ECLI:NL:RBDHA:2026:20106

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
23/3645
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet bpmArt. 8 Uitvoeringsregeling bpmArt. 110 VWEUArt. 267 VWEUArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag bpm wegens onjuiste waardering en proceskostenvergoeding

Eiseres diende een aangifte bpm in voor een gebruikte BMW Coupé M2 geïmporteerd uit België. Verweerder legde een naheffingsaanslag op wegens een hogere waardering van de auto, gebaseerd op een koerslijst en een taxatierapport dat niet voldeed aan wettelijke eisen. Eiseres betwistte de aanslag en voerde onder meer schending van het verdedigingsbeginsel en het hoorrecht aan.

De rechtbank oordeelde dat het taxatierapport onvoldoende onderbouwd was en dat verweerder terecht een hogere bpm naheffingsaanslag oplegde. De rechtbank verwierp de stellingen van eiseres over schending van het Unierecht en het verdedigingsbeginsel, en bevestigde dat de hoorplicht niet was geschonden omdat eiseres niet op uitnodigingen tot hoorgesprekken was ingegaan.

De rechtbank stelde vast dat de proceskostenvergoeding in bezwaar te laag was toegekend en verhoogde deze conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat het financiële belang onvoldoende was onderbouwd. De naheffingsaanslag werd vernietigd en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de naheffingsaanslag bpm vernietigd en proceskostenvergoeding toegekend, terwijl het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/3645

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 29 april 2022 een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd ter hoogte van € 7.285. Er is daarbij geen belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 april 2023 het bezwaar gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij voor het indienen van het bezwaarschrift € 296 aan forfaitaire proceskosten vergoed.
Eiseres heeft daartegen beroep ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2026. Op verzoek van partijen heeft de zitting digitaal plaatsgevonden via een MS Teams-verbinding (te weten een geluidsverbinding met beeld). Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
[naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres heeft een aangifte bpm ingediend, met dagtekening 27 september 2021, met het oog op de registratie in het kentekenregister van een gebruikte BMW Coupé M2 DCT Competition uit de België met een voertuigidentificatienummer eindigend op [nummer] (hierna: de auto). De registratie is op 5 oktober 2021 voltooid door tenaamstelling van het Nederlandse kenteken [kenteken] . De auto is op 27 september 2021 goedgekeurd door de Rijksdienst Wegverkeer (RDW).
2. In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld:
Datum eerste toelating
20-12-2018
CO2-uitstoot
221 gr/km WLTP
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 55.628
Bruto bpm
€ 28.042
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 101.428
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 23.992
Verschuldigde bpm
€ 6.631
3. Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van SEK Automotive Solutions, door [naam 4] ondertekend. Daarin is vermeld dat de auto fysiek is opgenomen op
27 september 2021 tussen 11:00 tot 11:30 uur te Rotterdam. Verder is daarin vermeld dat de auto in onbeschadigde staat een handelsinkoopwaarde heeft van € 32.475,73 (waarde herleid aan de hand van referentievoertuigen) en dat van die waarde een deel van de reparatiekosten is afgetrokken, die zijn bepaald op € 8.483,02 inclusief btw. Bij het taxatierapport is geen inkoopfactuur of inkoopverklaring van de auto gevoegd.
4. Verweerder verwerpt het door eiseres gehanteerde taxatierapport. Daartoe is onder meer redengevend dat het taxatierapport niet voldoet aan artikel 10 Wet Pro bpm en artikel 8, vierde lid, onderdeel b, Uitvoeringsregeling bpm. Er is namelijk geen inkoopfactuur of inkoopverklaring als bijlage bij de taxatie gevoegd. Ook vindt verweerder dat er slechts normale gebruikssporen zijn vastgesteld bij de auto en er dus geen sprake is van schade. Bij auto’s met normale gebruikssporen wordt de waarde vastgesteld op basis van een koerslijst of aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel en dus niet door het taxatierapport. Verweerder vindt het opmerkelijk dat de taxateur binnen 30 minuten de waarde van de auto naar waarheid kan vaststellen.
