ECLI:NL:RVS:2026:1595

Raad van State

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
BRS.25.002153
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 4 EU-HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 18 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en medische risico's

Betrokkene, met de Macedonische nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk was volgens de Dublinverordening. Betrokkene stelde bezwaren aan tegen overdracht aan Duitsland vanwege slechte opvangomstandigheden en bedreigingen.

Betrokkene overhandigde medische informatie over haar psychische gesteldheid, waaronder een patiëntendossier en psychiatrische brieven. Het Bureau Medische Advisering (BMA) bracht een advies uit waarin werd gesteld dat betrokkene ernstige depressieve klachten en suïcidaliteit vertoonde, en niet in staat was zelfstandig te reizen zonder begeleiding.

De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had aangetoond dat de risico's van overdracht aan Duitsland waren weggenomen, en vernietigde het besluit. De minister stelde hoger beroep in en voerde aan dat het BMA-advies en de reisvereisten de risico's voldoende ondervingen. De Raad van State oordeelde dat de minister de gerezen twijfel deugdelijk had weggenomen en dat betrokkene onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de reisvereisten niet volstaan.

Daarnaast oordeelde de Raad dat de minister terecht had geoordeeld dat overdracht aan Duitsland geen onevenredige hardheid opleverde, mede vanwege het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de minister gegrond, terwijl het beroep van betrokkene ongegrond wordt verklaard.

