ECLI:NL:RBDHA:2026:20082

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.20488
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000DublinverordeningEU Handvest artikel 4VluchtelingenverdragEVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Kroatië

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 behandeld en beoordeelt of de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met recente landeninformatie, waaronder het AIDA-rapport 2025 update, en jurisprudentie over pushbacks en opvangomstandigheden in Kroatië.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft vastgesteld dat Kroatië verantwoordelijk is en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel nog steeds geldt. De aangevoerde informatie en jurisprudentie leiden niet tot het oordeel dat er sprake is van structurele of fundamentele tekortkomingen die een schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest veroorzaken. Ook de door eiser overgelegde documenten en zijn eigen ervaringen in Kroatië zijn onvoldoende om het vertrouwen in Kroatië te doorbreken.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20488

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S.H. de Vries).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld tezamen met zaak NL26.20489. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om overname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Heeft eiser procesbelang?
5. De minister heeft de rechtbank bij bericht van 3 juni 2026 laten weten dat eiser uit de opvang is vertrokken, en dat hij geen contact meer heeft gezocht met de Nederlandse autoriteiten. De minister heeft de rechtbank verzocht te beoordelen of eiser nog procesbelang heeft bij onderhavige procedure. De gemachtigde van eiser heeft daarop bij bericht van 12 juni 2026 laten weten geen contact meer te hebben met eiser, maar is daarop bij bericht van 19 juni 2026 teruggekomen met de mededeling dat hij weer contact heeft met eiser en dat zowel eiser als zijn gemachtigde ter zitting zullen verschijnen.
5.1.
Omdat eiser en zijn gemachtigde weer contact met elkaar hebben gekregen en eiser en zijn gemachtigde ook aanwezig waren op zitting ziet de rechtbank geen reden voor het oordeel dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op internationale bescherming in Nederland. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 4 juli 2024. [2] De rechtbank neemt daarom procesbelang aan.
Mag de minister ten aanzien van Kroatië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6. Eiser betoogt dat de minister in het bestreden besluit niet kenbaar het meest recente AIDA Country Report: Croatia, 2024-update van augustus 2025 (het AIDA-rapport 2024 update) heeft betrokken. Eiser wijst op een uitspraak van de Afdeling van 4 april 2024 [3] , waaruit volgens eiser blijkt dat de minister uit eigen beweging rekening moet houden met hem bekende landeninformatie, waaronder dus het meest recente AIDA-rapport 2025 update met een publicatiedatum van na de meest recente uitspraak van de Afdeling over het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Verder had de minister volgens eiser het arrest Y.K. tegen Kroatië bij de besluitvorming moeten betrekken. [4] Eiser wijst verder op rechtspraak waarin aandacht is voor de pushbackproblematiek ten aanzien van Kroatië. Eiser wijst op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 21 oktober 2024 en een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 18 november 2021 (MH). [5] Eiser wijst erop dat Kroatië tot op heden nog onder toezicht staat van het Committee of Ministers van de Raad van Europa.
6.1.
Uit het AIDA-rapport 2024-update volgt volgens eiser dat niet alleen in de grenzen, maar ook in Zagreb nog pushbacks kunnen plaatsvinden. [6] Eiser zal de bepalingsprocedure in moeten nu hij nog geen asielaanvraag heeft gedaan in Kroatië. Eiser loopt naar eigen zeggen risico op pushbacks nu hij bij de grenspolitie een aanvraag zal moeten doen terwijl diezelfde grenspolitie verantwoordelijk is voor de pushbacks. [7] Eiser wijst er verder op dat uit het AIDA-rapport ook volgt dat de opvangomstandigheden onvoldoende zijn. Eiser wijst op een uitspraak van de ombudsvrouw in het AIDA-rapport waaruit blijkt dat een systematische aanpak nodig is op het gebied van hygiëne, gezondheid en veiligheidsrisico’s. [8] Volgens eiser kan zelfs sprake zijn van represailles als er in Kroatië aandacht wordt gevraagd voor deze opvangomstandigheden. [9] Eiser heeft kort voorafgaand aan de zitting bekendgemaakt dat hij op eigen initiatief naar Kroatië is gereisd, omdat dit volgens hem moest van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). Aldaar is hem naar eigen zeggen te kennen gegeven dat hij het land weer moest verlaten en dat hij geen asielaanvraag kon indienen. Eiser heeft een tweetal foto’s overgelegd van niet vertaalde documenten in het Arabisch waarvan hij betoogt dat deze afkomstig zijn van de Kroatische autoriteiten. Eiser ziet hierin steun voor zijn betoog dat hij door de Kroatische autoriteiten zal worden weerhouden een asielaanvraag in te dienen.
7. Bij de beoordeling van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling in een van de lidstaten ingediend asielverzoek, mag de minister uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van de vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dit is het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister mag een vreemdeling echter niet overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat als hij niet onkundig kan zijn van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in dat land waardoor eiser een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het EU Handvest. De minister moet bij zijn beoordeling alle informatie betrekken die eiser heeft ingebracht en ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij kennis heeft. [10] Als blijkt van tekortkomingen die structureel of fundamenteel zijn, moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om tot een schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest te leiden. [11] Niet iedere schending van een grondrecht door de verantwoordelijke lidstaat heeft onder de Dublinverordening gevolgen voor de verplichtingen van de overige lidstaten. [12]
