ECLI:NL:RBDHA:2026:20259

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.20003
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vw 2000Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 24 EU-HandvestArt. 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet in behandeling nemen asielaanvragen gezin wegens onvoldoende belangenafweging minderjarige kinderen

Eisers, een gezin met vier minderjarige kinderen van Jemenitische nationaliteit, dienden asielaanvragen in die door verweerder niet in behandeling werden genomen op grond van de Dublinverordening, waarbij Tsjechië als verantwoordelijke lidstaat werd aangewezen.

Verweerder beriep zich op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en stelde dat Tsjechië zijn internationale verplichtingen nakomt. Eisers voerden aan dat zij in Tsjechië negatieve ervaringen hadden, waaronder discriminatie en beroving, en dat de toegang tot medische zorg problematisch is, vooral voor het pasgeboren kind.

De rechtbank oordeelde dat eisers onvoldoende concrete aanwijzingen hadden geleverd om het vertrouwensbeginsel te weerleggen en dat de negatieve ervaringen en landeninformatie niet voldeden aan de hoge drempel van structurele tekortkomingen. Wel stelde de rechtbank vast dat verweerder de belangen van de minderjarige kinderen onvoldoende had geïnventariseerd en niet kenbaar had meegewogen, in strijd met het EU-Handvest en het Kinderrechtenverdrag.

De rechtbank vernietigde daarom de bestreden besluiten en droeg verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de belangen van de kinderen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eisers.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit om de asielaanvragen niet in behandeling te nemen wegens onvoldoende belangenafweging van de minderjarige kinderen en draagt op tot nieuwe besluitvorming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.20003 en NL26.20010

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eisers]

