Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15046

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
NL25.59270
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.119 Vb 2000Art. 30 Vreemdelingenwet 2000DublinverordeningEU HandvestVluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Bulgarije

Eiser heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister niet in behandeling is genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Eerder oordeelde de rechtbank Haarlem dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met nieuwe rapporten over de opvangsituatie in Bulgarije, waarna de minister een nieuw besluit nam. Dit besluit werd door de rechtbank Groningen vernietigd wegens onvoldoende motivering.

De minister nam vervolgens opnieuw een besluit op 2 december 2025, wederom het verzoek niet in behandeling nemend. Eiser stelde dat de minister een nieuw voornemen had moeten uitbrengen en aanvullend had moeten horen, en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing was vanwege verslechterde omstandigheden in Bulgarije. De rechtbank oordeelt dat geen nieuw voornemen nodig was omdat de motieven gelijk waren, aanvullend horen niet verplicht was en dat de minister terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

De rechtbank concludeert dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat de situatie in Bulgarije niet wezenlijk is verslechterd en dat de asielaanvraag terecht niet in behandeling is genomen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het besluit van de minister om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Bulgarije verantwoordelijk is.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59270

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen

in de zaak tussen

[eiser], [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Dit is de derde keer dat deze zaak door een rechtbank beoordeeld wordt. Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft een eerder besluit van de minister op 11 augustus 2025 gegrond verklaard, [1] waarna een nieuw besluit op 20 november 2025 door de zittingsplaats Groningen is vernietigd. [2] De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 december 2025 wederom niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die regelgeving staat in de Dublinverordening. Volgens de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [3] In dit geval heeft Nederland bij Bulgarije een verzoek om terugname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek aanvaard.
1.2.
In het kort heeft eiser verschillende argumenten (beroepsgronden) aangevoerd. Ten eerste meent eiser dat de minister voor het nemen van het besluit op 2 december 2025 een nieuw voornemen had moeten uitbrengen en dat eiser opnieuw gehoord had moeten worden. Ook is eiser van mening dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Bulgarije niet van toepassing is en dat eiser daarom niet kan worden overgedragen aan Bulgarije.
1.3.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 27 september 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gedaan. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 6 februari 2025 niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.1.
Op 13 mei 2025 heeft de voorzieningenrecht van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, een voorlopige voorziening getroffen waarin is bepaald dat eiser niet mocht worden overgedragen aan
Bulgarije totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep. [4] De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2025 gegrond verklaard en het besluit van 6 februari 2025 vernietigd. [5]
2.1.1.
De rechtbank overweegt in die uitspraak dat de minister wel had gewezen op rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) over Bulgarije, maar dat de Afdeling zich nog niet over een door eiser ingebrachte rapport van de Duitse organisatie Matteo [6] en het AIDA-rapport (update 2024) [7] had uitgelaten, in tegenstelling tot hetgeen de minister stelde. De rechtbank overweegt verder dat de door eiser aangehaalde pagina’s uit het AIDA-rapport (update 2024) niet identiek zijn aan de pagina’s uit het voorgaande AIDA-rapport (update 2023). De rechtbank stelt vast dat op pagina 86 en verder van update 2024 een veel uitgebreidere tekst staat dan op de pagina’s 83 en 84 van het AIDA-rapport (update 2023) en dat de Afdeling zich over dit verschil nog niet heeft uitgelaten. De rechtbank wijst er verder op dat eisers verklaringen overeenkomen met de kritiek uit het AIDA-rapport (update 2024). Verder blijkt volgens de rechtbank uit pagina 86 van het AIDA-rapport dat de toestand van de opvangfaciliteiten sinds 2015 ieder jaar slechter wordt, dat ieder jaar weer delen van de opvang als onbruikbaar worden aangemerkt, dat de opvangcapaciteit afneemt en dat er niet voldoende financiële middelen zijn voor verbetering hiervan. De rechtbank constateert dat sprake is van een voortschrijdende verslechtering van de opvangfaciliteiten voor asielzoekers in Bulgarije.
2.1.2.
