeurt van € 7.500,-, te vermeerderen met € 750,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt.

3.Geschil

In conventie
3.1.
[partij A] vordert om [partij B] te veroordelen om (verkort en anders weergegeven):
I. haar werkzaamheden bij de vestiging [plaats 3] van [bedrijfsnaam] en haar werkzaamheden voor bestaande relaties of cliënten van [partij A] voor [bedrijfsnaam] te staken en gestaakt te houden totdat de in het concurrentie- respectievelijk het relatiebeding opgenomen termijn is geëindigd en/of in een bodemprocedure een onherroepelijke beslissing zal zijn gegeven over de geldigheid en omvang van deze bedingen, op straffe van een dwangsom;
II. de verplichtingen uit artikel 10.1, 10.3 en 10.4 van de arbeidsovereenkomst na te komen, dan wel totdat in een bodemprocedure een onherroepelijke beslissing zal zijn gegeven over de geldigheid en omvang van deze artikelen;
III. aan [partij A] (bij wijze van voorschot) € 50.000,- (of een in goede justitie te bepalen bedrag) te betalen aan verbeurde boetes voor overtreding van de bedingen;
IV. de proceskosten te betalen.
3.2.
[partij A] legt aan haar vordering – samengevat – het volgende ten grondslag. Met haar indiensttreding bij de vestiging van [bedrijfsnaam] in [plaats 3] handelt [partij B] in strijd met het concurrentiebeding. Zoals blijkt uit de schriftelijke motivering die in het beding is opgenomen, heeft [partij A] een zwaarwegend belang bij handhaving daarvan. In haar functie van makelaar/vastgoedadviseur en in het bijzonder na haar promotie in oktober 2025 tot MT-lid heeft [partij B] kennis opgedaan van bedrijfsgevoelige informatie, waaronder courtagestructuren en relatiebestanden. Daarnaast is zij geïntroduceerd bij ruim 150 opdrachtgevers, klanten en overige relaties. De aldus opgedane kennis en dit netwerk kan zij bij [bedrijfsnaam] in [plaats 3] benutten om relaties in hetzelfde gebied en op dezelfde markt te benaderen. Het is reeds voorgekomen dat [partij A] door [partij B] opdrachten aan [bedrijfsnaam] is kwijtgeraakt doordat [bedrijfsnaam] een gunstiger courtage hanteerde. [partij B] heeft niet alleen het concurrentie-, maar ook het relatiebeding overtreden, bij de handhaving waarvan [partij A] eveneens een zwaarwegend belang heeft. Omdat [partij A] reeds nadeel ondervindt van de overtreding van zowel het concurrentie- als het relatiebeding, dient [partij B] een voorschot op de reeds verbeurde boetes te betalen. Omdat bovendien niet aannemelijk is dat [partij B] de bedingen zal nakomen, dient aan de veroordelingen een dwangsom te worden verbonden.
3.3.
[partij B] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [partij A] in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [partij A] in de proceskosten. Op de stellingen van [partij B] wordt bij de beoordeling – voor zover relevant – nader ingegaan.
In (deels voorwaardelijke) reconventie
3.4.
[partij B] vordert (verkort en anders weergegeven):
( i) voorwaardelijk, namelijk onder de voorwaarde dat het concurrentiebeding voorshands geldig wordt geacht, om het concurrentiebeding te schorsen;
( ii) onvoorwaardelijk, om [partij A] te veroordelen tot betaling van het salaris over maart 2026 van € 2.125,- bruto en het vakantiegeld van € 4.080,- bruto, beide vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% en met de wettelijke rente vanaf 1 april 2026;
( iii) om [partij A] te veroordelen in de proceskosten.
3.5.