V-nummers: [nummer] en [nummer]
Mede namens hun minderjarige kinderen
[eisers]
V-nummers: [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer]
Hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. M.M.G. Crompvoets),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H.M.M. van Dooren).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun asielaanvragen. Verweerder heeft de asielaanvragen met de besluiten van 9 april 2026 (hierna: de bestreden besluiten) niet in behandeling genomen omdat Tsjechië – gelet op de Dublinverordening (Verordening EU nr. 604/2013) – volgens verweerder verantwoordelijk is voor de asielaanvragen op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
De rechtbank heeft de beroepen (NL26.20003 en NL26.20010) – samen met de verzoeken om een voorlopige voorziening (NL26.20004 en NL26.20011) – op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk voor eisers is verschenen M. Heijerman (6473). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
1. Eisers zijn een gezin van twee ouders en vier minderjarige kinderen in de leeftijd van 0, 10, 14 en 16 jaar oud. Zij hebben de Jemenitische nationaliteit. Eisers hebben op 30 oktober 2025 bij verweerder asielaanvragen ingediend, die betrekking hebben op de ouders en de drie oudste kinderen, en op 25 november 2025 is er in dit verband een aanvullingsaanvraag gedaan ten behoeve van het op 11 november 2025 geboren kind ( [naam] ).
1.1.
Verweerder heeft naar aanleiding van deze asielaanvragen onderzoek in onder meer EU-Vis verricht. Hieruit bleek dat Tsjechië eisers een visum hebben verleend met een geldigheidsduur van 25 oktober 2025 tot 20 november 2025. Daarop heeft verweerder op 7 januari 2026 bij de Tsjechische autoriteiten een overnameverzoek gedaan op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening, die op 6 februari 2026 is geaccordeerd.
1.2.
Verweerder heeft met beide ouders afzonderlijk op 28 januari 2026 een aanmeldgehoor gehouden. Hier hebben zij onder meer – en voor zover voor het bestreden besluit van belang – het volgende verklaard. Eisers wensen niet overgedragen te worden aan Tsjechië. In Tsjechië hebben ze na aankomst nare ervaringen gehad; zij werden op straat lastig gevallen door jonge mannen en werden uitgelachen omdat ze hoofddoekjes droegen. Toen zij dit bij de politieauto die in de buurt was wilde melden, heeft de politie niets gedaan. In Tsjechië is het niet veilig voor eisers. Er is sprake van discriminatie en eisers zijn ook beroofd van hun spullen toen zij in een restaurant waren. Hiervan is geen aangifte gedaan omdat eisers niet tevreden waren met de eerdere handelswijze van de politie.
Bestreden besluiten
2. Met de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen op grond van artikel 30 van Pro de Vw 2000. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij ten aanzien van Tsjechië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Verweerder ziet geen reden om aan te nemen dat in Tsjechië sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid halen als bedoeld in het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218). Wat betreft het 2023 Report on International Religious Freedom van US-DOS stelt verweerder zich op het standpunt dat hieruit niet volgt dat Tsjechië structureel tekortschiet in het nakomen van zijn internationale verplichtingen jegens asielzoekers. Wat betreft de verklaringen van eisers over het lastig gevallen worden in Tsjechië, stelt verweerder dat eisers bij voorkomende problemen in Tsjechië dienen te klagen bij de (hogere) autoriteiten van Tsjechië of de daarvoor aangewezen instanties. Er is niet gebleken dat deze eisers niet zouden kunnen of willen helpen. De medische omstandigheden staan volgens verweerder niet in de weg aan overdracht. Er zijn geen medische documenten overgelegd ter onderbouwing van de medische klachten. Daarnaast geldt dat ook in Tsjechië medische behandeling mogelijk is en is niet gebleken dat Nederland het meest geschikte land is om eisers te behandelen. Verder vindt verweerder dat niet gebleken is dat sprake is van een onevenredige hardheid bij een overdracht van eisers aan Tsjechië, op grond waarvan hij toepassing moet geven aan zijn discretionaire bevoegdheid. Ten aanzien van de door eisers genoemde omstandigheden over de situatie in Tsjechië en de opgedane ervaringen daar, wijst verweerder terug naar zijn standpunt ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verder is niet nader onderbouwd dat sprake is van (ernstige) psychische gevolgen van de eerdere ervaringen van eisers en er zijn geen aanwijzingen dat eisers specialistische zorg nodig hebben in Nederland of een behandeling dienen te ondergaan. De medische aspecten zijn op zichzelf ook onvoldoende, juist gelet op de omstandigheid dat verweerder ervan mag uitgaan dat eisers in Tsjechië evengoed medische behandeling kunnen krijgen. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit niet zo is. Tenslotte is het feit dat eisers een pasgeboren kind hebben geen bijzondere omstandigheid in dit verband, en is de omstandigheid dat het om een gezin gaat met minderjarige kinderen geen reden om bijzondere kwetsbaarheid aan te nemen en om die reden aanvullende garanties te vragen van de Tsjechische autoriteiten voor adequate opvang en zorg.
Standpunt eisers
3. Eisers hebben op de hierna te bespreken gronden beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
Beoordeling rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de bestreden besluiten terecht heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden (de argumenten) van eisers.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
4.1.