De rechtbank oordeelde daarom dat de minister, gelet op de door eiser overgelegde informatie, niet deugdelijk had gemotiveerd waarom de asielopvang in Bulgarije geen structurele systeemfouten vertoont en waarom er ten opzichte van Bulgarije nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister moest in het nieuw te nemen besluit het door eiser ingebrachte Matteo-rapport en het AIDA-rapport (update 2024) betrekken en ook ingaan op wat eiser heeft aangevoerd in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
2.2.
De minister is tegen deze uitspraak niet in hoger beroep gegaan en heeft op
10 september 2025 een nieuw besluit genomen. De minister heeft opnieuw geconcludeerd tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag, omdat Bulgarije hiervoor verantwoordelijk is. De minister verwijst in zijn besluit naar een aantal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) waarin het nieuwe AIDA-rapport (update 2024) wel is betrokken. [8] Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en daarbij verzocht om een voorlopige voorziening.
2.3.
Deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, heeft het beroep op 20 november 2025 gegrond verklaard en het besluit van 10 september 2025 vernietigd. [9] Volgens de rechtbank had de minister zich niet gehouden aan de eerdere uitspraak. Hoewel het begrijpelijk was dat de minister had verwezen naar uitspraken van de Afdeling, had hij gezien de specifieke overwegingen van de eerdere uitspraak ook nadrukkelijk moeten ingaan op het geconstateerde verschil tussen pagina’s 86 en volgende van het AIDA-rapport (update 2024) en de pagina’s 83 en 84 van het AIDA-rapport (update 2023). Verder stelt de rechtbank vast dat de minister niet nadrukkelijk is ingegaan op het Matteo-rapport. De rechtbank heeft de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen en daarbij alsnog in te gaan op het Matteo-rapport en op het AIDA-rapport (update 2024).
2.4.
De minister is tegen deze uitspraak niet in hoger beroep gegaan en heeft op 2 december 2025 weer een nieuw besluit genomen. Ook nu heeft de minister geconcludeerd tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag, omdat Bulgarije hiervoor verantwoordelijk is. Eiser heeft hiertegen opnieuw beroep ingesteld en daarbij verzocht om een voorlopige voorziening. Dat is de procedure waarop deze uitspraak ziet.
2.5.
Het beroep zou aanvankelijk op 7 januari 2026 op een zitting worden behandeld, maar die zitting is niet doorgegaan omdat er geen tolk beschikbaar was. Wel heeft de voorzieningenrechter op 8 januari 2026 een voorlopige voorziening getroffen waarin is bepaald dat eiser niet mocht worden overgedragen aan Bulgarije totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben ieraaneiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Had de minister een nieuw voornemen moeten uitbrengen?
3. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte een nieuw besluit heeft genomen, zonder eerst een nieuw voornemen uit te brengen. De rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft namelijk een directe opdracht gegeven om landeninformatie te betrekken bij de beoordeling van de vraag of nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan voor Bulgarije. Dat zijn ‘nieuwe feiten’ of ‘bekende feiten die anders worden beoordeeld of gewogen’. Aangezien het beroep gegrond is verklaard, laat dit zien dat deze nieuwe beoordeling voor de te nemen beslissing van aanmerkelijk belang is. Bovendien wil de minister de aanvraag opnieuw afwijzen en dus wordt aan alle elementen uit artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) voldaan.
3.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat hij niet gehouden was een nieuw voornemen uit te brengen. Hij wijst op uitspraken van de Afdeling hierover. [10] De minister meent dat het voornemen een voorbereidingshandeling is en dient als aankondiging van wat de minister van plan is te gaan beslissen. Een nieuw voornemen is aan de orde als er nieuwe feiten zijn die aanleiding geven voor een nieuwe weging of voor een besluit op andere gronden, maar dat is in deze procedure niet aan de hand. Het voornemen bevatte in dit geval alle dragende motiveringen voor, en heeft dezelfde strekking als, het besluit.
3.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit de door de minister genoemde rechtspraak van de Afdeling volgt dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 3.119 van het Vb 2000 wanneer de strekking van de overwegingen van een voornemen dezelfde is als die van het bestreden besluit. In dit geval oordeelt de rechtbank dat de overwegingen van de minister in zijn voornemen dezelfde strekking hebben als de overwegingen in het besluit van 2 december 2025. Zowel in het voornemen als in het besluit van 2 december 2025 overweegt de minister namelijk dat hij voor Bulgarije uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat er ook overigens geen redenen zijn dat eiser niet overgedragen kan worden. Van de situatie bedoeld in artikel 3.119 van het Vb 2000 waarin een nieuwe voornemen uitgebracht moet worden, is dus geen sprake.