[partij B] baseert haar vorderingen op het volgende. De schriftelijke motivering bij het concurrentiebeding voldoet niet aan de hoge eisen die daarvoor gelden. Daarnaast wordt [partij B] door het concurrentiebeding onbillijk benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van [partij A] . [partij B] was in haar functie niet op de hoogte van relevante commerciële informatie of van unieke werkprocessen of -strategieën van [partij A] . Evenmin heeft zij na haar vertrek contact gehad met klanten van [partij A] . Daarnaast heeft [partij A] zelf voorgesteld dat [partij B] werkzaamheden zou verrichten op de locatie Wateringse Veld, die binnen de geografische reikwijdte van het concurrentiebeding valt. Dit is niet te rijmen met haar standpunt dat het beding noodzakelijk is ter bescherming van concurrentiegevoelige belangen. Voorts heeft [partij B] een zwaarwegend belang om bij [bedrijfsnaam] in [plaats 3] werkzaam te zijn. Zij heeft een binding met het Westland en het volledige pakket aan arbeidsvoorwaarden bij [bedrijfsnaam] is gunstiger. Binnen de organisatiestructuur van [bedrijfsnaam] is het bovendien niet mogelijk om op een andere locatie werkzaam te zijn. Er bestaat dan ook voldoende grond om het concurrentiebeding te vernietigen en, vooruitlopend daarop, te schorsen. [partij A] heeft daarnaast niet aan al haar financiële verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst voldaan.
3.6.
[partij A] vraagt om de vorderingen van [partij B] af te wijzen, met veroordeling van [partij B] in de kosten van deze procedure. Op de stellingen van [partij A] wordt hieronder – voor zover van belang – nader ingegaan.

4.Beoordeling

In conventie
Spoedeisend belang en toetsingskader
4.1.
Een vordering in kort geding is slechts toewijsbaar indien sprake is van een spoedeisend belang. Daarvan is in dit geval sprake. [partij B] is reeds enige tijd werkzaam voor [bedrijfsnaam] in [plaats 3] en het kan van [partij A] , die zich op het standpunt stelt dat [partij B] het concurrentie- en relatiebeding overtreedt, niet worden verlangd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht om duidelijkheid te verkrijgen over de geldigheid van de bedingen. De overige vorderingen worden aangemerkt als nevenvorderingen die nauw samenhangen met de gevorderde nakoming van het concurrentie- en relatiebeding, waartoe vordering I in feite strekt. Ten aanzien van die vorderingen wordt daarom een spoedeisend belang aangenomen.
4.2.
Voor toewijzing van een vordering in kort geding is plaats indien er sprake is van een grote mate van waarschijnlijkheid dat die toewijzing in overeenstemming zal zijn met een oordeel in een bodemprocedure. De kantonrechter dient daarom te beoordelen of de vordering van [partij A] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat vooruitlopend daarop de toewijzing reeds nu gerechtvaardigd is.
Juridisch kader
4.3.
[partij B] stelt zich primair op het standpunt dat het concurrentiebeding nietig, althans vernietigbaar is omdat het niet voldoet aan de motiveringseisen die artikel 7:653 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt aan een concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
4.4.
Artikel 7:653 BW Pro stelt in lid 1 als uitgangspunt dat een beding tussen de werkgever en de werknemer, waarbij de werknemer wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de overeenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn (zoals met een concurrentie- en relatiebeding het geval is) slechts geldig kan worden overeengekomen indien het schriftelijk is aangegaan met een meerderjarige werknemer en de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is gesloten. Aldus geldt als hoofdregel dat in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in beginsel geen geldig concurrentie- en relatiebeding kan worden overeengekomen. [1] Op deze hoofdregel wordt in lid 2 van artikel 7:653 BW Pro een uitzondering toegelaten indien het betreffende beding in de arbeidsovereenkomst zelf is voorzien van een schriftelijke motivering waaruit blijkt dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen van de werkgever.
4.5.
