Art. 6:19 AwbArt. 3 EVRMArt. 8 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 5 Terugkeerrichtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling terugkeerbesluit na tijdelijke bescherming Oekraïne
Eiseres, een Algerijnse nationaliteit houdende vrouw die vanuit Oekraïne naar Nederland kwam met tijdelijke bescherming, betwist het terugkeerbesluit van 20 augustus 2025. Zij voerde aan dat het besluit prematuur was omdat haar tijdelijke bescherming nog liep en dat het terugkeerbesluit in strijd was met het vertrouwensbeginsel, het non-refoulementbeginsel en artikel 8 EVRMPro over familie- en gezinsleven.
De rechtbank oordeelt dat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 is geëindigd en dat het terugkeerbesluit niet prematuur is. De voorlopige voorziening die eiseres verkreeg, schortte slechts de rechtsgevolgen op, maar verlengde het verblijfsrecht niet. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de minister geen toezeggingen heeft gedaan die derdelanders mochten doen afleiden dat hun bescherming langer zou duren.
De rechtbank stelt dat het terugkeerbesluit niet in strijd is met het non-refoulementbeginsel, omdat geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Algerije is gebleken. Ook artikel 8 EVRMPro staat het terugkeerbesluit niet in de weg, mede omdat de procedure niet bedoeld is voor een volledige beoordeling van familie- en gezinsleven. De SIS-registratie is verplicht en correct toegepast.
Het beroep tegen het besluit van 8 februari 2024 wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking van dat besluit, maar eiseres krijgt proceskostenvergoeding. Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard, waardoor het besluit in stand blijft en eiseres moet terugkeren.
Uitkomst: Het terugkeerbesluit van 20 augustus 2025 blijft in stand en eiseres moet terugkeren naar Algerije.
Uitspraak
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.10029
Rectificatie (bladzijde 7)
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. E. Ceylan),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. R. van Bel).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiseres op 20 augustus 2025 is opgelegd. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de oplegging van het terugkeerbesluit in stand kan blijven. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Algerijnse nationaliteit. In Oekraïne had zij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiseres is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RBT)1 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.2
4. Op 6 november 2023 heeft de minister aanvankelijk aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege eindigt per 4 september 2023. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, wat bij de rechtbank is geregistreerd met zaaknummer NL23.37962, respectievelijk NL23.37963. De minister heeft dit besluit ingetrokken.3 Eiseres heeft het beroep en de voorlopige voorziening vervolgens ingetrokken.
1. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2 Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.
5. Op 8 februari 2024 heeft de minister aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024. Eiseres heeft ook tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, wat bij de rechtbank is geregistreerd met zaaknummer NL24.10029, respectievelijk NL24.10030.
6. Bij uitspraak van 5 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek met zaaknummer NL24.10030 toegewezen en bepaald dat eiseres wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming, bedoeld in de RTB en de daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten, op haar van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op het beroep.
7. Op 20 augustus 2025 heeft de minister aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de RTB op 4 maart 2024 is geëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister aan haar een terugkeerbesluit opgelegd.
8. De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Als tolk is verschenen: L. Pomper.
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid
9. Het terugkeerbesluit van 20 augustus 2025 vervangt het besluit van 8 februari 2024. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep daarom ook betrekking op het terugkeerbesluit.
10. Omdat de minister het besluit van 8 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiseres geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit. De rechtbank zal het beroep tegen dat besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiseres heeft wel recht op vergoeding van de proceskosten ten aanzien van de intrekking van het besluit van 8 februari 2024.
