ECLI:NL:RBDHA:2026:20277

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.20142
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 20 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en Kroatië-verantwoordelijkheid

Eiser, van Palestijnse nationaliteit, diende op 9 december 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland stelde vast dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening, omdat eiser via Kroatië het grondgebied illegaal was binnengekomen en daar al een verzoek om internationale bescherming had ingediend.

Verweerder nam de asielaanvraag niet in behandeling en wees op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat inhoudt dat Nederland mag aannemen dat Kroatië zijn internationale verplichtingen nakomt. Eiser voerde aan dat Kroatië tekortschiet door pushbacks en slechte opvang, onderbouwd met rapporten en persoonlijke ervaringen, en dat overdracht aan Kroatië een onevenredige hardheid oplevert.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen had geleverd om het interstatelijk vertrouwensbeginsel te weerleggen. De aangevoerde rapporten en persoonlijke verklaringen waren onvoldoende om aan te tonen dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Ook het beroep op artikel 17 Dublinverordening Pro wegens onevenredige hardheid werd verworpen, omdat eiser geen medische onderbouwing gaf voor zijn traumatische ervaringen.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20142

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Heida),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kana).

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.20143), op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en mr. W.A. Berghuis, waarnemend gemachtigde, zijn ter zitting verschenen. Als tolk is verschenen mevrouw D. Verhat. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Palestijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1989. Eiser heeft op 9 december 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
1.1.
Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 3 december 2025 het Dublin grondgebied illegaal is binnengekomen via Kroatië en daar op dezelfde dag een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 17 januari 2026 heeft Nederland aan Kroatië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening [1] ). Kroatië heeft dit terugnameverzoek op 28 januari 2026 op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening aanvaard.
Totstandkoming van het besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het Europees verdrag voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beoordeling van de beroepsgronden door de rechtbank
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
3. Eiser stelt dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan vanwege systeem gerelateerde tekortkomingen. Hij vreest na overdracht slachtoffer te worden van pushbacks en geen effectieve toegang te krijgen tot de asielprocedure. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een brief van VluchtelingenWerk Nederland waarin wordt verwezen naar rapporten van Solidarité Sans Frontières, Centre for Peace Studies (CPS), Border Violence Monitoring Network (BVMN) en acht de AIDA rapporten Update 2023 en Update 2024 hierbij ook van belang. Uit de brief volgt dat pushbacks in Kroatië structureel plaatsvinden, ook ten aanzien van geregistreerde asielzoekers, terwijl de autoriteiten hier onvoldoende tegen optreden. Daarnaast volgt hieruit ook dat er geen concreet inzicht is in de feitelijke toegang van Dublinterugkeerders tot de asielprocedure en het risico dat zij na overdracht lopen. Eiser wijst erop dat Dublinterugkeerders van wie de asielprocedure is opgeschort een nieuw verzoek om internationale bescherming moeten indienen, waardoor zij extra kwetsbaar zijn voor pushbacks. Voor zover zijn asielaanvraag wel in behandeling wordt genomen, vreest eiser een met artikel 3 EVRM Pro strijdige behandeling vanwege de structureel gebrekkige opvangomstandigheden. Hij verwijst in dat kader naar de AIDA-rapporten en zijn eigen ervaringen. Volgens eiser maken de taalbarrière en het ontbreken van toegang tot gefinancierde rechtsbijstand het voor hem onmogelijk om effectief te kunnen klagen. Daarmee voldoet hij aan de in het arrest Jawo bedoelde hoge drempel van zwaarwegendheid. De verwijzing van verweerder naar de uitspraak van de Afdeling kan volgens eiser niet slagen, omdat het meest recente AIDA-rapport (Update 2024) daarin niet is betrokken.
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in onder meer de uitspraken van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411, 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037, bevestigd op onder meer 24 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1869 en 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635, geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.
3.2.
Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat eiser bij overdracht aan Kroatië geen risico loopt op een met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending op van artikel 4 van Pro het Handvest. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo).