5. De aangifte van de auto is door verweerder geselecteerd voor een nadere controle. De auto is op 7 oktober 2021 bekeken door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het verslag van DRZ zijn onder meer de volgende gegevens vermeld die gedeeltelijk afwijken van de gegevens in de aangifte.
Datum eerste toelating
20-12-2018
CO2-uitstoot
221 gr/km NEDC
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 59.377
Consumentenprijs (historische nieuwprijs)
€ 105.964
Laagste handelsinkoopwaarde zonder schade
€ 37.207 (
koerslijst)
Bruto schadecalculatie
€ 0
Vastgestelde waardevermindering door schade
€ 0
Handelsinkoopwaarde
€ 37.207
6. Bij brief van 2 maart 2022 heeft verweerder aan eiseres zijn voornemen kenbaar gemaakt om bpm na te heffen voor de auto. Uitgaande van de herberekeningen door verweerder, heeft verweerder de verschuldigde bpm bepaald op € 13.916. Na aftrek van de bpm die op aangifte is voldaan (€ 6.631), resteert een te betalen bedrag van € 7.285. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om binnen drie weken te reageren op het voornemen. Op 8 april 2022 heeft verweerder eiseres medegedeeld een naheffingsaanslag op te leggen. Daarop heeft verweerder de naheffingsaanslag conform zijn voornemen opgelegd.
Geschil7. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
8. Eiseres heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht:
Verweerder heeft onvoldoende onderkend dat aanslagen als de onderhavige worden beheerst door het recht van de Europese Unie. Eiseres acht de opgelegde naheffingsaanslag daarmee in strijd. In dit licht heeft eiseres ook benadrukt dat de rechtbank met betrekking tot deze geschilpunten gehouden is prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie;
Uitlegging van de Hoge Raad over diverse door eiseres in eerdere procedures ingenomen standpunten, zoals de mogelijkheid na te heffen na het belastbaar feit, de schending van het verdedigingsbeginsel en de bewijslastverdeling acht eiseres onverbindend en rechtsongeldig, omdat de rechtmatigheid van artikel 81 lid 1 RO Pro in geschil is door de ABRvS (13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4632);
Alle nationale bepalingen inzake de bpm zijn volgens eiseres in kennelijke strijd met het recht van de Unie;
Het hoorrecht in de bezwaarfase is geschonden;
De rechten van eiseres, die kunnen worden ontleend aan het verdedigingsbeginsel, zijn geschonden;
Het opleggen van een naheffingsaanslag nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan is – gegeven het bepaalde in artikel 110 VWEU Pro – niet toegestaan.
De bewijslast met betrekking tot de hoogte van de te betalen bpm berust volledig bij verweerder;
De auto is een zogenaamde ‘ex-rental’ en op grond daarvan dient de in aanmerking te nemen handelsinkoopwaarde te worden verminderd;
Het onderzoek door DRZ kan niet aan een naheffing ten grondslag worden gelegd nu deze dienst niet onafhankelijk is;
Het uitgangspunt dat slechts 72% van de schadeherstelkosten in aanmerking wordt genomen is in strijd met het Unierecht.
Het forfaitaire afschrijvingspercentage waarmee verweerder rekent is te laag;
Eiseres heeft recht op vergoeding van de werkelijke proceskosten in bezwaar.
Eiseres concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de naheffingsaanslag. Eiseres verzoekt om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt eiseres om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
8. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
10. Eiseres heeft verschillende niet ter zake doende argumenten aangevoerd. Hierop zal de rechtbank niet ingaan. Eiseres stelt dat de belastingrente te hoog is vastgesteld, maar er is bij de naheffingsaanslag geen bedrag aan belastingrente vastgesteld.