Eiseres betwisten in de eerste plaats dat ten aanzien van Tsjechië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eisers wijzen op de landeninformatie die zij in het kader van de zienswijze naar voren hebben gebracht. Uit die landeninformatie blijkt dat er een negatieve maatschappelijke houding is ten aanzien van moslims en dat wordt gestaafd door het relaas van eisers en de bezwaren die zij hebben aangegeven tegen overdracht. Eisers hebben verklaard dat zij zijn lastiggevallen door jonge mannen vanwege hun hoofddoek en dat de telefoon en geld van eiseres zijn gestolen, terwijl zij hoogzwanger was. Verweerder motiveert niet waarom de overgelegde landeninformatie niet maakt dat er objectieve aanknopingspunten zijn dat Tsjechië zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Verweerder heeft de verklaringen van eisers over de ervaringen in Tsjechië bovendien slechts samengevat, maar niet inhoudelijk beoordeeld. Verder stelt verweerder ten onrechte dat eisers zich tot de autoriteiten kunnen wenden voor bescherming. Eisers hebben reeds contact gehad met de politie, maar er is niets mee gedaan. Eisers hebben daarnaast aangetoond – middels het rapport van National Institute SYRI – dat de toegang tot medische zorg voor asielzoekers in Tsjechië problematisch is. Eisers wijzen hierbij in het bijzonder op het feit dat er een kind is van 0 jaar oud, waarvoor sprake moet zijn van garanties tot toegang voor medische zorg.
4.2.
Over dit betoog oordeelt de rechtbank als volgt.
4.3.
Uitgangspunt is dat verweerder er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, van mag uitgaan dat Tsjechië zijn internationale verplichtingen tegenover eisers nakomt. Het vermoeden dat Tsjechië zijn internationale verplichtingen tegenover eisers zal nakomen is weerlegbaar. Het ligt daarbij in de eerste plaats op de weg van eisers om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Tsjechië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Tsjechische autoriteiten, een reëel risico lopen op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. Daartoe kunnen zij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Tsjechië overleggen of verklaringen afleggen over hun eigen ervaringen met het asiel- en opvangsysteem in Tsjechië. Van een schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM zal, als eisers aannemelijk maken dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, pas sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie het arrest Jawo, punten 91-93).
4.4.
Bij voornoemde beoordeling is de in aanmerking te nemen situatie die waarin eisers zich bij of na de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat zou bevinden, en aldus niet die waarin zij zich bevonden toen zij het grondgebied van die lidstaat aanvankelijk betraden. De rechtbank verwijst daarbij naar het arrest X van het HvJ-EU van 29 februari 2024 (ECLI:EU:C:2024:195, punt 64).
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat eisers er niet in zijn geslaagd om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Tsjechië een reëel risico lopen op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraak van 1 november 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4361) bepaald dat verweerder mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Tsjechië, en dit heeft de Afdeling in de uitspraken van 23 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1695) en 13 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4582) bevestigd. De rechtbank ziet in deze zaak, gelet op wat is overgelegd en aangevoerd, geen reden om tot een ander oordeel te komen dan de Afdeling. Dat uit de in de landeninformatie waarnaar in de zienswijze is verwezen (rapport van USDOS) volgt dat sprake is van negatieve bejegening van de moslim en de islam in Tsjechië in het publieke debat is betreurenswaardig, maar leidt er op zichzelf nog niet toe dat de situatie in Tsjechië door de hiervoor bedoelde ondergrens zakt. Ook met de door eisers afgelegde verklaringen over de vervelende ervaringen van eisers in Tsjechië – die op zichzelf wel stroken met die landeninformatie – is dat niet aannemelijk gemaakt. Daarbij is met name van belang dat, zoals verweerder terecht stelt, het op de weg van eisers ligt om te klagen bij de (hogere) autoriteiten als zij in Tsjechië problemen ondervinden, bijvoorbeeld wat betreft ondervonden discriminatie of beroving. Niet is gebleken dat eisers daadwerkelijk aangifte hebben gedaan en er zijn ook geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat deze autoriteiten eisers niet zouden kunnen of willen helpen bij dit soort problemen. In zoverre is van onverschilligheid aan de zijde van de autoriteiten wat betreft die misbejegening tegenover de islam en moslim in Tsjechië niet gebleken.
4.6.
Wat betreft de betwisting van toegang tot de gezondheidszorg in Tsjechië voor asielzoekers is de rechtbank van oordeel dat uit het in de zienswijze aangehaalde citaat van het rapport van National Institute SYRI, één en ander niet volgt. Uit de aldaar genoemde omstandigheid dat er barrières zijn met een ‘taalkundige, culturele en systemische’ dimensie en dat zorgprofessionals onvoldoende voorbereid zijn op het werken met patiënten met verschillende achtergronden, kan niet tot het oordeel leiden dat de toegang tot gezondheidszorg voor asielzoekers in het geheel moet worden geacht te ontbreken met als gevolg dat Tsjechië in strijd met zijn verplichtingen uit de Opvangrichtlijn zou handelen. Er ontbreken ook aanknopingspunten dat specifiek in het kader van de gezondheidszorg voor jonge minderen en baby’s de toegang in de praktijk effectief niet bestaat. Tenslotte ziet de rechtbank geen reden om in dit verband een motiveringsgebrek aan te nemen, nu verweerder in het bestreden besluit is ingegaan op zowel de door eisers genoemde landeninformatie als de door hen afgelegde verklaringen.
4.7.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de beroepsgrond van eisers niet slaagt.
Belangen kinderen
5. Eisers voeren verder aan dat de belangen van de minderjarige kinderen onvoldoende zijn nagegaan door verweerder. Eisers wijzen erop dat het gezin gezien de zeer jonge leeftijd van de vier kinderen erg kwetsbaar is. Zij beroepen zich op artikel 24 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (EU-Handvest) en artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK. Daaruit volgt dat de belangen van de minderjarige kinderen een eerste overweging voor verweerder dienen te zijn. Niet gebleken is dat verweerder deze belangen op zorgvuldige wijze heeft vastgesteld en dat is nagegaan welke impact een overdracht naar Tsjechië op de minderjarige kinderen zou kunnen hebben. In de aanvullende gronden van 3 juli 2026 hebben eisers daarbij specifiek nog gewezen op de belangen van de oudste dochter Maitha, en in dat kader een nadere onderbouwing ingeleverd in de vorm van een steunbetuigingsbrief van de school van Maitha.