Uitspraak

BRS.25.002153
Datum uitspraak: 20 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 november 2025 in zaak nr. NL25.25979 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 10 juni 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 20 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. D. van Elp, advocaat in Lelystad, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1.        Betrokkene heeft de Macedonische nationaliteit. De minister heeft haar asielverzoek niet in behandeling genomen, omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Betrokkene heeft in het aanmeldgehoor verklaard over haar bezwaren tegen een overdracht aan Duitsland. Zij heeft verklaard dat zij niet wenst terug te keren door slechte omstandigheden in de opvang en omdat zij is bedreigd wegens de religie van haar echtgenoot.
1.1.        In de beroepsgronden van 24 juni 2025 en aanvullende gronden van 5 augustus 2025 en 15 september 2025 heeft betrokkene medische informatie over haar psychische gesteldheid overgelegd. Dat gaat om haar patiëntendossier over de periode van 24 januari 2025 tot en met 12 september 2025 en twee brieven van haar psychiater van 26 juni 2025 en 23 juli 2025.
1.2.        De minister heeft vanwege het voorgaande aanleiding gezien om een advies op te vragen van het Bureau Medische Advisering (BMA). Op 6 oktober 2025 heeft het BMA een advies uitgebracht. Daarbij heeft het BMA de hiervoor weergegeven stukken betrokken. In het BMA-advies staat dat betrokkene depressieve klachten heeft, met daarbij slaapproblemen, stress en suïcidaliteit. Deze klachten hangen samen met de onzekerheid over de asielprocedure en namen toe na een negatieve beslissing. Voor betrokkene is op 26 juni 2025 een zogenoemde intensieve behandeling thuis opgestart wegens een dreigende psychiatrische crisis. Betrokkene heeft op 16 juli 2025 een suïcidepoging gedaan. Op 22 juli 2025 werd de intensieve behandeling thuis afgesloten. Sindsdien wordt betrokkene voor haar psychische problematiek bijgestaan door een praktijkondersteuner GGZ en ontvangt zij medicatie, waarbij de buurman de medicatie beheert en haar partner toeziet op het voorkomen van een nieuwe crisissituatie. Volgens het BMA-advies is betrokkene niet in staat om te reizen, tenzij zij tijdens de reis wordt begeleid door een psychiatrisch verpleegkundige en fysiek wordt overgedragen aan een opvolgend behandelaar, gezien de verwachte toename van de al bestaande suïcidaliteit. Er dient bij aankomst een inschatting te worden gemaakt van de gezondheidssituatie door de opvolgend behandelaar om de behandeling zo nodig aan te passen. Daarbij wordt ook aanbevolen dat betrokkene een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt en dat zij voldoende medicatie meekrijgt om de reis te overbruggen.
1.3.        De minister heeft zich, onder verwijzing naar het BMA-advies, op het standpunt gesteld dat de risico’s bij overdracht aan Duitsland voldoende worden weggenomen door de reisvereisten. Hij heeft verder toegelicht dat betrokkene niet zal worden overgedragen voordat duidelijk is dat aan de vereisten voor overdracht is voldaan.
Uitspraak van de rechtbank
2.        De rechtbank heeft, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2017, C.K., ECLI:EU:C:2017:127, overwogen dat de minister er niet in geslaagd is om de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht aan Duitsland op de gezondheidstoestand van betrokkene weg te nemen. De rechtbank wijst erop dat uit het BMA-advies blijkt dat de suïcidaliteit van betrokkene naar verwachting zal toenemen tijdens de overdracht, terwijl daaruit niet blijkt hoe dit kan worden weggenomen door de gestelde reisvereisten. Daarnaast is het onduidelijk wat er gebeurt na aankomst in Duitsland en of een nieuwe behandelomgeving in Duitsland gelijk de noodzakelijke veiligheid aan betrokkene kan bieden. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat sprake is van een reëel risico op een met artikel 4 van Pro het EU Handvest strijdige situatie.
Hoger beroep van de minister
3.        De minister klaagt in zijn enige grief over het onder 2 weergegeven oordeel van de rechtbank. Hij betoogt dat de rechtbank het BMA-advies heeft miskend, omdat het risico op suïcide juist wordt ondervangen door de gestelde reisvereisten. Hij wijst er daarbij op dat het aan betrokkene is om aannemelijk te maken dat de gestelde reisvereisten niet zullen volstaan en dat zij daarin niet is geslaagd. De minister betoogt ook dat de rechtbank heeft miskend dat het arrest C.K. alleen gaat over de overdracht en niet over de aankomst en behandeling in Duitsland.
3.1.        Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980, onder 7, volgt uit het arrest C.K. dat, wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat. Zie de uitspraken van de Afdeling van 21 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4303, onder 4, en 22 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2845, onder 2.2.
3.2.        In dat geval vereist de vergewisplicht dat de minister de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een vreemdeling deugdelijk gemotiveerd wegneemt. De minister kan in beginsel met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten, de gerezen twijfel over een schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest als gevolg van de overdracht zelf wegnemen. Zie de uitspraken van de Afdeling van 15 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:92, onder 4.3, en 24 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:586, onder 10.
3.3.        De minister betoogt gelet op het voorgaande terecht dat hij met het opvragen van het BMA-advies en het uitvoeren van de daarin vastgestelde reisvereisten de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van betrokkene deugdelijk gemotiveerd heeft weggenomen. Betrokkene heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de door het BMA vastgestelde reisvereisten niet zullen volstaan. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:709, onder 4.4.
3.4.        De minister betoogt ook terecht dat de vraag of de overdracht een reëel en bewezen risico op aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand inhoudt, moet worden onderscheiden van de vraag of in die andere lidstaat na de overdracht passende zorg voor die vreemdeling aanwezig is. De Afdeling wijst in dit verband op voormelde uitspraak van 24 februari 2022, onder 8. Uit het arrest C.K. volgt dat bij de vraag of in die verantwoordelijke lidstaat passende medische zorg aanwezig is, het interstatelijk vertrouwensbeginsel een grote rol speelt. Volgens dit beginsel bestaat een sterk vermoeden dat asielzoekers in de lidstaten die gebonden zijn aan de Opvangrichtlijn, passende medische zorg ontvangen. Dit betekent dat het onder die omstandigheden aan de betrokken asielzoeker is om te staven dat de voor zijn ernstige fysieke of mentale aandoening benodigde medische zorg in de verantwoordelijke lidstaat ontbreekt. Zie de eerdergenoemde uitspraak van 3 november 2017, onder 6. Betrokkene wijst er in de schriftelijke uiteenzetting dus tevergeefs op dat met de fysieke overdracht aan Duitsland hooguit voorkomen kan worden dat zij suïcide pleegt tijdens de overdracht zelf, maar dat niet duidelijk is wat er zal gebeuren na aankomst. De minister voert namelijk terecht aan dat de rechtbank heeft geoordeeld dat ervan uit mag worden gegaan dat Duitsland de benodigde zorg en opvang aan betrokkene kan bieden. Betrokkene stelt dat er meer vereist is, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in Duitsland niet direct de voor haar noodzakelijke behandeling en veiligheid kan krijgen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
3.5.        De grief slaagt.
Conclusie hoger beroep
4.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Beroep van betrokkene
5.        Betrokkene betoogt dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen toepassing heeft gegeven aan zijn bevoegdheid in artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Zij wijst erop dat zij veel heeft meegemaakt in Duitsland en dat die ervaringen van belang zijn voor de vraag of de minister de asielaanvraag onverplicht aan zich had moeten trekken. In beroep heeft betrokkene een eigen verklaring over haar ervaringen in Duitsland ingebracht. Ook heeft zij e-mails met klachten aan de Duitse autoriteiten en foto’s overgelegd.
5.1.        In de uitspraak van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717, onder 7 tot en met 7.5, heeft de Afdeling overwogen dat het aan de minister is om te beoordelen en te motiveren of in het geval van een vreemdeling sprake is van zodanige bijzondere, individuele omstandigheden dat de overdracht van een onevenredige hardheid getuigt. Daarbij mag de minister ook wijzen op zijn standpunt over het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechter zal de beoordeling terughoudend moeten toetsen.
5.2.        Anders dan betrokkene betoogt, heeft de minister zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat overdracht aan Duitsland niet van een onevenredige hardheid getuigt. Daarbij heeft hij zich namelijk op het standpunt gesteld dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat betrokkene haar gestelde klachten over de omstandigheden in Duitsland niet heeft gestaafd. De in beroep overgelegde stukken leiden niet tot een ander oordeel, omdat ook daaruit niet kan worden afgeleid overdracht van een onevenredige hardheid getuigt.
5.3.        De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie beroep
6.        Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 november 2025 in zaak nr. NL25.25979;
III.      verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzitter
w.g. Veen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026
986