ECLI:NL:RBDHA:2026:20586

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.16545
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a VwArt. 3.106a VbArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens status in Duitsland ongegrond verklaard

Eiseres, van Eritrese nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. De minister verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van het feit dat eiseres reeds internationale bescherming geniet in Duitsland sinds 21 maart 2024. Eiseres stelde dat terugkeer naar Duitsland niet mogelijk is vanwege haar zwangerschap, psychische gesteldheid en het ontbreken van adequate zorg en huisvesting, maar kon deze stellingen onvoldoende onderbouwen met objectieve medische documenten.

De rechtbank overwoog dat het uitgangspunt is dat een vreemdeling die internationale bescherming geniet in een andere EU-lidstaat een zodanige band met die lidstaat heeft dat het redelijk is om daarheen terug te keren. De minister hoeft hiervan alleen af te wijken bij bijzondere feiten en omstandigheden, welke eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook het beroep op het arrest Ibrahim faalde wegens het ontbreken van medische onderbouwing.

Verder oordeelde de rechtbank dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij wordt aangenomen dat Duitsland zijn internationale verplichtingen nakomt, tenzij concrete aanwijzingen het tegendeel bewijzen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland haar niet adequaat zal helpen. Ten slotte zag de rechtbank geen schending van artikel 8 EVRM Pro, mede omdat het hier ging om een niet-ontvankelijkverklaring en niet om een inhoudelijke afwijzing.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de niet-ontvankelijkverklaring en bepaalde dat eiseres dient terug te keren naar Duitsland. Proceskosten werden niet toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en eiseres moet terugkeren naar Duitsland.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16545

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,

geboren op [geboortedatum],
van Eritrese nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.R. van der Pol),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 19 maart 2026 niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres internationale bescherming geniet in Duitsland.
1.1.
Eiseres heeft hierbij ook verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft al eerder uitspraak gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening en de voorlopige voorziening afgewezen. [1]
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de vriend van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de niet-ontvankelijkverklaring van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Zienswijze
4. De rechtbank overweegt dat de algemene stelling van eiseres in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen aanmerken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het besluit ingegaan op de zienswijze van eiseres. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiseres in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens haar niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.
Internationale bescherming
5. De minister heeft de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, in samenhang met artikel 3.106a van het Vb [2] , omdat eiseres internationale bescherming heeft in Duitsland. Uit Eurodac blijkt dat aan eiseres internationale bescherming is toegekend op 21 maart 2024. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat aan eiseres in Duitsland internationale bescherming is verleend en dat deze bescherming niet is beëindigd of ingetrokken.
5.1.
De rechtbank benadrukt dat het in deze procedure gaat om een asielaanvraag en niet om een aanvraag op reguliere gronden. Voor zover de beroepsgronden zich richten op reguliere gronden overweegt de rechtbank dat zij deze alleen in het licht van de asielaanvraag kan beoordelen. Het staat eiseres vrij om een aanvraag in te dienen voor een verblijfsvergunning op reguliere gronden.
5.2.
Uitgangspunt is dat de minister een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaart op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, als de vreemdeling een zodanige band heeft met het andere land dat het voor hem redelijk is om naar dat land te gaan. Dat staat in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [3] volgt dat alleen al omdat een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet, sprake is van een zodanige band met die lidstaat dat het voor hem redelijk is naar dat land te gaan. [4] De minister moet van dit uitgangspunt afwijken als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die tot een andere conclusie leiden. Artikel 3.106a, derde lid, van het Vb bepaalt dat bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, alle relevante feiten en omstandigheden betrokken moeten worden, waaronder de aard, duur en omstandigheden van het eerdere verblijf. [5]
5.3.
De rechtbank overweegt dat de minister er, mede gelet op de onder 5. genoemde feiten, van uit heeft mogen gaan dat eiseres een zodanige band met Duitsland heeft dat het voor haar redelijk is om terug te keren. Voor zover eiseres stelt dat zij niet terug kan keren vanwege haar zwangerschap, psychische gesteldheid en het ontbreken van goede zorg en huisvesting in Duitsland, overweegt de rechtbank dat eiseres deze stellingen onvoldoende met objectieve documenten heeft onderbouwd. De door eiseres overgelegde documenten, te weten haar afsprakenbrief bij de verloskundigenpraktijk, zijn onvoldoende voor een ander oordeel. Uit dit document kan de rechtbank niet afleiden dat volgens een behandelaar Nederland het meest aangewezen land is voor de medische behandeling. Het beroep van eiseres op het arrest Ibrahim [6] slaagt ook niet, gelet op het ontbreken van de medische documenten. De enkele stelling van eiseres dat zij door de postnatale fase uiterst kwetsbaar is, is onvoldoende voor een ander oordeel. Ook ten aanzien van de stellingen dat eiseres niet kan terugkeren vanwege de ruzie met haar ouders heeft de minister er terecht op gewezen dat zij zich met eventuele problemen kan wenden tot de Duitse autoriteiten. Eiseres heeft derhalve geen bijzondere feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt, die zouden maken dat de minister had moeten afwijken van het uitgangspunt dat het redelijk is dat eiser naar Duitsland terugkeert. De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister ervan uitgaan dat de lidstaten van de EU hun internationale verplichtingen uit hoofde van bijvoorbeeld het Vluchtelingenverdrag en de Opvangrichtlijn naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waarnaar de vreemdeling zal terugkeren zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan deze veronderstelling wordt weerlegd.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland jegens haar de internationale verplichtingen niet zal nakomen. Eiseres kan zich met haar gestelde medische klachten en klachten rondom problemen met haar ouders in Duitsland melden bij de Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat de Duitse autoriteiten eiseres niet kunnen of willen helpen.
Schending artikel 8 van Pro het EVRM [7]
7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit een schending van artikel 8 van Pro het EVRM oplevert. De minister heeft er in dat kader terecht op gewezen dat hij niet gehouden is ambtshalve te toetsen aan artikel 8 van Pro het EVRM. In het geval van eiseres gaat het om een niet-ontvankelijkverklaring en niet om een afwijzing. [8] Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het bestreden besluit voldoende deugdelijk gemotiveerd waarom zij vasthoudt aan het bevel om naar Duitsland te gaan.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en terug moet keren naar Duitsland. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.E. Mulder, griffier, en openbaar gemakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 8 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:11103.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:442.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:326.
6.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219 (arrest Ibrahim).
7.Het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
8.Artikel 3.6a, tweede lid, Vb.