Aan die schriftelijke motivering worden hoge eisen gesteld. Uit de motivering moet blijken welke zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen aan het beding ten grondslag liggen en waarom deze belangen het opnemen van een concurrentie- of relatiebeding noodzakelijk maken, waarbij per geval een concrete afweging en een deugdelijke motivering nodig is. Die motivering moet gelijktijdig met het aangaan van het beding plaatsvinden en aan de werknemer kenbaar worden gemaakt. In de wet staat niet wat onder ‘zwaarwegende bedrijfsbelangen’ moet worden verstaan, maar uit de wetsgeschiedenis blijkt dat daarbij onder meer kan worden gedacht aan situaties waarin een werknemer beschikt over specifieke kennis of bedrijfsinformatie en de werkgever onevenredig wordt benadeeld wanneer die werknemer overstapt naar een concurrent. [2] Een algemene omschrijving van het belang van de werkgever volstaat daarom niet. Bij de beoordeling staat uitsluitend de schriftelijke motivering bij het beding centraal. Die motivering fixeert het toetsingskader van de rechter. Beslissend is immers of hetgeen op schrift is gesteld het overeenkomen van een concurrentie- en relatiebeding in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan rechtvaardigen. Ontbreekt een schriftelijke motivering, dan is het beding nietig. Indien wel een motivering is opgenomen, maar deze niet aan de wettelijke eisen voldoet en dus gebrekkig is, dan is het beding vernietigbaar.
4.6.
Nu [partij A] zich beroept op de uitzondering van artikel 7:653 lid 2 BW Pro, ligt het op haar weg om voldoende aannemelijk te maken dat het in de arbeidsovereenkomst met [partij B] opgenomen concurrentie- en relatiebeding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfsbelangen en dat de daartoe in de arbeidsovereenkomst opgenomen motivering een toereikende rechtvaardiging ervan inhoudt. Naar het oordeel van de kantonrechter is zij daarin niet geslaagd.
Schriftelijke motivering van het concurrentiebeding
4.7.
Ten aanzien van het concurrentiebeding in artikel 10.3 van de arbeidsovereenkomst is in artikel 10.6 een motivering opgenomen die in zekere mate ingaat op de noodzaak daarvan vanwege zwaarwegende bedrijfsbelangen als bedoeld in artikel 7:653 lid 2 BW Pro. In de eerste zin van die motivering wordt namelijk gewezen op het belang van [partij A] bij bescherming van bedrijfsgevoelige informatie en relatiebestanden, omdat [partij B] daarmee in haar functie in aanraking zou komen. De daaropvolgende zinnen bevatten echter geen dragende motivering voor het concurrentiebeding. Daarin wordt immers het belang van het behoud van relaties benadrukt en gewezen op mogelijke schade indien met kennis van deze cliënten relaties worden benaderd. Dat ziet veeleer op het relatiebeding, hetgeen als een van het concurrentiebeding afzonderlijk beding moet worden beschouwd.
4.8.
De motivering in de eerste zin van het zwaarwegende bedrijfsbelang ter bescherming waarvan het concurrentiebeding is opgenomen, is niet toereikend. In die motivering wordt niet duidelijk gemaakt welke concrete gevoelige bedrijfsinformatie [partij B] in haar functie zal opdoen en evenmin welke concrete bedrijfsinformatie [partij A] onevenredig zou schaden bij indiensttreding van [partij B] bij een concurrent. [partij A] stelt dat het in de makelaardij draait om het verwerven en behouden van relaties door te concurreren op courtages en dienstverlening. Op basis van deze en overige stellingen lijkt het [partij A] met name te doen te zijn om de bescherming van kennis over de hoogte van de door haar gehanteerde (minimum)courtage en daarmee haar concurrentiepositie, maar die kennis wordt in de motivering niet als bedrijfsgevoelige informatie gespecificeerd. Juist omdat de schriftelijke motivering het toetsingskader bepaalt, had een dergelijke concretisering daarin niet mogen ontbreken. Die motivering maakt daarnaast niet inzichtelijk welke relatiebestanden concreet bescherming behoeven. Zo is in de motivering bijvoorbeeld niet toegelicht of het uitsluitend gaat om relatiebestanden in de particuliere woningmarkt of in de bedrijfsonroerendgoedmarkt. Uit de onweersproken stelling van [partij B] dat zij uitsluitend werkzaam was in de aan- en verkoop van woningen, volgt reeds dat geen sprake is van een specifiek op [partij B] toegespitste afweging en bijpassende specifieke motivering.