Had de minister een aanvullend gehoor moeten houden?
4. Verder betoogt eiser dat de minister hem, gelet op het tijdsverloop van een jaar tussen het voornemen en het beroepsschrift, aanvullend had moeten horen.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft in zijn beroepsschrift geen nieuwe omstandigheden naar voren gebracht anders dan het tijdsverloop. Tijdsverloop is op zich geen grond om opnieuw te horen. Eiser heeft op zitting enkel aangegeven dat zijn leven stil staat, wat niet relevant is voor de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is onder de Dublinverordening en op zichzelf ook niet maakt dat de minister de aanvraag alsnog onverplicht aan zich had moeten trekken. Eiser heeft ook niet toegelicht waarover hij verder had willen verklaren. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de vernietiging van de besluiten door de rechtbank zag op het feit dat de minister het AIDA-rapport en het Matteo-rapport onvoldoende had betrokken. Dit betreft openbare informatie en een algemene beoordeling. Ook in zoverre was er dus geen reden om aanvullend te horen.
Mag de minister voor Bulgarije uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat de minister voor Bulgarije niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser voert hierover twee argumenten aan.
5.1.
Ten eerste stelt eiser dat de minister niet met een verwijzing naar een aantal uitspraken van de Afdeling [11] kan volstaan als adequate motivering van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Bulgarije. Eiser wijst erop dat al deze uitspraken bekend waren voordat zittingsplaats Haarlem uitspraak deed in de zaak van eiser, op 11 augustus 2025, en dat die uitspraken geen reden waren voor zittingsplaats Haarlem om anders te oordelen.
5.1.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister verwijst in zijn besluit inderdaad naar verschillende uitspraken waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat voor Bulgarije uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De stelling dat de minister wat betreft het uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel volstaat met verwijzing naar deze uitspraken, is echter onjuist. In het besluit van 2 december 2025 gaat de minister namelijk ook specifiek in op het Matteo-rapport en de AIDA rapportages over Bulgarije, updates 2023 en 2024.
5.2.
Ten tweede meent eiser dat de informatie uit het AIDA-rapport (update 2024) ten onrechte niet leidt tot de conclusie dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De minister heeft een te beperkte vergelijking tussen het AIDA-rapport (update 2023) en het AIDA-rapport (update 2024) verricht en heeft geen rekening gehouden met de algemene, diepere verslechtering van de opvangcapaciteit, infrastructuur, nutsvoorzieningen en leefbaarheid zoals die in het AIDA-rapport (update 2024) worden beschreven. Bovendien stelt de minister onterecht dat het AIDA-rapport (update 2024) niet wezenlijk verschilt van het AIDA-rapport (update 2023). Allereerst heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, in haar uitspraak van 11 augustus namelijk al expliciet vastgesteld dat het AIDA-rapport (update 2024) veel uitgebreider is en blijk geeft van ernstige verslechtering. Ten tweede noemt het AIDA-rapport (update 2024) structurele trends die het AIDA-rapport (update 2023) niet benoemt. Verder hebben klachtenprocedures in Bulgarije weinig praktisch effect en is er dus geen sprake van effectieve rechtsbijstand. Tot slot kan de minister de persoonlijke ervaringen van eiser niet zomaar terzijde schuiven.
5.2.1.
De minister heeft zich in het besluit van 2 december 2025 op het standpunt gesteld dat het AIDA-rapport (update 2024) geen wezenlijk ander beeld schetst van de opvangsituatie in Bulgarije dan het rapport uit 2023. Dat het rapport van 2024 de opvangsituatie uitvoeriger beschrijft leidt op zichzelf niet tot die conclusie. Hoewel er problemen zijn in de opvang blijkt uit het rapport niet dat de omstandigheden zijn verslechterd.
5.2.2.
Bij de beoordeling van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling in een van de lidstaten ingediend asielverzoek, mag de minister uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van de vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Uit artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening en de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt echter dat de minister een vreemdeling niet mag overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat als hij niet onkundig kan zijn van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in dat land waardoor de verzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het EU Handvest. De minister moet bij zijn beoordeling alle informatie betrekken die de verzoeker heeft ingebracht, en ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij kennis heeft. [12] Als blijkt van tekortkomingen die structureel of fundamenteel zijn, moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om tot een schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest te leiden. [13] Deze bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid is bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat tot gevolg zou hebben dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en eigen keuzes om terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, een bad nemen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid, of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid. [14] Niet iedere schending van een grondrecht door de verantwoordelijke lidstaat heeft onder de Dublinverordening gevolgen voor de verplichtingen van de overige lidstaten. [15]
