ECLI:NL:RBDHA:2026:20587

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.31972
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningVerordening (EU) 2024/1351
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiser, van Iraakse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar de minister nam de aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is. De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 16 juli 2026.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland, dat zijn internationale verplichtingen zal nakomen. Eiser heeft onvoldoende concrete aanwijzingen geleverd dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. De enkele verwijzing naar het AIDA-rapport en het Duitse uitzettingsbesluit volstaan niet.

Verder is geoordeeld dat de minister geen nieuw claimverzoek hoefde in te dienen en de samenwerkingsverplichting niet heeft geschonden, ook niet door het onderbreken van eiser tijdens het gehoor. De medische problematiek van eiser is voldoende betrokken, maar onvoldoende onderbouwd om overdracht te verhinderen.

De rechtbank concludeert dat de minister zich redelijk heeft opgesteld en dat de aangevoerde omstandigheden geen reden geven om het besluit te vernietigen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31972

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Iraakse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening [1] , op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
1.2.
Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026 gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024/1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMB-verordening). Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria. [2]
4.1.
Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 21 januari 2026 een verzoek om terugname gedaan, op grond van artikel 18, eerste lid, onder b van de Dublinverordening. Duitsland heeft dit verzoek op 22 januari 2026 op grond van artikel 18, eerste lid onder d, van de Dublinverordening aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [3] Dit betekent dat de minister ervan mag uitgaan dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Duitsland niet in strijd zal zijn met artikel 3 van Pro het EVRM [4] en artikel 4 van Pro het Handvest. [5] Eiser kan dit vermoeden weerleggen door met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Hiervoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland overleggen. Van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest zal, als eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Van belang is dat Duitsland zich met het claimakkoord heeft verplicht om te handelen conform de daarbij gestelde Europese richtlijnen en internationale verplichtingen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Duitse wetgeving op het gebied van herhaalde asielaanvragen er toe leidt dat eiser een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. De enkele verwijzing naar de procedure van herhaalde asielaanvragen zoals volgt uit het AIDA rapport, update 2024 [6] , is hiertoe onvoldoende. De rechtbank heeft al eerder geoordeeld [7] dat dit AIDA rapport geen wezenlijk ander beeld laat zien dan het eerdere AIDA rapport, dat is beoordeeld in de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2025. [8] Daarbij overweegt de rechtbank dat uit het enkel overleggen van het Duitse uitzettingsbesluit niet blijkt dat Duitsland zich niet heeft gehouden aan haar internationale verplichtingen. Eiser heeft op de zitting verklaard dat hij tegen dit uitzettingsbesluit beroep heeft ingesteld en dat het beroep ongegrond is verklaard. De rechtbank volgt eiser ook niet in de stelling dat de minister het uitzettingsbesluit onvoldoende heeft betrokken in haar beoordeling. Zo heeft de minister in het bestreden besluit kenbaar gemotiveerd dat eisers asielaanvraag in Duitsland is ingetrokken, dat hij naar Irak moet vertrekken en dat eiser eventueel in Duitsland een nieuwe asielaanvraag kan indienen. Dat mogelijk geen inhoudelijke beoordeling zal worden gemaakt van de herhaalde asielaanvraag van eiser maakt nog niet dat Duitsland zich niet houdt aan de internationale verplichtingen. Daarbij staat het niet vast dat eiser zijn asielmotief in Duitsland niet naar voren kan brengen. Voor het overige is ook niet gebleken dat Duitsland zich niet aan haar internationale verplichtingen heeft gehouden. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij na overdracht naar Duitsland direct in onrechtmatige (vreemdelingen)detentie zal worden geplaatst. Indien eiser in Duitsland problemen ondervindt, kan hij hierover klagen bij de Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat eiser dit heeft gedaan dan wel dat de (hogere) Duitse autoriteiten eiser niet willen of kunnen helpen. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister een nieuw claimverzoek moeten indienen bij de Duitse autoriteiten?
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister geen nieuw claimverzoek heeft hoeven indienen bij de Duitse autoriteiten. Alhoewel eisers stelling, dat de minister het claimverzoek op een andere grondslag heeft ingediend dan de grondslag waarop het claimakkoord tot stand is gekomen juist is, maakt dit het claimakkoord nog niet rechtens ongeldig. Niet in geschil is dat de Duitse autoriteiten het verzoek hebben aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid onder d van de Dublinverordening en dat zij hiermee hebben verzekerd de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen. Zoals hiervoor overwogen mag de minister uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. De rechtbank volgt eiser ook niet in de stelling dat de minister een nieuw claimverzoek heeft moeten indienen nadat eiser een nieuwe asielaanvraag had ingediend. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister de samenwerkingsverplichting geschonden?
7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de samenwerkingsverplichting heeft geschonden. Op grond van de samenwerkingsverplichting is de minister gehouden om een asielzoeker zoals eiser in de gelegenheid te stellen om door middel van een gehoor zijn asielaanvraag te onderbouwen. Dat eiser door de gehoormedewerker werd onderbroken in zijn verhaal over zijn asielmotieven om Irak te verlaten maakt niet dat de minister niet aan de samenwerkingsplicht heeft voldaan. Wanneer een andere lidstaat in beginsel verantwoordelijk is voor een asielaanvraag, mag de minister zich in het gehoor met de asielzoeker beperken tot de vraag of er bezwaren bestaan om aan de verantwoordelijke lidstaat te worden overgedragen. De inhoudelijke asielmotieven zullen in een dergelijk geval namelijk niet door de minister worden beoordeeld, in ieder geval niet zolang een Dublinclaim aan de asielzoeker kan worden tegengeworpen. Eiser heeft daarbij in de zienswijze, de beroepsgronden en op de zitting voldoende gelegenheid gehad om toe te lichten waarom door deze handelswijze van de minister argumenten zijn gemist die maken dat de minister niet tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Niet gebleken is hoe eiser door deze onderbrekingen tijdens het gehoor in zijn belangen is geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister de medische problematiek van eiser voldoende betrokken?
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de medische problematiek van eiser voldoende betrokken in het bestreden besluit. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser enkel heeft gesteld dat hij last heeft van een bloedaandoening, maar deze stelling niet met documenten heeft onderbouwd. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in het betoog dat hieruit blijkt dat een overdracht naar Duitsland op zichzelf aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen kan hebben.
Artikel 17 Dublinverordening Pro
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding vormen om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen. De minister is op hetgeen door eiser naar voren is gebracht gemotiveerd ingegaan en heeft daarbij mogen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [9]

Conclusie en gevolgen

10. De rechtbank ziet in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.E. Mulder, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer NL26.31973.
2.Artikel 84 lid 2 van Pro de AMB-verordening (overgangsmaatregelen).
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:588) en 8 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4770) waarbij de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond (ECLI:NL:RBLIM:2025:8989) is bevestigd.
4.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
5.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
6.AIDA country report on Germany, update on 2024, gedateerd juni 2025.
7.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 19 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:16626, r.o. 5.2.
9.Zie ook: de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1595.