Schriftelijke motivering van het relatiebeding
4.9.
Ten aanzien van het relatiebeding in artikel 10.1 van de arbeidsovereenkomst is in artikel 10.6 een uitgebreidere motivering opgenomen dan voor het concurrentiebeding. Van een motivering die voldoet aan de daaraan te stellen hoge eisen is in het onderhavige geval echter geen sprake. Zoals hiervoor is overwogen, maakt de motivering niet duidelijk met welke concrete bedrijfsgevoelige informatie [partij B] in haar functie bekend zou raken en welke relaties of relatiebestanden concreet bescherming behoeven. Weliswaar wordt vermeld dat in het Westland veel makelaarskantoren actief zijn, dat het hebben en behouden van relaties daarom van groot belang is en dat schade kan ontstaan indien met kennis van deze cliënten relaties worden benaderd, maar een concretisering en specificatie van de te beschermen relaties ontbreekt. [partij A] heeft ter zitting toegelicht dat onder relaties niet alleen particuliere woningzoekenden en -aanbieders moeten worden verstaan, maar dat daaronder ook vallen contacten zoals notarissen en bouwkundige adviseurs in het Westland en dat het relatiebeding met name strekt tot bescherming van het door [partij B] opgebouwde netwerk binnen deze Westlandse makelaardij. Deze toelichting is echter niet terug te vinden in de schriftelijke motivering zelf, terwijl hiermee juist concreter wordt dat en waarom het opgebouwde netwerk binnen de Westlandse makelaardij bij einde dienstverband afgeschermd dient te worden van een andere makelaar die actief is in dezelfde regio en waaruit dat netwerk specifiek bestaat.
Conclusie
4.10.
Uit het voorgaande volgt dat aannemelijk is dat zowel het concurrentie- als het relatiebeding in een bodemprocedure niet de toets met betrekking tot de vraag of voldaan is aan het motiveringsvereiste als bedoeld in artikel 7:653 lid 2 BW Pro zullen doorstaan en dat de bodemrechter de betreffende bedingen zal vernietigen. Daarmee wordt niet toegekomen aan de beoordeling van de vraag of de bedingen daadwerkelijk noodzakelijk zijn vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen en of [partij B] daardoor onbillijk wordt benadeeld, als in artikel 7:653 lid 3 sub a en Pro b BW bedoeld. Aan die beoordeling wordt immers pas toegekomen indien sprake is van geldig overeengekomen bedingen.
Voorshands is de kantonrechter van oordeel dat dat niet het geval is. De vorderingen van [partij A] , die alle uitgaan van en zijn gebaseerd op het bestaan van een rechtsgeldig met [partij B] overeengekomen concurrentie- en relatiebeding, zullen in dit kort geding daarom worden afgewezen.
In (deels voorwaardelijke) reconventie
Voorwaardelijke vordering tot schorsing
4.11.
Nu het concurrentiebeding voorshands ongeldig wordt geacht, is de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering tot schorsing van dat beding is ingesteld niet vervuld. Deze vordering behoeft daarom geen verdere beoordeling.
Onvoorwaardelijke loonvordering
4.12.
[partij B] heeft een spoedeisend belang bij haar onvoorwaardelijke eis in reconventie, omdat het gaat om een loonvordering die naar zijn aard een spoedeisend karakter heeft. [partij A] heeft het bestaan van een spoedeisend belang ook niet weersproken.
4.13.
[partij A] heeft onder verwijzing naar een specificatie toegelicht dat [partij B] over maart 2026 recht heeft op een bedrag van € 3.253,47 netto, inclusief vakantiegeld. Omdat het bedrag aan overgenomen studiekosten (€ 3.612,79) dit bedrag overstijgt, heeft [partij A] over maart 2026 geen salaris aan [partij B] uitbetaald. [partij A] heeft voorts toegelicht dat bij deze berekening geen rekening is gehouden met de bonus over 2025, waarop [partij B] volgens haar recht heeft, ter hoogte van € 3.900,- bruto. [partij A] heeft aangegeven bereid te zijn deze bonus alsnog uit te betalen. In dat geval resteert volgens [partij A] een bedrag van € 1.563,74 netto dat nog aan [partij B] dient te worden voldaan.
