ECLI:NL:RBDHA:2026:20138

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.19577
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 lid 1 onder d Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 30 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijhedenArt. 17 lid 1 Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende op 2 februari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland stelde vast dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening, omdat hij daar eerder een verzoek om internationale bescherming had ingediend. Verweerder nam de aanvraag daarom niet in behandeling.

Eiser voerde aan dat hij in Duitsland niet veilig is vanwege bedreigingen van de Black Axe groep en dat hij psychische problemen heeft die in Duitsland niet adequaat behandeld kunnen worden. Hij stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is en dat overdracht aan Duitsland een reëel risico op schending van zijn rechten inhoudt.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende concrete en objectieve aanwijzingen heeft geleverd om dit te weerleggen. Ook de medische informatie bood geen onderbouwing voor een uitzonderlijke situatie die overdracht zou verhinderen. De rechtbank wees het beroep af en bevestigde dat de asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen in Nederland.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19577

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.B. Ullah),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kana).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.19578, op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. K. Umar als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1978. Hij heeft op 2 februari 2026 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend.
2. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 19 september 2024 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 26 februari 2026 heeft Nederland aan Duitsland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). [1] Duitsland heeft dit verzoek op 2 maart 2026 op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening aanvaard.
Het bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
De beroepsgronden van eiser
4. Eiser voert aan dat in zijn geval ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat hij in Duitsland niet veilig is vanwege de dreiging vanuit de Black Axe groep. Als gevolg van de dreiging vanuit deze groep is het doen van aangifte geen reële mogelijkheid voor eiser, omdat dit leidt tot ernstige represailles. Ook stelt eiser dat hij kampt met psychische problematiek door zijn ervaringen met de Black Axe groep, waar hij in Duitsland niet succesvol voor kan worden behandeld. Verder stelt eiser dat een overdracht een reëel en bewezen risico inhoudt op een aanzienlijke onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand. Daarnaast vreest eiser dat Duitsland hem uitzet naar Nigeria. Als laatste voert eiser aan dat verweerder toepassing dient te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
Beoordeling door de rechtbank
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in onder meer de uitspraken van 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588, en 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4770 (gelezen in samenhang met de daarin bevestigde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:8989), geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.
6. Gelet hierop is het aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland overleggen of verklaringen afleggen over eigen ervaringen met het asiel- en opvangsysteem in Duitsland. Van een schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM zal, in het geval dat eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218).
7. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. De rechtbank merkt op dat eiser niet stelt dat Dublinclaimanten bij overdracht aan Duitsland vanwege het asiel- en opvangsysteem aldaar in het algemeen een reëel risico lopen om in een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige situatie terecht te komen. Wel stelt eiser dat hij vanwege zijn persoonlijke ervaringen en situatie niet overgedragen kan worden naar Duitsland, omdat hij bedreigd wordt door de Black Axe groep. Deze enkele onvoldoende onderbouwde stelling acht de rechtbank niet toereikend om aan te nemen dat in het individuele geval van eiser niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland kan worden uitgegaan. Duitsland heeft met het claimakkoord gegarandeerd dat een (nieuw) verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling zal worden genomen overeenkomstig de toepasselijke Europese regelgeving. Mocht eiser in Duitsland worden geconfronteerd met problemen met de Black Axe groep, dan ligt het op zijn weg om zich te wenden tot de politie of andere autoriteiten en hen om hulp te vragen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onmogelijk of bij voorbaat zinloos is. Dat eiser vreest voor represailles van de Black Axe groep als hij zich tot de politie wendt, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser dient de Duitse autoriteiten om bescherming daartegen te vragen en heeft niet onderbouwd dat hij in Duitsland geen veiligheid kan krijgen.
8. Wat betreft de psychische problematiek van eiser overweegt de rechtbank als volgt. Uit de meest recente medische informatie van 29 juni 2026 volgt dat eiser kampt met psychische problematiek en een afspraak bij de POH heeft gepland. Op de zitting verklaart eiser dat hij nog steeds medicatie krijgt voorgeschreven en één keer per week een gesprek met een medewerker van de POH-GGZ heeft. Op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag er van uit worden gegaan dat de medische voorzieningen in Duitsland van vergelijkbare kwaliteit zijn en dat deze voorzieningen ter beschikking staan van eiser. Hij heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat dit voor hem niet het geval is. De stelling van eiser dat een behandeling in Duitsland niet zal slagen omdat hij zich daar nimmer veilig en op zijn gemak zal wanen, maakt dit oordeel niet anders. Eiser heeft dit niet met objectieve medische stukken onderbouwd. Overigens blijkt uit de overgelegde medische informatie dat eiser heeft verklaard zich ook in Nederland niet geheel veilig te voelen omdat hij bang is dat er iemand van het netwerk van mensenhandelaren opduikt. Mocht eiser vinden dat hij in Duitsland niet de benodigde medische zorg krijgt, dan ligt het op zijn weg om hierover te klagen bij de Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij de Duitse autoriteiten onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
9. Nu verweerder gelet op het voorgaande terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling of eiser bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op indirect refoulement. De Afdeling heeft immers in de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, in navolging van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, zolang een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de betreffende lidstaat sprake is van systeemfouten in de zin van het arrest Jawo. Ten overvloede merkt de rechtbank (nogmaals) op dat Duitsland met het claimakkoord heeft gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Ook als Duitsland op enig moment zou besluiten eiser uit te zetten naar Nigeria, moet Duitsland zich daarbij houden aan de bedoelde verplichtingen.
Arrest C.K.
10. Uit het arrest C.K. (arrest van het Hof van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127) volgt dat wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zou kunnen leiden, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat.
11. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser geen geslaagd beroep doen op dit arrest. Eiser heeft wel medische informatie overgelegd over zijn gezondheidstoestand, maar uit deze informatie blijkt niet dat er door een medisch deskundige een inschatting is gemaakt van de gevolgen van een overdracht aan Duitsland voor de gezondheidstoestand van eiser. De rechtbank ziet in de overgelegde medische informatie ook geen objectieve onderbouwing voor eisers stelling dat zijn psychische problematiek het gevolg is van wat hem in Duitsland zou zijn overkomen en dat hij daarom niet naar Duitsland kan terugkeren. Ook de in het dossier opgenomen melding van 7 april 2026, waaruit blijkt dat eiser dreigt zelfmoord te plegen indien hij naar Duitsland moet terugkeren, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder wijst er terecht op dat uit recente medische informatie van 26 juni 2026 blijkt dat eiser geen suïcidale gedachten (meer) heeft. Mede gelet op dit alles is eisers situatie niet vergelijkbaar met de situatie in de zaak waarin deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, op 29 mei 2026 uitspraak heeft gedaan (ECLI:NL:RBDHA:2026:14731) en waarop eiser zich op de zitting heeft beroepen. De beroepsgrond slaagt niet.
Onevenredige hardheid
12. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich toe te trekken. Voor zover eiser betoogt dat de door hem naar voren gebrachte ervaringen in Duitsland en zijn mentale gezondheid ook moeten worden meegenomen in de motivering in het kader van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717. Daarin is geoordeeld dat als verweerder de omstandigheden waar de vreemdeling zich op heeft beroepen al heeft betrokken bij de beoordeling of hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt.
14. De rechtbank is verder niet gebleken van andere bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Duitsland getuigt van onevenredige hardheid.
15. Alles bij elkaar heeft verweerder dan ook in de omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
16. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de Dublinverordening en de nationale wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit.