ECLI:NL:RBDHA:2026:20171

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.35034
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 8:42 AwbArt. 8.4 Procesreglement bestuursrecht rechtbankenArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wegens voldoende zicht op uitzetting naar Nicaragua

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door verweerder op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogde dat verweerder zijn informatieplicht had geschonden en dat er onvoldoende zicht was op uitzetting naar Nicaragua, mede vanwege het ontbreken van diplomatieke betrekkingen en actuele gegevens.

De rechtbank oordeelde dat verweerder aan zijn informatieplicht had voldaan en dat de stukken voldoende waren om de rechtmatigheid van de bewaring te beoordelen. Verweerder had aannemelijk gemaakt dat de staat waarvan eiser de nationaliteit heeft medewerking verleent aan gedwongen terugkeer en dat een laisser-passer aanvraag was ingediend bij de Nicaraguaanse autoriteiten.

Eiser kon geen concrete aanwijzingen geven die het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontkrachten. De rechtbank vond het ontbreken van gepubliceerde jurisprudentie en diplomatieke betrekkingen onvoldoende om het zicht op uitzetting te betwijfelen. Ook de ambtshalve toetsing leverde geen reden op om de maatregel te vernietigen.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter S.N. Abdoelkadir en griffier N. Felić op 7 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.35034

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

1. Bij besluit van 23 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [1]
3. De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.
Informatieplicht en zicht op uitzetting
5. Eiser betoogt dat verweerder zijn informatieplicht zoals bedoeld in artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden. Eiser wijst ook op artikel 8.4 van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (Procesreglement), waaruit volgt dat de op de zaak betrekking hebbende stukken tijdig overgelegd dienen te worden. In de maatregel heeft verweerder overwogen dat uit informatie van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) ‘niet is gebleken dat betrokkene de nationaliteit heeft van een staat die geen medewerking verleent’. Volgens eiser heeft verweerder nagelaten de relevante stukken waarop deze conclusie is gebaseerd te overleggen. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt betoogd dat de rechtbank niet van een enkele mededeling van verweerder hierover kan uitgaan. [2] Eiser voert aan dat er aanknopingspunten zijn waaruit blijkt dat een actueel zicht op uitzetting naar Nicaragua in zijn algemeenheid ontbreekt. Verweerder beschikt niet over actuele gegevens over de hoeveelheid uitzettingen naar Nicaragua. Daarnaast is geen (gepubliceerde) jurisprudentie te vinden ten aanzien van vreemdelingen uit Nicaragua in vreemdelingenbewaring. Verder is het volgens eiser nog maar zeer de vraag of Nicaragua haar eigen onderdanen terugneemt. Eiser verwijst hierbij naar de website van het ministerie van Buitenlandse Zaken waaruit volgt dat de situatie in Nicaragua zorgwekkend is en dat daar verschillende veiligheidsrisico’s zijn. Ook in eisers individuele geval ontbreekt het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Er wordt verwezen naar de website
www.netherlandsandyou.nl, waaruit blijkt dat Nederland geen diplomatieke verhoudingen heeft met Nicaragua. Gelet op het voorgaande is het ongeloofwaardig dat verweerder, zoals in de aanbiedingsbrief van 29 juni 2026 is vermeld, een laisser-passer (lp) aanvraag heeft ingediend bij de Nicaraguaanse autoriteiten. Bovendien zijn de lp-aanvraag en het verzendbewijs niet toegevoegd aan het dossier. Volgens eiser dient het beroep dan ook gegrond te worden verklaard.
5.1.
Ten aanzien van de informatieplicht stelt de rechtbank voorop dat uit artikel 8:42 van Pro de Awb en artikel 8.4 van het Procesreglement volgt dat het aan verweerder is om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hieraan voldaan en beschikt de rechtbank over voldoende informatie en stukken om de rechtmatigheid van de bewaring te kunnen beoordelen en om te kunnen beoordelen of aan de vereisten van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw is voldaan.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Nicaragua in zijn algemeenheid aanwezig is. In de maatregel heeft verweerder opgenomen dat niet is gebleken dat eiser de nationaliteit heeft van een staat die geen medewerking verleent aan gedwongen terugkeer of waarvoor een vertrekmoratorium of een andere beleidsmatige
belemmering voor de uitzetting geldt. Verder is vermeld dat uit informatie van de Dienst Terugkeer en Vertrek is gebleken dat door de staat waarvan eiser de nationaliteit heeft medewerking aan gedwongen vertrek wordt verleend en dat niet is gebleken dat het (mogelijke) land van herkomst geen (vervangende) reisdocumenten zal verstrekken voor gedwongen terugkeer. Verweerder heeft ter zitting verwezen naar de website van de DT&V. Eisers verwijzing naar de website van het ministerie van Buitenlandse Zaken geeft geen reden om hieraan te twijfelen. Niet is gebleken dat deze informatie zich richt op de vraag of vreemdelingen kunnen terugkeren naar hun land van herkomst en of de Nicaraguaanse autoriteiten hun eigen onderdanen zullen terugnemen. Daarnaast rechtvaardigt het ontbreken van gepubliceerde jurisprudentie of gegevens over de hoeveelheid uitzettingen naar Nicaragua niet de conclusie dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Het ontbreken van dergelijke gegevens vormt op zichzelf geen objectieve aanwijzing dat de autoriteiten van Nicaragua niet meewerken aan gedwongen terugkeer of dat een lp-aanvraag geen reële kans van slagen heeft.
5.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat ook in het concrete geval van eiser niet is gebleken dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Nicaragua ontbreekt.
Verweerder heeft in de aanbiedingsbrief van 29 juni 2026 meegedeeld dat op 24 juni 2026 de lp-aanvraag is ingediend bij de Nicaraguaanse autoriteiten. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aangedragen die de rechtbank zouden moeten doen twijfelen aan de juistheid van die informatie. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van diplomatieke betrekkingen in de weg staat aan de indiening of behandeling van een lp-aanvraag. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de onderliggende lp-aanvraag en het verzendbewijs op te vragen. Verder acht de rechtbank van belang dat de lp-aanvraag zes dagen vóór de zitting is gedaan, deze nog in behandeling is en dat geen concrete aanknopingspunten aannemelijk zijn gemaakt die erop wijzen dat dit lp-traject op niets zal uitlopen en dat er voor eiser geen lp zal worden afgegeven. Onder deze omstandigheden bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [3]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
3.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.