ECLI:NL:RBDHA:2026:20220

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37833
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000Art. 50a Vw 2000Art. 2 Algemene wet op het binnentredenArt. 46 AMBvArt. 43 AMBv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onttrekkingsrisico en voortvarendheid minister

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op 7 juli 2026. Eiser voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder onrechtmatigheid van de staandehouding, overschrijding van de ophoudingsduur, het verstrijken van de uiterste overdrachtsdatum, het niet toepassen van een lichter middel en het ontbreken van zicht op overdracht.

De rechtbank oordeelde dat de staandehouding rechtmatig was omdat deze plaatsvond in een spreekkamer binnen het AZC zonder dat een schriftelijke machtiging vereist was. De ophoudingsduur van ongeveer anderhalf uur overschreed de wettelijke termijn van zes uur niet. De uiterste overdrachtsdatum was door voorlopige voorzieningen en beroepsprocedures nog niet verstreken. De minister mocht de maatregel van vreemdelingenbewaring opleggen vanwege een onttrekkingsrisico, ondanks dat eiser aangaf mee te willen werken aan terugkeer.

Verder was er voldoende zicht op overdracht naar Bulgarije en handelde de minister voortvarend door tijdig een vluchtaanvraag in te dienen. De rechtbank vond geen aanleiding om de rechtmatigheid van de maatregel te betwijfelen en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37833

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 7 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [1]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Was de staandehouding onrechtmatig?
3. Eiser voert aan dat de staandehouding onrechtmatig is geweest. Eiser is staandegehouden op het terrein van het asielzoekerscentrum (AZC). Uit het dossier blijkt niet dat dat de verbalisanten toestemming hadden om dit terrein te betreden.
3.1.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden is voor het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner een schriftelijke machtiging vereist. Uit het proces-verbaal van staandehouding en ophouding (M105) volgt dat eiser is staandegehouden in een spreekkamer bij het AZC in [plaats]. Nu er niet is binnengetreden in een woning, was er geen schriftelijke machtiging vereist. De verbalisanten mochten het terrein van het AZC dus betreden en eiser vervolgens staandehouden. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de ophouding te lang geduurd?
4. Eiser voert aan dat niet te verifiëren is hoe lang de ophouding heeft geduurd, nu hierover geen stukken zijn toegevoegd aan het rechtbankdossier.
4.1.
Uit artikel 50a, eerste lid, van de Vw 2000 volgt dat de termijn van ophouding begint te lopen op het moment dat een vreemdeling is aangekomen op de plaats bestemd voor verhoor en dat de ophouding niet langer dan zes uur mag duren. [2] De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van staandehouding en ophouding (M105) – dat onderdeel uitmaakt van het rechtbankdossier – volgt dat eiser op 7 juli 2026 om 12:42 uur aankwam op een plaats bestemd voor verhoor en dat de ophouding diezelfde dag om 14:15 uur is beëindigd met de oplegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring. De ophouding heeft in totaal ongeveer anderhalf uur geduurd. Hiermee is geen sprake van een overschrijding van de termijn van zes uren. Het proces-verbaal is bovendien op ambtseed opgemaakt. De rechtbank heeft geen reden om niet van de juistheid van dat ondertekende proces-verbaal uit te gaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de uiterste overdrachtsdatum verstreken?
5. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat de uiterste overdrachtsdatum is verstreken op 28 mei 2025 (zes maanden nadat het claimverzoek is geaccepteerd door Bulgarije). Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat de uiterste overdrachtstermijn is verstreken op 11 maart 2025 (zes maanden nadat deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem [3] , het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag gegrond heeft verklaard). Nu de uiterste overdrachtsdatum is verstreken, is de vreemdelingenbewaring onrechtmatig.
5.1.
Uit artikel 46, eerste lid, van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBv) volgt dat een overdrachtstermijn ingaat vanaf het moment van aanvaarding van het claimverzoek of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar indien de uitvoering van het overdrachtsbesluit gedurende de behandeling van het beroep in eerste aanleg is opgeschort op grond van artikel 43, derde lid, van de AMBv. De uitvoering van een overdrachtsbesluit wordt opgeschort door toewijzing van een daartoe strekkend verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep. [4]
5.2.
De rechtbank stelt vast dat het claimverzoek door de Bulgaarse autoriteiten is aanvaard op 28 november 2024. Dit betekent dat de uiterste overdrachtstermijn aanvankelijk lag op 28 mei 2025. Op 13 mei 2025 is echter een voorlopige voorziening getroffen, waardoor de termijn is opgeschort. Hieruit volgt dat het primaire standpunt van eiser, dat de uiterste overdrachtstermijn reeds op 28 mei 2025 is verstreken, niet kan worden gevolgd.
5.3.
Ook het subsidiaire standpunt van eiser kan niet worden gevolgd. De rechtbank stelt in dit verband vast dat op 11 augustus 2025 op het beroep van eiser is beslist en het overdrachtsbesluit vernietigd. Daarmee is de overdrachtstermijn opnieuw aangevangen en lag de uiterste overdrachtstermijn op 11 februari 2026. De minister heeft vervolgens bij besluit van 2 december 2025 eisers asielaanvraag (wederom) niet in behandeling genomen, waarbij tevens een overdrachtsbesluit is genomen. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 8 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening getroffen en onder meer het overdrachtsbesluit geschorst totdat op het beroep is beslist. [5] Door die getroffen voorlopige voorziening is de uiterste overdrachtsdatum, gelet op hetgeen onder 5.1 is overwogen, verschoven tot zes maanden na de uitspraak op het beroep. Bij uitspraak van 14 april 2026 van deze rechtbank en zittingsplaats is dit beroep ongegrond verklaard. [6] Een en ander betekent dat de uiterste overdrachtsdatum op dit moment nog niet is verstreken. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
6. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring. Hij heeft namelijk tijdens vertrekgesprekken meermaals aangegeven dat hij wil terugkeren naar Bulgarije en hij verzet zich niet tegen de overdracht.
6.1.
De minister stelt zich, gelet op de onbetwiste gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat sprake is van een onttrekkingsrisico. De rechtbank ziet ambtshalve geen reden om aan de gronden te twijfelen. Verder ziet de rechtbank in wat eiser aanvoert geen reden te oordelen dat andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De stelling van eiser dat hij zich niet verzet tegen de overdracht naar Bulgarije, doet niet af aan het onttrekkingsrisico. Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser tijdens vertrekgesprekken ook heeft aangegeven dat hij graag in Nederland bij zijn vriendin wil blijven en dat hij meerdere malen niet is verschenen op vertrekgesprekken. De minister was in dit geval niet gehouden om een lichter middel op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Is er sprake van zicht op overdracht en handelt de minister voldoende voortvarend?
7. Eiser voert aan dat er nog geen vlucht is geboekt naar Bulgarije en dat het claimakkoord al lang geleden (op 28 november 2024) is geaccepteerd door Bulgarije. Het is maar de vraag of Bulgarije eiser nog steeds accepteert.
7.1.
Het dossier biedt geen aanknopingspunten dat Bulgarije eiser niet meer zal accepteren. Zoals onder 5.2 overwogen, is de uiterste overdrachtsdatum op dit moment niet verstreken. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan eisers overdracht. Uit vaste rechtspraak volgt dat het starten met de daadwerkelijke voorbereiding van de overdracht op de zevende dag voldoende voortvarend is. [7] Uit het dossier blijkt dat op 10 juli 2026 een vluchtaanvraag is gedaan. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [8]

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
2.Dit volgt ook uit ABRvS 15 januari 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AH9607.
4.Dit was onder de Dublinverordening niet anders.
7.Zie bijvoorbeeld ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, onder 10.
8.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.