5.2.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Bulgarije nog altijd mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft in de uitspraak van 27 juni 2024 [16] met betrekking tot de AIDA-rapporten (update 2022 en update 2023), voor zover die voor Dublinclaimanten van belang zijn, geoordeeld dat uit die rapporten niet blijkt dat de minister ten aanzien van Bulgarije niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. In die zaak heeft de Afdeling onder meer de zorgen over de toegang tot en de situatie in de opvang, de omstandigheden in detentiecentra en de toegankelijkheid van rechtsbijstand betrokken. De stelling van eiser dat uit de in rechte vaststaande uitspraak van de zittingsplaats Haarlem van 11 augustus 2025 volgt dat moet worden aangenomen dat de situatie in Bulgarije in 2024 verder is verslechterd, volgt de rechtbank niet. Net als de minister leest de rechtbank in die uitspraak alleen dat de minister nader moet ingaan op het Matteo-rapport en het AIDA-rapport (update 2024). Dat heeft de minister gedaan en de rechtbank volgt het standpunt dat het AIDA-rapport (update 2024) geen beeld schetst dat wezenlijk anders is dan het AIDA-rapport update 2023. Het is juist dat in dit rapport, net als in voorgaande updates van het AIDA rapport Bulgarije, wordt geschreven dat sinds 2015 de omstandigheden in nationale opvanglocaties in het algemeen zijn verslechterd (‘
have been deteriorating’) en dat ze ‘substandard’ zijn, maar daaruit volgt nog niet dat die omstandigheden na de update 2023 in relevante mate verder zijn verslechterd. In beide rapporten wordt gewezen op problemen met de accommodatie, het eten en rudimentaire medische hulp. De betreffende passages zijn in de update 2024 weliswaar langer, maar uit die passages blijkt niet van een verslechtering. Ook worden in de update 2024 voorbeelden gegeven van nieuwe maatregelen van overheden om de problemen te verminderen. Zo wordt beschreven dat vanaf 2023, waaronder ook gedurende heel 2024, maandelijks en ad hoc disinfecties worden uitgevoerd tegen bedwantsen (‘bed bugs’) [17] . Verder is en blijft een belangrijk zorgpunt de veiligheid van asielzoekers in de opvanglocaties. Op 31 januari 2025 werd de bewaking van de opvanglocaties, te beginnen met de locaties in Sofia en Harmanli, overgenomen door het ministerie van binnenlandse zaken (MOI). Hierover merkt de update 2024 op: “This major change is expected to seriously improve the safety and security of asylum seekers who are accommodated in the reception centres during their procedure.” Deze passages in het AIDA-rapport (update 2024) laten zien dat na 2023 enige verbeteringen plaatsvinden en dat de Bulgaarse autoriteiten niet de mate van onverschilligheid hebben zoals bedoeld in het Jawo-arrest. Eiser wijst ook op diverse persoonlijke ervaringen waarbij hij zelf heeft kunnen vaststellen dat hetgeen staat vermeld in het AIDA-rapport (update 2024) overeenkomt met zijn eigen ervaringen. De beschreven problemen en de eigen ervaringen van eiser bereiken echter niet het niveau waarbij een persoon in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terecht komt. De rechtbank merkt hierbij nog op dat eiser slechts kort in Bulgarije heeft verbleven, grotendeels in een detentiecentrum omdat hij weigerde zijn vingerafdrukken af te geven en asiel te vragen. Toen hij dat wel deed en naar een opvang werd gebracht is hij na een nacht vertrokken en doorgereisd. Daar komt nog bij dat eiser zich bij voorkomende problemen zou kunnen beklagen bij de (hogere) Bulgaarse autoriteiten.
5.2.4.
De rechtbank stelt verder vast dat de minister in zijn besluit is ingegaan op het Matteo-rapport. De minister meent dat het Matteo-rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Bulgarije en dat veel van de informatie van het Matteo-rapport overeenkomt met de informatie in het AIDA-rapport (updates 2023 en 2024). De rechtbank stelt vast dat daar in deze procedure geen beroepsgronden meer over zijn aangevoerd.
Verwijzing naar dat wat eerder in de procedures is aangevoerd
6. Eiser heeft voor het overige verzocht om dat wat eerder in de procedures is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Omdat de minister hier in het besluit van 2 december 2025 op in is gegaan en eiser deze gronden, anders dan besproken in voormelde rechtsoverwegingen, in beroep niet nader heeft genoemd en onderbouwd, kan de enkele verwijzing niet leiden tot het daarmee door eiser beoogde resultaat.

