ECLI:NL:RBDHA:2026:20220
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onttrekkingsrisico en voortvarendheid minister
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op 7 juli 2026. Eiser voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder onrechtmatigheid van de staandehouding, overschrijding van de ophoudingsduur, het verstrijken van de uiterste overdrachtsdatum, het niet toepassen van een lichter middel en het ontbreken van zicht op overdracht.
De rechtbank oordeelde dat de staandehouding rechtmatig was omdat deze plaatsvond in een spreekkamer binnen het AZC zonder dat een schriftelijke machtiging vereist was. De ophoudingsduur van ongeveer anderhalf uur overschreed de wettelijke termijn van zes uur niet. De uiterste overdrachtsdatum was door voorlopige voorzieningen en beroepsprocedures nog niet verstreken. De minister mocht de maatregel van vreemdelingenbewaring opleggen vanwege een onttrekkingsrisico, ondanks dat eiser aangaf mee te willen werken aan terugkeer.
Verder was er voldoende zicht op overdracht naar Bulgarije en handelde de minister voortvarend door tijdig een vluchtaanvraag in te dienen. De rechtbank vond geen aanleiding om de rechtmatigheid van de maatregel te betwijfelen en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.