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd om (met stukken) aannemelijk te maken dat Dublinclaimanten bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van de internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico lopen op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. De door eiser genoemde rapporten leiden niet tot een ander oordeel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat uit de brief van Vluchtelingenwerk volgt dat er concrete aanwijzingen zijn dat Dublinclaimanten risico lopen op pushbacks en weigering van toegang tot de asielprocedure. Daarbij merkt de rechtbank op dat in de eerdergenoemde Afdelingsuitspraak van 9 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2024:4037) de brief van Vluchtelingenwerk is betrokken in de beoordeling dat ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Deze conclusie geldt ook ten aanzien van het AIDA-rapport, Update 2024. De Afdeling heeft in de uitspraak van 8 december 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5901) geoordeeld dat het AIDA-rapport, Update 2024, van augustus 2025, geen wezenlijk ander beeld schetst dan het eerdere AIDA rapport, update 2023, waarover de Afdeling al heeft geoordeeld. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover anders te oordelen dan de Afdeling.
3.4.
Met zijn persoonlijke verklaringen over zijn ervaringen in Kroatië heeft eiser evenmin aannemelijk gemaakt dat in Kroatië sprake is van zodanig ernstige tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest of artikel 3 van Pro het EVRM. Tijdens zijn aanmeldgehoor heeft eiser verklaard dat hij in Kroatië door de politie is vernederd, geslagen, dat zijn telefoon stuk is gemaakt, dat hij is mishandeld en dat hij drie dagen in de gevangenis is beland zonder eten en drinken (zie pagina’s 4 en 5). Dat hij bij zijn illegale binnenkomst in Kroatië door de Kroatische autoriteiten slecht werd behandeld, betekent nog niet dat eiser ook als Dublinclaimant bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met voormelde bepalingen. De verklaringen van eiser gaan over de wijze waarop hij bij eerste aankomst in Kroatië is behandeld en niet over de situatie dat eiser als Dublinclaimant aan Kroatië zal worden overgedragen (zie bijvoorbeeld de Afdelingsuitspraak van 29 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1645, en het arrest van het Hof van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, punt 64). Over dit laatste kan eiser ook niet verklaren, nu hij niet eerder als Dublinclaimant is overgedragen aan Kroatië. Eiser heeft niet met landeninformatie onderbouwd dat Dublinclaimanten, die gereguleerd op het vliegveld worden overgedragen aan de Kroatische autoriteiten, na overdracht aan Kroatië een reëel risico lopen om in eenzelfde situatie terecht te komen als eiser eerder in Kroatië heeft meegemaakt. Daarbij komt dat Kroatië met het claimakkoord heeft gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Als eiser vindt dat Kroatië zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Kroatië te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet aannemelijk gemaakt. Te meer nu eiser heeft verklaard dat hij geen klacht heeft ingediend bij de autoriteiten (zie aanmeldgehoor pagina 5). De enkele stellingen dat er sprake is van een taalbarrière en dat toegang tot gefinancierde rechtsbijstand ontbreekt waardoor het onmogelijk is om effectief te klagen in Kroatië zijn niet nader onderbouwd en volgt de rechtbank daarom niet. Er is niet gebleken dat de autoriteiten van Kroatië eiser niet zouden kunnen of willen helpen.
3.5.
Gelet op voorgaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in Kroatië sprake is van zodanig ernstige tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest of artikel 3 van Pro het EVRM. Eiser haalt met het door hem aangevoerde de hoge drempel van zwaarwegendheid als bedoeld in het arrest Jawo niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Onevenredige hardheid
4. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd om welke reden hij eisers aanvraag niet aan zich trekt op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Verweerder heeft de door eiser aangevoerde omstandigheden – te weten zijn ervaring in detentie en het onthouden van drinken en voedsel die hij als traumatische gebeurtenissen heeft ervaren waar hij nog steeds last van heeft – onvoldoende gewicht toegekend. Verweerder kan – omdat het gaat om opgelopen traumatische gebeurtenissen – niet enkel verwijzen naar zijn overwegingen ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
4.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat verweerder terughoudend gebruikmaakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van de Dublinverordening niet verplicht is.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de gestelde traumatische ervaringen van eiser in Kroatië niet als bijzondere, individuele omstandigheid hoeven aanmerken die maakt dat overdracht aan Kroatië van een onevenredige hardheid getuigt. Eiser heeft overigens geen medische documenten overgelegd, waaruit zou kunnen blijken dat er sprake is van (ernstige) psychische en/of lichamelijke gevolgen van zijn ervaringen in Kroatië. Voor zover eiser zich beroept op de detentieomstandigheden is dit reeds beoordeeld onder het interstatelijk vertrouwensbeginsel en hoeft dit niet nogmaals beoordeeld te worden in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
4.3.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Op den Kamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de Dublinverordening en de wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit.