ECLI:NL:RBDHA:2026:20239

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL25.7335
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 31 lid 6 sub c Vreemdelingenwet 2000Art. 3.113 lid 1 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 15 aanhef en sub c Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag Jemeniet wegens motiveringsgebrek, rechtsgevolgen in stand gelaten

Eiser, afkomstig uit Jemen, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister werd afgewezen wegens onvoldoende geloofwaardigheid van zijn relaas over problemen met de Houthi’s en het ontbreken van een reëel risico op willekeurig geweld in Sana’a.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de ex nunc-toetsing toepaste en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om hiervan af te wijken. Hoewel de minister een motiveringsgebrek vertoonde door onvoldoende waardering van overgelegde documenten, heeft hij dit in beroep hersteld.

De rechtbank stelt vast dat het beleid van de minister over het niveau van willekeurig geweld in Sana’a niet houdbaar was, maar dat het nieuwe beleid dit corrigeert. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij een verhoogd risico loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

Het beroep wordt gegrond verklaard wegens het motiveringsgebrek, het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding van €1.868 toegewezen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, het besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en eiser krijgt proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7335

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser inhoudelijk geen gelijk krijgt. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat de minister niet had hoeven afwijken van de ex nunc-toetsing. Verder heeft de minister, ondanks een motiveringsgebrek in het besluit, terecht gesteld dat de problemen van eiser met de Houthi’s niet geloofwaardig zijn. Het gebrek heeft de minister in beroep hersteld. Verder heeft de minister in het beleid, zoals vastgelegd in Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025/20, terecht aangenomen dat zich in Sana’a in Jemen niet het hoogste niveau van willekeurig geweld voordoet. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij, gezien deze minder uitzonderlijke situatie, in Sana’a het slachtoffer zal worden van willekeurig geweld. De minister heeft echter het bestreden besluit gebaseerd op het eerdere beleid (WBV 2024/9). Dat beleid heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) niet houdbaar geacht. [1] Daarmee bevat het besluit nog een motiveringsgebrek. De rechtbank zal wel de rechtgevolgen van het besluit in stand laten, omdat de minister het gebrek in beroep alsnog deugdelijk heeft gemotiveerd
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 januari 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op
13 maart 2026, naar aanleiding van een bericht van de rechtbank, een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is afkomstig uit Jemen en heeft tot aan zijn veertienjarige leeftijd in de stad Sana’a gewoond. Daarna is hij verhuisd naar Al Ziraáh en is hij vervolgens in 2022 vertrokken naar Turkije met een studievisum om daarna, ook met een studievisum, door te reizen naar Rusland. Eiser heeft Jemen verlaten omdat hij door de Houthi’s onder druk werd gezet. De Houthi’s wilden eiser namelijk rekruteren. Bij terugkeer vreest eiser dat hij om het leven zal komen vanwege de onveilige situatie in Jemen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. problemen met de Houthi’s vanwege rekrutering.
De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief is niet geloofwaardig geacht. Daarbij heeft de minister gesteld dat het asielmotief niet volledig is onderbouwd met objectieve documenten en eiser voldoet ook niet aan artikel 31, zesde lid, en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026. De verklaringen van eiser vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel, omdat de verklaringen onvoldoende persoonlijk en ongerijmd zijn. Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Jemen geen reëel risico op ernstige schade loopt. In Jemen is sprake van een hoge mate van willekeurig geweld en eiser heeft niet op basis van zijn individuele omstandigheden aannemelijk gemaakt waarom hij risico loopt om slachtoffer te worden van dat willekeurig geweld. De minister heeft daarom de aanvraag afgewezen als ongegrond.
Had de minister moeten afwijken van ex-nunc toetsing?
5. Eiser betoogt dat de minister gelet op bijzondere omstandigheden had moeten afwijken van de ex-nunc toetsing en dus ten onrechte het nieuwe beleid heeft toegepast. Daarbij wijst eiser op de uitspraak van deze rechtbank van 29 januari 2025. [2] Deze uitspraak kan á contrario worden toegepast, omdat in geval van eiser wel sprake is van bijzondere omstandigheden. De minister had namelijk direct na het nader gehoor kunnen beslissen op de aanvraag, zoals gebruikelijk in Jemenitische zaken, maar heeft er bewust voor gekozen om de zaak naar de verlengde asielprocedure te zenden met het oog op de beleidswijziging. Daarmee is ook sprake van een ongelijke behandeling, omdat de asielmotieven in deze zaak gelijk zijn aan die van andere zaken.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) blijkt namelijk dat ex-nunc toetsing het uitgangspunt in asielzaken is. Daarvan kan in bijzondere gevallen worden afgeweken. Van bijzondere omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank in geval van eiser geen sprake. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuwe beleidsregels in een ongunstigere positie komt, is namelijk onvoldoende om van dat uitgangspunt af te wijken. [3] Verder is niet gebleken, anders dan eiser stelt, dat de minister bewust ervoor gekozen heeft om de zaak van eiser naar de verlengde asielprocedure te zenden met het oog op de beleidswijziging.