De toepasselijkheid van het Europees recht en de gevolgen daarvan (grief a)
11. Eiseres heeft ter onderbouwing van de grieven veelvuldig een beroep gedaan op het Europees recht, met name op artikel 110 VWEU Pro. Eiseres heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het de nationale rechter niet vrijstaat een uitleg te geven aan het Unierecht zonder daaromtrent prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit geldt in de optiek van eiseres evenzeer indien sprake is van een zogenaamde ‘acte claire’. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van eiseres niet. Een verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen geldt ingevolge artikel 267 van Pro het VWEU slechts voor het gerecht dat in hoogste instantie rechtspreekt, zoals ook blijkt uit het door eiseres genoemde arrest Cilfit (283/81). Een dergelijke verplichting geldt in bijzonder niet voor de gerechtelijke instanties op lagere niveaus. De daarop geldende uitzondering, neergelegd in het arrest Foto-Frost (314/85) ziet op de situatie waarin de verwijzende rechter van oordeel is dat een handeling van een Europese instelling nietig is. Die situatie doet zich hier niet voor.
12. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank in het hierna volgende per grief zal beoordelen of er aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De rechtbank zal daarbij ook meewegen of sprake is van een ‘acte claire’, dit wil zeggen een situatie waarin de betreffende Europeesrechtelijke bepaling dusdanig helder is geformuleerd dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de uitleg of het toepassingsbereik van die bepaling. Voor de visie van eiseres dat ook in het geval van een ‘acte claire’ het stellen van prejudiciële vragen geïndiceerd kan zijn ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Evenmin volgt de rechtbank eiseres in haar betoog dat reeds de vraag of sprake is van een rechtsvraag die zich leent voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU er toe dient te leiden dat deze vragen moeten worden gesteld.
De stelling dat de arresten van de Hoge Raad niet kunnen worden gevolgd (grief b)13. Het betoog van eiseres, dat de Hoge Raad niet bevoegd is Unierechtelijke regelgeving te beoordelen en dat deze jurisprudentie daarom ‘onverbindend en rechtsongeldig’ is, onderschrijft de rechtbank niet. Daarbij wijst de rechtbank er op, onder verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Minea (ECLI:EU:C:2015:74), dat in zijn algemeenheid het Hof van Justitie in het kader van een prejudiciële procedure niet beoordeelt of concrete bepalingen van het nationale recht van de lidstaten in overeenstemming zijn met het Unierecht, maar zich beperkt tot een uitlegging van het Unierecht op basis waarvan de nationale rechterlijke instanties zich vervolgens over die verenigbaarheid kunnen uitspreken. Dat de Hoge Raad in onderhavig geval buiten zijn bevoegdheden is getreden is door eiseres niet of althans onvoldoende aannemelijk gemaakt.
De gestelde onverenigbaarheid van de heffing van bpm met het Unierecht (grief c)
14. In dit kader heeft eiseres betoogd dat sprake is van een relevant verschil in heffingsmodaliteiten, nu de verschuldigde belasting reeds bij het doen van de aangifte bpm voldaan dient te worden, terwijl voor binnenlandse auto’s een eventuele restantbelasting, die nog drukt op binnenlandse gebruikte auto’s die voorheen op grond van de Wet bpm van de heffing waren vrijgesteld, eerst wordt voldaan bij de voltooiing van de registratie in het kentekenregister (de tenaamstelling). Volgens eiseres volgt onder meer uit Grundig Italiana Spa, C-68/96 (HvJ EU 17 juni 1998, ECLI:NL:EU:C:1998:299), reeds dat een belastingstelsel een discriminerend karakter heeft, wanneer sprake is van een verschil in heffingsmodaliteiten. Verweerder betwist dat er een verschil in heffingsmodaliteiten bestaat.
15. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:415) geoordeeld dat het systeem van de Wet bpm, namelijk dat de belasting moet worden betaald voordat het belastbare feit (de tenaamstelling) zich voordoet, niet in strijd is met artikel 110 van Pro het VWEU. De rechtbank heeft, na bestudering van de door eiseres aangehaalde jurisprudentie van het HvJ, geen aanknopingspunten kunnen vinden dat hierin anders moet worden geoordeeld dan door de Hoge Raad op 26 maart 2021 is gedaan.
16. De rechtbank acht bovenstaand oordeel in lijn met de Unierechtelijke jurisprudentie, zodat het voor het doen van uitspraak niet noodzakelijk is op dit punt het HvJ te verzoeken prejudiciële vragen te beantwoorden met betrekking tot de door eiseres opgeworpen rechtsvraag. De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de toepassing door de Hoge Raad van artikel 110 van Pro het VWEU, gegeven de uitleg die het HvJ daaraan heeft gegeven in zijn jurisprudentie.
