ECLI:NL:RVS:2024:1791
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak bewaring vreemdeling wegens onrechtmatigheid vanaf 27 maart 2024
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 21 maart 2024 in bewaring. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring op 2 april 2024 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. In hoger beroep klaagde de vreemdeling terecht over het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris aan de vereisten van paragraaf A3/6.3 van de Vreemdelingenwet 2000 had voldaan.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de staatssecretaris op 27 maart 2024 bekend werd met de uitzettingsdatum, maar dat de correspondentie met het Openbaar Ministerie over eventuele bezwaren tegen de uitzetting niet in het dossier was opgenomen. Hierdoor kon niet worden gecontroleerd of aan de vereisten voor voortvarendheid was voldaan, waardoor de bewaring vanaf die datum onrechtmatig was.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en kende de vreemdeling een schadevergoeding van €300 toe over de periode van 27 tot en met 29 maart 2024. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €2.625,00. Omdat de bewaring inmiddels was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig.
Uitkomst: Bewaring vanaf 27 maart 2024 onrechtmatig verklaard, schadevergoeding toegekend en proceskosten vergoed.