4.14.
Niet in geschil is dat [partij B] over 2025 recht heeft op het genoemde bonusbedrag en dat zij het genoemde bedrag aan studiekosten nog aan [partij A] verschuldigd was. In plaats van de studiekosten in mindering te brengen op de bonus (zoals aangekondigd bij e-mail van 2 maart 2026), heeft [partij A] ervoor gekozen de studiekosten in mindering te brengen op de som van het nettoloon over maart 2026 en het netto vakantiegeld. [partij B] heeft onvoldoende gemotiveerd aangevoerd dat het door [partij A] gehanteerde netto totaalbedrag onjuist is en ook dat de door [partij A] gemaakte berekening, die uitkomt op een nog aan haar verschuldigd bedrag van € 1.563,74 netto, onjuist is. Bij deze stand van zaken wordt uitgegaan van de juistheid van die berekening. Het bedrag van € 1.563,74 netto zal daarom worden toegewezen.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente
4.15.
Artikel 7:625 lid 1 BW Pro geeft de werknemer een aanspraak op een bepaalde verhoging van zijn loon indien de werkgever dat niet op tijd betaalt. Onder loon in de zin van deze bepaling valt ook een bonusuitkering. Omdat [partij A] het toe te wijzen bedrag (nog) aan [partij B] moet voldoen, staat vast dat sprake is van een te late betaling en [partij B] aanspraak heeft op de wettelijke verhoging. De kantonrechter ziet geen aanleiding deze verhoging te matigen. Daarbij is van belang dat [partij A] blijkens haar e-mail van 2 maart 2026 ermee bekend was dat [partij B] recht had op de bonus. Waarom uitbetaling daarvan desondanks is uitgebleven, is onvoldoende toegelicht.
4.16.
Naast de wettelijke verhoging is [partij A] op grond van artikel 6:119 BW Pro ook wettelijke rente verschuldigd over het te laat betaalde bedrag aan loon c.q. bonus. Nu daartegen verder ook geen verweer is gevoerd, wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf 1 april 2026, zoals gevorderd.
In conventie en in reconventie
4.17.
[partij A] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Het instellen van de onvoorwaardelijke vordering in reconventie had bovendien kunnen worden voorkomen indien [partij A] de bonus tijdig had uitgekeerd. De proceskosten in reconventie komen daarom eveneens voor haar rekening.
4.18.
De proceskosten van [partij B] in conventie worden begroot op € 865,- aan salaris gemachtigde en in reconventie op € 577,- aan salaris gemachtigde. De nakosten worden vastgesteld op € 144,- (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing).

5.Beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding,
In conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [partij A] af;
5.2.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 865,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en bepaalt dat als [partij A] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, zij ook de kosten van betekening moet betalen;
In reconventie
5.3.
verstaat dat de voorwaardelijke vordering van [partij B] geen beoordeling behoeft;
5.4.
veroordeelt [partij A] tot betaling aan [partij B] van € 1.563,74 netto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en met de wettelijke rente vanaf 1 april 2026 tot de dag van algehele betaling;
5.5.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 577,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en bepaalt dat als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, zij ook de kosten van betekening moet betalen;
In conventie en in reconventie
5.6.
veroordeelt [partij A] in de nakosten van € 144,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.7.
verklaart de veroordelingen bij 5.2., 5.4., 5.5. en 5.6. uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. A.J. Japenga en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2026.

Voetnoten

1.Volgens de wetgever weegt het belang van de werkgever in een dergelijke situatie niet op tegen het belang van de werknemer om na ommekomst van de overeengekomen tijd zonder beperkingen elders emplooi te vinden. Zie