17. Anders dan eiseres betoogt doet zich, bij de inschrijving in het kentekenregister van gebruikte uit andere lidstaten afkomstige voertuigen en de daarmee verbonden heffing van bpm, niet de situatie voor dat de bij de vaststelling van de grondslag van de berekende belasting waarderingsfactoren in aanmerking worden genomen die een waardeverschil ten opzichte van het overeenkomstige nationale product creëert of vergroot. Het heffingsmoment, de registratie in het kentekenregister, is immers bij dat overeenkomstige nationale product over het algemeen de datum van eerste toelating in Nederland. Op dat moment zijn er eenvoudigweg nog geen waarde verminderende factoren die tot een lagere heffing kunnen leiden. Dat in de spaarzame gevallen waarin een binnenlands product wel op een later moment aan de heffing wordt onderworpen – zoals bijvoorbeeld bij voormalige taxi’s - een waarderingsmethode wordt gehanteerd die afwijkt van de methode die wordt gebruikt bij geïmporteerde voertuigen is gesteld noch gebleken.
18. Ook het betoog van eiseres dat sprake is van een ‘exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap’, waardoor elk optreden van een lidstaat op hetzelfde domein a priori in strijd is met het Verdrag, snijdt geen hout. De heffing van belastingen betreft immers geen exclusieve bevoegdheid van enig Unierechtelijk orgaan.
De hoorplicht in de bezwaarfase (grief d)
19. Eiseres stelt dat verweerder in bezwaar de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank leidt uit de stukken in het dossier af dat eiseres voorafgaand aan het doen van uitspraak op bezwaar twee keer is uitgenodigd voor een hoorgesprek op 21 juni 2022, namelijk bij brieven van 25 mei 2022 en 3 juni 2022. Deze brieven zijn per aangetekende post aan de gemachtigde van eiseres gezonden. Deze aangetekende poststukken zijn door gemachtigde geweigerd en vervolgens retour ontvangen door verweerder. De brieven zijn ook per gewone post aan gemachtigde gezonden. Verweerder heeft de dossiers ook digitaal aan gemachtigde aangeboden. Verweerder heeft ook per e-mail een uitnodiging gestuurd voor het hoorgesprek via WebEx. Gemachtigde van eiseres heeft niet ingelogd via WebEx om deel te nemen aan het hoorgesprek.
20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Gemachtigde heeft hier geen gehoor aan gegeven. Dat gedurende de bezwaarfase geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden komt dan ook voor rekening en risico van eiseres. Van schending van de hoorplicht is daarom geen sprake.
De gestelde schendingen van de het verdedigingsbeginsel (grief e)
21. Eiseres stelt dat verweerder de naheffingsaanslagen in strijd met artikel 47 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (HGEU) heeft opgelegd, nu eiseres daaraan voorafgaand niet in de gelegenheid is gesteld mondeling te reageren. Het door eiseres bedoelde recht om te worden ‘gehoord’ voordat een voor eiseres nadelig besluit wordt genomen houdt in dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden het standpunt over een voorgenomen bezwarend besluit naar behoren kenbaar te maken. Uit het Unierecht vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het Unierecht schrijft immers niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken mits de vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest geen hindernis vormt van het recht gebruik te maken. Dit betekent dat indien eiseres is uitgenodigd om schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en eiseres in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid aan de eisen van het Unierecht is voldaan.
22. In het onderhavige geval heeft eiseres met, respectievelijk, dagtekening 2 maart 2022 en 8 april 2022, een zogenaamde ‘Kennisgeving naheffingsaanslag bpm’ en ‘Mededeling naheffingsaanslag bpm’ gekregen. Daarbij is eiseres in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. De conclusie dat sprake is van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (artikel 47 HGEU Pro) kan hier niet aan worden ontleend. De verwijzing van eiseres naar artikel 47 HGEU Pro maakt vorenstaande niet anders. Deze bepaling waarborgt het recht op een eerlijk proces en een onpartijdig gerecht en niet het recht op een mondelinge toelichting voorafgaand aan het opleggen van een naheffingsaanslag. Voor het stellen van prejudiciële vragen op dit punt bestaat, gegeven de hierboven weergegeven gang van zaken, geen aanleiding.