8. Het betoog van eiser slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Kroatië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
8.1.
De minister heeft zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat het AIDA-rapport 2025 update ten opzichte van voorgaande versies geen wezenlijk ander beeld geeft dan voorgaande versie (AIDA-rapport 2023 update), waarover de Afdeling al heeft geoordeeld. [13] De minister heeft in dat kader terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2025. [14] In deze uitspraak wordt de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 11 november 2025 bevestigd, waaruit – kort gezegd - volgt dat ten aanzien van Kroatië nog kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat het AIDA-rapport 2025 update geen wezenlijk ander beeld schetst dan de voorgaande versie. [15] De rechtbank volgt daarom niet het betoog van eiser dat uit het AIDA-rapport 2025 update zou volgen dat de gebrekkige hygiëne, gezondheidszorg en veiligheidsrisico’s leiden tot structurele of fundamentele tekortkomingen in de asielprocedure. De rechtbank volgt ook niet de verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, nu die zaak ging over een vreemdeling die in bewaring is gesteld en een schadevergoeding vordert, en de rechtbank bovendien expliciet niet de rechtmatigheid van de overdracht toetst. Eisers verwijzing naar het MH-arrest kan hem niet baten, nu eiser met deze verwijzing niet in zijn individuele geval aannemelijk maakt dat hij slachtoffer zal worden van een pushback.
8.2.
De minister heeft zich voorts terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn aankomst in Kroatië, de mededeling van de Kroatische autoriteiten dat hij binnen een week het land moest verlaten en de documenten die hij naar eigen zeggen van de Kroatische autoriteiten heeft meegekregen niet kunnen leiden tot de conclusie dat ten aanzien van Kroatië niet langer mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Nog los van de omstandigheid dat de authenticiteit van eisers betoog en de documenten niet kunnen worden geverifieerd, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het risico op een door hem beschreven behandeling zich ook zal voordoen na zijn gereguleerde overdracht aan Kroatië als Dublinclaimant. Met het betoog van eiser en met de verwijzing naar de niet-vertaalde foto’s van documenten heeft eiser aldus niet aannemelijk gemaakt dat hij na aankomst in Kroatië, als gevolg van een gereguleerde overdracht, in het bijzonder als Dublinterugkeerder slachtoffer zal worden van een pushback. De rechtbank wijst in dit kader op de uitspraak van de Afdeling van 18 april 2025 en de daaraan ten grondslag liggende uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 12 maart 2025. [16] Eisers verwijzing naar het arrest Y.K. tegen Kroatië gaat gezien het voorgaande niet op. Dat arrest gaat over een vreemdeling die illegaal inreisde, en niet over een gereguleerde Dublinoverdracht.
8.3.
De rechtbank merkt verder op dat eiser bovendien niet of nauwelijks kan putten uit eigen ervaringen met de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Kroatië omdat hij daar blijkens EURODAC-gegevens op 8 januari 2025 een asielaanvraag heeft ingediend en al op 13 januari 2025 in Slovenië een asielaanvraag heeft gedaan. Eiser heeft dus maar een zeer korte tijd (ongeveer vier dagen) in Kroatië verbleven. Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij – als Kroatië zich niet houdt aan zijn internationale verplichtingen jegens eiser – daarover niet kan klagen in Kroatië bij de (hogere) autoriteiten en/of de rechterlijke instanties. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Kroatische autoriteiten door het accepteren van het claimverzoek hebben toegezegd eiser te zullen behandeling conform de op Kroatië rustende internationale verplichtingen. Eisers verwijzing naar de ondertoezichtstelling van het Committee of Ministers is te algemeen om aan dit uitgangspunt te kunnen afdoen.
8.4.
Eiser heeft verder naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de minister onvoldoende rekening heeft houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij ten tijde van de besluitvorming kennis had of had moeten hebben. Bij dit oordeel is mede van belang dat eiser, zoals volgt uit voorgaande, ook met verwijzing naar jurisprudentie en landeninformatie, niet aannemelijk heeft kunnen maken dat in Kroatië sprake is van structurele en fundamentele problemen in de asielprocedure of opvangvoorzieningen, zodat de minister niet kan worden verweten dat hij daarvan onkundig was zoals bedoeld in het hiervoor onder 7. weergegeven kader. Ter zitting is overigens duidelijk geworden dat eisers zienswijze en het bestreden besluit elkaar hebben gekruist, zodat de minister met het door eiser in zijn zienswijze aangehaalde geen rekening heeft kunnen houden. Het kan de minister daarom ook niet worden verweten dat hij de door eiser in de zienswijze aangehaalde landeninformatie en rechtspraak niet expliciet in de besluitvorming heeft opgenomen en beschreven.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van eisers asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.ECLI:NL:RVS:2024:2662, rechtsoverweging (r.o.) 2.7.
4.Zie het arrest van het EHRM van 17 juli 2025, no. 38776/21 (Y.K. tegen Kroatië).
5.ECLI:NL:RBDHA:2024:17485 en EHRM, nos. 15670/18 and 43115/18.
6.Pagina 29 en 30.
7.Pagina 61.
8.Pagina 61.
9.Pagina 100 en 101.
10.Dit toetsingskader volgt uit HvJEU 29 februari 2024 (arrest X.), ECLI:EU:C:2024:195, en ABRvS 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455.
11.EHRM 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609 (M.S.S. tegen België en Griekenland), overweging 263, en HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), punten 91-93.
12.Arrest van het EHRM van 2 juli 2020, ECLI:CE:ECHR:2020:0702JUD002882013 (N.H.), punt 82.
13.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037.
15.Zaaknummer NL25.46277 (niet gepubliceerd).