Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.J. de Lange, griffier.
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Bulgarije volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 behandeld en beoordeelt dat de minister niet onzorgvuldig heeft gehandeld door gebruik te maken van een standaardvoornemen. De minister heeft voldoende gemotiveerd waarom Bulgarije verantwoordelijk is en waarom de aanvraag niet op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in behandeling wordt genomen.
Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast mag worden vanwege recente verslechteringen in Bulgarije, zoals blijkt uit een AIDA-updaterapport van mei 2026. De rechtbank oordeelt dat dit rapport geen aanleiding geeft tot een andere conclusie dan eerdere rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is vastgesteld dat er geen reëel risico is op onmenselijke of vernederende behandeling bij overdracht naar Bulgarije.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt. De uitspraak is gedaan door rechter Y. Yeniay - Cenik en griffier J. de Lange.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.