De bevoegdheid van verweerder een naheffingsaanslag op te leggen (grief f)23. De stelling van eiseres dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt (vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht) motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393. Het is evenmin in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiseres van artikel 110 VWEU Pro ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat middels een corrigerende (naheffings-)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening – dat ook bij bijvoorbeeld de veelvuldig aan het Unierecht getoetste omzetbelasting wordt gebruikt - brengt immers met zich mee dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
De verdeling van de bewijslast en de gestelde ‘ex-rental-status’ (grieven g en h)24. De rechtbank stelt voorop dat de kwalificatie als ‘ex-rental’ uitsluitend van betekenis kan zijn bij een waardering van de auto aan de hand van een koerslijst. Indien bij de aangifte wordt gekozen voor een op de specifieke auto toegespitst taxatierapport moeten de negatieve effecten van het verhuurverleden geacht wordt bij die taxatie te zijn betrokken. Verder, en omdat DRZ de door verweerder verdedigde waarde mede heeft gebaseerd op een koerslijstwaarde, overweegt de rechtbank het volgende. Eiser heeft gesteld dat recht bestaat op een ex-rental waardering van de auto en voorts dat de bewijslast, om aannemelijk te maken dat geen recht bestaat op de ex-rental waardering, bij verweerder ligt. De rechtbank onderschrijft dit standpunt niet. Uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:847) en 17 januari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:296) volgt dat op de belastingplichtige die zich beroept op een vermindering van de op aangifte voldane bpm, de plicht rust om feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken, die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. Indien de belastingplichtige er in is geslaagd dergelijke feiten aannemelijk te maken is het vervolgens aan verweerder om aan te tonen dat – die feiten in aanmerking genomen - de geheven belasting niet in strijd is met de in artikel 110 VWEU Pro. De heffing op geïmporteerde gebruikte auto’s mag, al dan niet rechtstreeks, niet tot een hogere binnenlandse belasting leiden dan welke van gelijksoortige nationale producten wordt geheven en de import van dergelijke auto’s mag niet onderworpen zijn aan een zodanige binnenlandse belasting, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2019; ECLI:NL:HR:2019:1783.
25. Eiseres heeft in de aangifte niet aangegeven dat sprake is van een ex-rental terwijl zulks ook niet blijkt uit het door eiser overgelegde taxatierapport. Eiseres heeft ook daarna geen aanvullende stukken overgelegd op grond waarvan het aannemelijk kan worden geacht dat wel sprake is van een ex-rental. De aangedragen grief kan dan ook niet slagen.
De onafhankelijkheid van de DRZ (grief i)
26. De rechtbank stelt voorop dat het verweerder vrij staat om voor de door hem noodzakelijk geachte controle een door hem te kiezen deskundige in te schakelen. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen reden te twijfelen aan de deskundigheid van de gekozen taxateur, terwijl er evenmin aanleiding kan worden gevonden om vanwege de werkwijze van de DRZ geen of minder waarde aan het rapport van DRZ te hechten. De rechtbank volgt eiseres daarom niet in haar betoog dat de rapportage van DRZ niet aan de bestreden naheffingsaanslag ten grondslag kan worden gelegd. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 februari 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:1676).
De hoogte van de in aanmerking te nemen schade (grief j)
27. Het door eiser bestreden en door verweerder gehanteerde percentage berust op de (Bijlage bij de) Uitvoeringsregeling bpm (tekst 2020, nadien gewijzigd per 1 januari 2022). Deze regeling is volgens vaste jurisprudentie aanvaardbaar. Verwezen is naar bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 juli 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:2998). Van doorslaggevende betekenis is daarbij geacht dat de regeling een tegenbewijsregeling kent, zodat onder omstandigheden, ook de volledige schade in aanmerking kan worden genomen. In verband met deze tegenbewijsmogelijkheid is volgens deze jurisprudentie ook geen sprake van strijd met artikel 110 VWEU Pro. De rechtbank sluit zich bij dit oordeel aan. In het onderhavige geval is van de mogelijkheid van tegenbewijs geen gebruik gemaakt. Ook zijn de gestelde schadeposten niet inzichtelijk en aannemelijk gemaakt. Daarnaast ontbreken de aankoopnota, de nota van herstel en de reparatienota’s, waardoor de rechtbank geen ruimte ziet om het taxatierapport van eiser te volgen. Bijgevolg sluit de rechtbank aan bij het standpunt van verweerder.