Heeft de minister de problemen met de Houthi’s terecht ongeloofwaardig geacht?
6. Eiser betoogt dat de minister de problemen met de Houthi’s ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft verklaard over deze problemen en dat hij persoonlijk en via zijn familie is benaderd. Hij is ook ingelijfd en heeft lessen gevolgd, maar geen trainingen gehad. De werkwijze zoals eiser deze heeft beschreven, is ook een bekende werkwijze voor het rekruteren van meerderjarigen. [4] Verder heeft eiser uitgelegd waarom hij onder bijzondere aandacht van de Houthi’s staat. Hij maakt namelijk van moederskant deel uit van de aan de Houthi’s gerelateerde stam, waardoor van eiser verwacht wordt dat hij betrokken wordt. Daarnaast is eiser eerder gerekruteerd waarmee een reëel risico op ernstige schade bestaat. Eiser verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen. [5] Verder heeft de minister ten onrechte geen gewicht toegekend aan de door eiser overgelegde documenten, namelijk twee foto’s van oproepen van de Houthi’s met vertalingen. De minister heeft over de problemen ook onvoldoende doorgevraagd tijdens het nader gehoor, terwijl dat wel had gemoeten. Zeker gelet op het feit dat individuele omstandigheden in het kader van willekeurig geweld van belang zijn. Eiser verwijst daarbij naar artikel 3.113, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zoals dat luidde tot 12 juni 2026.
Doorvragen gehoor
6.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de minister meer had moeten doorvragen naar de problemen van eiser met de Houthi’s. Op pagina 9 van het nader gehoor is namelijk gevraagd waarom de Houthi’s interesse hadden in eiser en op pagina 4, 5,6, 8, 9, 10 en 11 is doorgevraagd over de rekrutering en trainingen die onderdeel zijn van de rekrutering. Daarmee heeft eiser voldoende de gelegenheid gehad om zijn individuele relaas naar voren te brengen.
Geloofwaardigheid relaas
6.2
De rechtbank stelt allereerst voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum, [6] het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof van Justitie heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom niet langer, wanneer zij het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid toetst, beoordelen of de minister zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld.
6.3.
De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de overgelegde documenten, zijnde twee foto’s van oproepen van de Houthi’s met vertalingen, niet op echtheid onderzocht kunnen worden, omdat het slechts foto’s van documenten zijn. Daarom kunnen deze documenten in het kader van artikel 31, zesde lid en onder c, van de Vw 2000 [7] niet meegenomen worden in de beoordeling van de geloofwaardigheid. In het verweerschrift heeft de minister gesteld dat geen waarde gehecht kan worden aan de overgelegde documenten omdat deze pas in de zienswijze zijn overgelegd.
6.4.
De rechtbank volgt de minister niet in zijn standpunt zoals dat is opgenomen in het bestreden besluit. Ook kopieën en/of foto’s van documenten dienen namelijk, volgens vaste jurisprudentie, meegenomen worden bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas. [8] Ook het standpunt in het verweerschrift kan geen standhouden. De minister dient namelijk, ook als (foto’s van) documenten later in de procedure overgelegd worden, hierover een standpunt in te nemen en kan niet alleen vanwege het later overleggen daarvan stellen dat er helemaal geen waarde toekomt aan een document. Dit heeft de minister tijdens de zitting ook erkend. Om deze reden bevat het besluit een motiveringsgebrek, waarmee het beroep van eiser gegrond is en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet echter reden om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. De minister heeft namelijk tijdens de zitting gesteld dat wel waarde gehecht kan worden aan de documenten, maar dat er een beperkte waarde aan de documenten toekomt. Dat standpunt kan de rechtbank volgen. De foto’s van de documenten kunnen namelijk niet op echtheid onderzocht worden en daarnaast heeft de minister mogen tegenwerpen dat eiser in het gehoor niet heeft verklaard over het feit dat hij opgeroepen zou zijn door de Houthi’s, terwijl dat meermaals gevraagd is.
6.5.
De rechtbank is van oordeel dat de minister, mede gelet op het voorgaande, terecht heeft gesteld dat de problemen van eiser met de Houthi’s niet geloofwaardig zijn. De minister heeft daarbij mogen tegenwerpen dat eiser niet persoonlijk heeft kunnen maken waarom de Houthi’s specifiek in hem geïnteresseerd zouden zijn en dat de verklaringen van eiser over de problemen onsamenhangend zijn. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij tot de [familienaam] stam behoort, maar is verder niet uitgeweid over de verplichtingen die deze stam zou eisen, zoals bijvoorbeeld de dienstplicht voor de Houthi’s. Daarnaast heeft eiser pas bij de zienswijze verklaringen afgelegd over vrijlating en de aanhoudende rekrutering van de Houthi’s, terwijl hij hierover tijdens het nader gehoor niets heeft verklaard. Eiser heeft ook niet uitgelegd waarom deze verklaringen niet tijdens het gehoor naar voren zijn gebracht. Met betrekking tot de verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, stelt de minister terecht dat deze verwijzing geen doel treft. Anders dan in die zaak, is in geval van eiser namelijk niet geloofwaardig is dat hij eerder gerekruteerd is. Het betoog van eiser dat zijn verklaringen overeenstemmen met de werkwijze van de Houthi’s, hoeft het standpunt van de minister niet anders te maken. Daarover heeft de minister tijdens de zitting namelijk terecht gesteld dat het aan eiser is om zijn individuele problemen aannemelijk te maken. Enkel wijzen op algemene bronnen, is daarvoor onvoldoende. Tegen de overige tegenwerpingen van de minister in kader van de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas, namelijk dat zijn verklaringen over de periode na zijn detentie ongerijmd zijn en dat zijn verklaringen over het ontlopen van de problemen met de Houthi’s ongerijmd zijn, heeft eiser geen beroepsgronden geformuleerd.