Conclusie en gevolgen

7. Omdat de beroepsgronden van eiser alle niet slagen concludeert de rechtbank dat de minister de asielaanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. L.G.C. Lelifeld, griffier
.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

3.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.NL25.5962 (
6.Ökumenisches Netzwerk Asyl in der Kirche NRW, Asyl in der Kirche Berlin-Brandenburg, matteo – Kirche und Asyl, ‘Abgeschoben aus Deutschland nach Bulgarien: Systematische Verelendung im Transitland – kein Bett, kein Brot, keine Seife’, uitgebracht op 29 januari 2025.
7.AIDA Country report Bulgaria, update on 2024, maart 2025.
8.ABRvS 26 mei 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2387); ABRvS 19 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2745).
10.ABRvS 19 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3012) r.o. 5-5.1.
11.ABRvS 27 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2647); ABRvS 14 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1080); 3 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1490); ABRvS 26 mei 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2387); en ABRvS 19 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2745)
12.HvJ 29 februari 2024 (ECLI:EU:C:2024:195); ABRvS 4 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3455)
13.EHRM 21 januari 2011 (ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609, M.S.S. tegen België en Griekenland), r.o. 263; HvJEU 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218, Jawo), r.o. 91-93.
14.HvJEU 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218 Jawo), r.o. 92.
15.EHRM van 2 juli 2020 (ECLI:CE:ECHR:2020:0702JUD002882013, N.H.), punt 82.
17.p. 86-87 AIDA-rapport (update 2024)