Het door verweerder gehanteerde afschrijvingspercentage (grief k)
28. Eiseres heeft betoogd dat het forfaitaire afschrijvingspercentage waarmee verweerder rekent te laag is.
29. Verweerder heeft het afschrijvingspercentage van 64,54% in het onderhavige geval ontleend aan een koerslijst. Eiseres verdedigt een afschrijvingspercentage van 66,29% en baseert zich daartoe op de aanname dat verweerder de onjuiste historische nieuwprijs heeft gehanteerd in zijn berekeningen. Verweerder past in zijn berekeningen een historische nieuwprijs van € 105.964 toe. Dit had het bedrag van € 111.461 moeten zijn. Het afschrijvingspercentage zou dus hoger moeten komen te liggen, aldus eiseres.
30. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens eiseres bedraagt de verschuldigde belasting, met een historische nieuwprijs van € 111.461 en een handelsinkoopwaarde van
€ 37.580, in totaal € 13.232 (en niet de door verweerder voorgestane € 13.916). Er is € 6.631 betaald op aangifte en dus zou het na te heffen bedrag € 6.601 moeten bedragen. Hiervan wordt de vermindering bpm in de bezwaarfase afgetrokken, waardoor de naheffingsaanslag verminderd moet worden met € 547, aldus eiseres.
31. In zijn nadere stuk van 5 februari 2026 beroept verweerder zich op interne compensatie. Voor zover eiseres betoogt dat het Unierecht zich verzet tegen interne compensatie, is dat betoog onjuist (Hoge Raad 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752). Verweerder kan terecht een beroep doen op interne compensatie. Na interne compensatie heeft eiseres geen recht meer op een teruggave bpm. In zoverre is het beroep dus ongegrond

De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase (grief l)

32. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Daarbij heeft eiseres volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) een proceskostenvergoeding toegekend gekregen van € 296. De rechtbank stelt vast dat eiseres een bezwaarschrift heeft ingediend. Verweerder heeft voor deze proceshandelingen 1 punt toegekend en een wegingsfactor van 1 bij een bedrag per punt van € 296 toegekend.
33. De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op het Bpb geldt het bedrag van € 666 als de waarde per punt. Verweerder heeft het Bpb niet in acht genomen door klaarblijkelijk een waarde van slechts € 296 per punt te hanteren. Hierdoor is de toegekende vergoeding van de proceskosten in bezwaar te laag uitgevallen. Een juiste toepassing leidt in het onderhavige geval tot een proceskostenvergoeding van € 666 (1 punt voor het indienen van het verzoek en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting en een wegingsfactor van 1 bij een bedrag per punt van € 666). Verweerder heeft derhalve € 370 te weinig aan proceskostenvergoeding toegekend. Het beroep is gegrond.
Conclusie34. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Vergoeding van immateriële schade35. De gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade als gevolg van de lange afhandelingsduur van deze zaak.
36. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van onder meer 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:853). Anders dan eiseres betoogt, is deze jurisprudentie van de Hoge Raad niet in strijd met het Unierecht.
37. Op grond van het aan artikel 6 van Pro het EVRM ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. In genoemd arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad vervolgens beslist dat voor zaken waarin het financieel belang minder dan € 1.000 bedraagt (zogenoemde ‘bagatelzaken’), en waarin de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, niet langer recht bestaat op vergoeding van immateriële schade. Indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, beslist de belastingrechter op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken. Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Ten slotte heeft de Hoge Raad bepaald dat deze nieuwe regel niet geldt voor zaken waarin (i) belanghebbende voorafgaand aan de datum van het arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van het arrest is overschreden.