5.1.
Dit betoog slaagt. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
5.2.
Op grond van artikel 24, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (EU-Handvest), gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK), vormen de belangen van het kind een eerste overweging bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen. Op grond van artikel 24, eerste lid, van het EU-Handvest, gelezen in samenhang met artikel 12, eerste lid, van het IVRK, hebben kinderen die in staat zijn hun mening te vormen het recht om hun mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid. Het kind wordt hiertoe op grond van artikel 12, tweede lid, van het IVRK met name in de gelegenheid gesteld door te worden gehoord in iedere gerechtelijke en bestuurlijke procedure die het kind betreft, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een vertegenwoordiger of een daarvoor geschikte instelling, op een wijze die verenigbaar is met de procedureregels van het nationale recht.
5.3.
De onder 5.2 genoemde uitgangspunten hebben ook hun weerslag gekregen in de Dublinverordening. Overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van de Dublinverordening moet een lidstaat het belang van het kind in Dublinprocedures vooropstellen. Uit het derde lid volgt dat om vast te stellen wat het belang van het kind is, de lidstaten in het bijzonder rekening houden met onder andere de standpunten van de minderjarige, in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit.
5.4.
Verweerder heeft in dit kader in het – in verband met de komst van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (Verordening EU nr. 2024/1351) inmiddels vervallen – informatiebericht 2022/77 (‘Belang van het kind in Dublinzaken’) neergelegd dat in alle zaken waar kinderen betrokken zijn, waaronder ook die van begeleide minderjarigen, het belang van het kind meer concreet en specifiek zal moeten worden getoetst als daartoe aanleiding bestaat. Dit dient te gebeuren door in de besluitvorming uitdrukkelijk gemotiveerd aandacht te besteden aan onder meer het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige en de standpunten van de minderjarige, in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit.
5.5.
De rechtbank overweegt verder dat in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3900) – kort samengevat – is overwogen dat uit het onder 5.2 en 5.3 genoemde juridische kader een verplichting voor verweerder volgt om begeleide minderjarige vreemdelingen die in staat zijn hun mening te vormen binnen de Dublinprocedure in de gelegenheid te stellen hun mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die hen betreffen, maar dat er geen absolute verplichting bestaat om een begeleide minderjarige vreemdeling altijd rechtstreeks te horen. In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de werkwijze van verweerder op onderdelen niet in overeenstemming is met artikel 24, tweede lid, van het EU Handvest, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en artikel 12 van Pro het Kinderrechtenverdrag.
5.6.
De rechtbank leidt uit de dossiers in de hier aan de orde zijnde zaken af dat bij de totstandkoming van de bestreden besluiten onvoldoende is gepoogd om de (eventuele bijzondere) belangen van de minderjarige kinderen in kaart te brengen. Weliswaar heeft Maitha een eigen aanmeldgehoor gehad, maar voor de overige kinderen die redelijkerwijs in staat moeten worden geacht hun mening te kunnen uiten (Abubaker en Mahrah) geldt dit niet. Er ontbreken bovendien aanknopingspunten dat de kinderen wel op andere wijze in de gelegenheid zijn gesteld hun mening over de voorgenomen besluitvorming vrijelijk te uiten en dat ze hierover zelf voldoende zijn geïnformeerd (vergelijk r.o. 11.1.1 van ECLI:NL:RVS:2025:3900).
5.7.
In de bestreden besluiten is verder – in het verlengde van het hiervoor vastgestelde gebrek in het kader van het inventariseren – in het geheel geen motivering opgenomen over de (belangen van de) minderjarige kinderen en zijn deze belangen dus niet kenbaar gemotiveerd betrokken. Dit terwijl IB 2022/77 uitdrukkelijk voorschrijft dat die kenbare motivering ten aanzien van de verschillende aspecten dient te worden opgenomen. De rechtbank overweegt dan ook dat verweerder, door aldus te handelen, in strijd handelt met het onder 5.2 tot en met 5.5 weergegeven juridische kader, waarin voor verweerder kort gezegd de verplichting is opgenomen om de belangen van minderjarige kinderen voorop te stellen en een eerste overweging te laten zijn.
5.8.
Het beroep is gegrond. De overige beroepsgrond behoeft geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

6. De bestreden besluiten zijn in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen aanleiding om het finaal geschil te beslechten omdat verweerder nader onderzoek dient te doen en – vervolgens – nader dient te motiveren. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen om nieuw besluiten te nemen op de asielaanvragen van eisers, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.
6.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,00 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift). De rechtbank neemt voor de zaken NL26.20003 en NL26.10010 samenhang aan zoals bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, gelet op de inhoudelijke verwevenheid tussen de zaken en de gelijktijdige indiening van de (gelijkluidende) beroepsgronden in de beide zaken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 9 april 2026;
- draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de asielaanvragen van eisers, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 10 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.