ECLI:NL:RBDHA:2026:20587
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L.J. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen
Eiser, van Iraakse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar de minister nam de aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is. De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 16 juli 2026.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland, dat zijn internationale verplichtingen zal nakomen. Eiser heeft onvoldoende concrete aanwijzingen geleverd dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. De enkele verwijzing naar het AIDA-rapport en het Duitse uitzettingsbesluit volstaan niet.
Verder is geoordeeld dat de minister geen nieuw claimverzoek hoefde in te dienen en de samenwerkingsverplichting niet heeft geschonden, ook niet door het onderbreken van eiser tijdens het gehoor. De medische problematiek van eiser is voldoende betrokken, maar onvoldoende onderbouwd om overdracht te verhinderen.
De rechtbank concludeert dat de minister zich redelijk heeft opgesteld en dat de aangevoerde omstandigheden geen reden geven om het besluit te vernietigen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.