38. Vast staat dat de gemachtigde in zijn nadere stuk, ingediend op 3 november 2025, voor het eerst verzoekt om een vergoeding van immateriële schade, zodat het hiervoor genoemde overgangsrecht niet van toepassing is. De rechtbank stelt verder vast dat de redelijke termijn is overschreden, omdat het bezwaarschrift langer dan twee jaar geleden is ingediend, teruggerekend vanaf het moment dat de rechtbank uitspraak doet. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om een immateriële schadevergoeding toe te kennen en sluit zich aan bij overweging 39 van de uitspraak van rechtbank Gelderland van 9 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5453:
“39. (…) Belanghebbende heeft zijn stelling met betrekking tot het door hem voorgestane bedrag aan terug te geven BPM niet cijfermatig onderbouwd en op grond van de stukken van het geding is niet te beoordelen of sprake is van een financieel belang van € 1.000. In dit geval ligt het op de weg van de belanghebbende die om een vergoeding van immateriële schade heeft verzocht, de feiten te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan de omvang van dit financiële belang kan worden vastgesteld, zo nodig door middel van schatting (Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.5.). Belanghebbende heeft hiervoor niets gesteld. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat geen sprake is van financieel belang van € 1.000 of meer. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de gemachtigde van belanghebbende diverse stellingen heeft ingenomen waarbij de feitelijke grondslag ontbreekt of de stelling op geen enkele wijze concreet is onderbouwd. Dat in een aantal zaken de redelijke termijn met meer dan 12 maanden is overschreden leidt niet tot een ander oordeel. Zoals hiervoor reeds opgemerkt heeft de gemachtigde grote hoeveelheden zaken met veelal gelijkluidende beroepsgronden aangebracht. Bovendien hebben deze beroepsgronden veelal een algemeen karakter. Zij zijn dus vaak niet van toepassing op zaak waarin zij worden aangevoerd. Daar komt dan bij dat belanghebbende niets heeft aangevoerd om aannemelijk te maken dat sprake is van een financieel belang van € 1.000 of meer. Laat staan dat hij heeft onderbouwd dat en zo ja, tot welk bedrag, zij immateriële schade heeft geleden. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank, ook al is de redelijke termijn met meer dan 12 maanden overschreden, niet of nauwelijks sprake van spanning en frustratie. Zij volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.”
39. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat in onderhavige zaak een financieel belang van meer dan € 1.000 speelt. De rechtbank neemt derhalve geen financieel belang van meer dan € 1.000 aan in deze zaak. Daarom heeft eiseres geen recht op vergoeding van de immateriële schade.
Proceskosten en griffierecht
40. Omdat het beroep gegrond is, heeft eiseres recht op vergoeding van proceskosten.
41. Eiseres verzoekt om vergoeding van de werkelijke kosten die zij ter zake van het bezwaar en het beroep heeft moeten maken. Verweerder is het met dit laatste niet eens. Voor een integrale proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. Een hogere dan forfaitaire vergoeding kan slechts worden toegepast indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar standpunt dat aan artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een hogere vergoeding kan worden ontleend, omdat een forfaitaire vergoeding volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) niet passend zou zijn. Derhalve is er geen aanleiding een hogere vergoeding toe te kennen dan de vergoeding van de forfaitaire proceskosten als bedoeld in het Bpb.
42. De proceskosten stelt de rechtbank daarom op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467. De rechtbank gaat hierbij uit van 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor ¼. Het totaal te vergoeden bedrag aan proceskostenvergoeding bedraagt hiermee op € 837.
43. Verweerder moet ook het door eiseres betaalde griffierecht van € 365 vergoeden. Eiseres heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van rente ter zake van het griffierecht. De rechtbank honoreert die aanspraak in zoverre dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien het griffierecht niet aan eiseres wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 837, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.W. van de Griend, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
7 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag (belastingkamer) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
U kunt digitaal beroep instellen via
www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
Bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden.
a. De naam en het adres van de indiener;
b. De datum van verzending;
c. Een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. De redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).