Loopt eiser bij terugkeer naar Jemen een reëel risico op ernstige schade?
7. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer naar Jemen een reëel risico op ernstige schade loopt, omdat sprake is van de hoogste gradatie van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Hierbij verwijst eiser naar de rapportage van Human Rights Watch over Jemen uit 2025 en een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 18 februari 2025 met landeninformatie over Jemen. Ook verwijst eiser naar een aantal uitspraken van deze rechtbank. [9] Verder heeft eiser ook met zijn individuele omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Daarbij wijst hij op de overgelegde (foto’s van) de oproepen en de problemen met de Houthi’s.
Willekeurig geweld
7.1.
De minister gaat sinds WBV 2024/9 voor geheel Jemen uit van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. De Afdeling heeft geoordeeld dat de minister in dit beleid onvoldoende heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. [10] De minister heeft volgens de Afdeling niet alle in de uitspraak genoemde relevante omstandigheden in zijn beoordeling betrokken en heeft de minister opgedragen een nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van het algemeen ambtsbericht voor Jemen van april 2025. De minister heeft vervolgens het beleid met WBV 2025/20 gewijzigd, waarbij hij nog steeds aanneemt dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in Sana’a.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit toepassing heeft gegeven aan het beleid zoals dat volgt uit WBV 2024/9. Dat besluit kan geen standhouden, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. De rechtbank verklaart het beroep ook om die reden gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter ook op dit punt aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De minister heeft namelijk in zijn verweerschrift van 13 maart 2026, onder verwijzing naar WBV 2025/20, gemotiveerd dat in Sana’a sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. De rechtbank volgt de minister in dit standpunt en wijst daarbij op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 februari 2026. [11] In deze uitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat de minister in het beleid, zoals volgt uit WBV 2025/20, terecht heeft aangenomen dat zich in Sana’a niet de hoogste gradatie van willekeurig geweld voordoet.
Verhoogd risico slachtoffer willekeurig geweld
7.3.
Omdat sprake is van een minder uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, moet eiser aannemelijk maken dat hij vanwege zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van dat willekeurig geweld. [12] De minister heeft terecht gesteld dat eiser dat niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft als individuele omstandigheden namelijk naar voren gebracht dat hij vanwege de problemen met de Houthi’s en de oproepen een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld. Deze individuele omstandigheden zien echter niet op willekeurig geweld, maar op gericht geweld. Daarmee maakt eiser niet aannemelijk dat hij een verhoogd risico op willekeurig geweld loopt. Met betrekking tot het risico op gericht geweld, verwijst de rechtbank naar dat wat is geoordeeld onder 6.5.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep van eiser tegen het bestreden besluit is gegrond, omdat het in strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet deugdelijk is gemotiveerd (zie daarvoor onder 6.4. en 7.2.). De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een proceskostenvergoeding. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 (1 punt voor het indienen van gronden tegen het besluit en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1, en waarde per punt van € 934).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr.K.H.M.M. Otten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Rb. Den Haag, zp. Den Haag, 29 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1399.
3.ABRvS 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4158. Zie bijvoorbeeld ook ECLI:NL:RBDHA:2025:3804.
4.Eiser verwijst naar A&MR, vraag & antwoord, ‘Rekruteren de Houthi’s meerderjarigen onder dwang?’, [persoon A].
5.Rb. Den Haag, zp. Groningen, 28 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3057.
6.HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58.
7.Zoals deze luidde vóór 12 juni 2026.
8.Stap 2b Werkinstructie 2024/6.
10.ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153 en ECLI:NL:RVS:2025:3154.
11.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 5 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2066.
12.Dat volgt uit arrest X en Y (ECLI:EU:C:2023:843) en het beleid in paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vc 2000.