Het standpunt van eiseres
11. Eiseres voert aan dat het terugkeerbesluit van 20 augustus 2025 onrechtmatig is. Het terugkeerbesluit is namelijk prematuur opgelegd, omdat er nog een beroepsprocedure loopt tegen het opgelegde terugkeerbesluit en een voorlopige voorziening is toegewezen. Bovendien had eiseres nog rechtmatig verblijf tot en met 4 september 2025 door de bevriezingsmaatregel. Om deze redenen viel eiseres ten tijde van het besluit nog niet onder het toepassingsbereik van richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn). Tijdens de zitting heeft eiseres toegelicht dat de minister bovendien toezeggingen heeft gedaan om de groep facultatief beschermden gelijk te behandelen aan de groep verplicht beschermden onder de RTB. Eiseres stelt ook dat het terugkeerbesluit onrechtmatig is, omdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 17 januari 20244 de toelichting van de Europese Commissie bij het nieuwe Uitvoeringsbesluit van 19 oktober 2023 op onjuiste wijze heeft geïnterpreteerd zodat ze niet kon oordelen dat de facultatieve bescherming is geëindigd op 4 maart 2024. Daarnaast voert eiseres aan dat het terugkeerbesluit in strijd is met fundamentele Unierechtelijke beginselen, waaronder het beginsel van non-refoulement en de hoorplicht. Tijdens de zitting heeft eiseres toegelicht dat het terugkeerbesluit ook in strijd is met het recht op eerbiediging van haar familie- en gezinsleven en privéleven, zoals gewaarborgd in artikel 8 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiseres heeft een relatie met een Nederlandse man en heeft werk in Nederland. Ter onderbouwing heeft zij het identiteitsbewijs en de werkgeversverklaring van haar partner overgelegd, evenals een BRP-uittreksel waaruit haar inschrijving op zijn adres blijkt. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat zij drie jaar lang voor dezelfde werkgever heeft gewerkt, zich heeft ingezet voor haar integratie in Nederland en dat haar relatie voor haar het belangrijkst is, omdat zij alles met haar partner deelt. In het verlengde van de onrechtmatigheid van het tergkeerbesluit stelt eiseres dat zij niet gesignaleerd had mogen worden in het Schengen Informatie Systeem (SIS). Ten slotte stelt eiseres dat zij aanspraak heeft op een proceskostenvergoeding, omdat zij terecht beroep heeft ingesteld tegen het ingetrokken besluit van 8 februari 2024.
3 Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32.
Het oordeel van de rechtbank
Het terugkeerbesluit van 20 augustus 2025 en het vertrouwensbeginsel
12. De rechtbank overweegt dat uit het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024 volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Uit het arrest volgt verder dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.
13. De beroepsgrond dat de Afdeling in haar uitspraak van 17 januari 2024 niet kon oordelen dat de facultatieve bescherming per 4 maart 2024 eindigde, treft geen doel. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 en 26 juni 2025.5
14. Naar het oordeel van de rechtbank is het terugkeerbesluit van 20 augustus 2025 niet prematuur opgelegd. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de tijdelijke bescherming is geëindigd op 4 maart 2024. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in de uitspraken van 23 april 2025 – in lijn met het arrest Kaduna en Abkez – heeft geoordeeld dat de minister bevoegd was om de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen op 4 maart 2024.6 Omdat de tijdelijke bescherming van eiseres op 4 maart 2024 is geëindigd voldoet zij niet meer aan de voorwaarden voor verblijf. Haar verblijf in Nederland is daardoor illegaal in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank overweegt dat de onderhavige beroepsprocedure niet in de weg staat aan het opleggen van een terugkeerbesluit, omdat eiseres door het instellen van beroep alleen procedureel rechtmatig verblijf heeft verkregen om zo de uitkomst van de procedure af te kunnen wachten. Dit doet echter niet af aan de vaststelling van illegaal verblijf en de verplichting en dus bevoegdheid voor de minister om een terugkeerbesluit vast te stellen. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest Gnandi van 19 juni 2018.7 Daaruit volgt dat het recht om een rechtsmiddel in een verblijfsrechtelijke procedure op het grondgebied af te wachten niet betekent dat de betrokkene niet ‘illegaal’ is in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Dat de rechtsregel uit het arrest Gnandi niet van toepassing is op de zaak van eiseres, zoals tijdens de zitting door eiseres naar voren is gebracht, volgt de rechtbank niet. Het arrest Gnandi ziet immers op de rechtsgevolgen die voortvloeien uit het opleggen van een terugkeerbesluit. In de zaak van eiseres is in dit kader verder van belang dat – zoals in het procesverloop is vermeld – het verzoek om een voorlopige voorziening bij uitspraak van 5 april 2024 is toegewezen. De rechtbank merkt op dat de toegewezen voorlopige voorziening betekent dat eiseres weliswaar gedurende de beroepsprocedure rechtmatig verblijf heeft om zo de uitkomst van de procedure af te kunnen wachten, maar dat het toewijzen van een voorlopige voorziening ‘slechts’ betekent dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden opgeschort in afwachting van de uitspraak op het beroep en niet dat aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Dat het eiseres door middel van de bevriezingsmaatregel evenwel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, betekent niet dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De minister stelt namelijk terecht dat de bevriezingsmaatregel niet betekende dat de tijdelijke bescherming onder de RTB werd verlengd, maar dat eiseres feitelijk nog gebruik kon maken van de rechten die zij onder de RTB had. Dit is dus niet meer dan een tijdelijke opschorting. De beroepsgrond slaagt niet.
15. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraken van 23 april 2025, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024, heeft geoordeeld dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan was bereikt.8 De Afdeling heeft overwogen dat geen reden bestaat om op dit punt tot een ander oordeel te komen. In de uitspraak van 17 januari 2024 heeft de Afdeling daarnaast nog geoordeeld dat de minister geen gegronde verwachtingen heeft gewekt dat derdelanders altijd hetzelfde zouden worden behandeld als andere ontheemden uit Oekraïne die tijdelijke bescherming hebben gekregen.9 De rechtbank is het eens met deze uitspraken van de Afdeling en neemt de inhoud daarvan over.
7 Zie het arrest van het Hof van 19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:465, r.o. 44 e.v. en de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, r.o. 8 en 9.
16. Naar het oordeel van de rechtbank is het terugkeerbesluit niet in strijd met de door eiseres gestelde Unierechtelijke beginselen. De enkele stelling van eiseres dat het terugkeerbesluit in strijd is met het beginsel van non-refoulement, omdat de minister niet heeft beoordeeld of dit beginsel zich verzet tegen oplegging van een terugkeerbesluit, is onvoldoende. De rechtbank overweegt dat het Hof in het arrest Ararat van 17 oktober 2024 heeft geoordeeld dat artikel 5 vanPro de Terugkeerrichtlijn de bevoegde nationale autoriteit verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank vindt voor dit toetsingskader ook aansluiting bij de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025.10 Hieruit volgt dat de minister op basis van wat een vreemdeling aanvoert en op basis van het dossier en informatie over het land van herkomst een refoulementbeoordeling moet maken. Dat betekent dat hij er zich van moet vergewissen dat de betrokken vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 vanPro het EVRM of artikel 4 vanPro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). De minister heeft zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiseres bij terugkeer naar Algerije een reëel risico loopt te worden onderworpen aan de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen. Eiseres heeft namelijk geen omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij bij terugkeer naar Algerije een reëel risico op ernstige schade loopt. Op zitting is alleen gebleken dat eiseres een Nederlandse partner heeft en in Nederland werk heeft. Dat is zonder toelichting niet relevant voor het risico op refoulement. Het beginsel van non-refoulement staat dus niet in de weg aan het opleggen van een terugkeerbesluit.
17. Ten aanzien van artikel 8 vanPro het EVRM overweegt de rechtbank dat dit beginsel evenmin in de weg staat aan het opleggen van een terugkeerbesluit. De rechtbank overweegt dat artikel 5, aanhef en onder b, van de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening houden met onder meer het familie- en gezinsleven. De rechtbank merkt in dit kader op dat uit artikel 5 vanPro de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of de terugkeer in strijd is met artikel 8 vanPro het EVRM. In dat verband overweegt de rechtbank dat de Terugkeerrichtlijn niet ziet op de verkrijging van een verblijfsrecht of andere toestemming van verblijf en dat aan deze richtlijn geen verblijfsrecht kan worden ontleend.11 Uit deze richtlijn vloeit dan ook geen verplichting voor de minister voort om uit eigen beweging na te gaan of het verblijf van een derdelander moet worden geregulariseerd door een verblijfsvergunning of een andere toestemming voor verblijf te geven. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de onderhavige procedure dus niet bedoeld is voor een volledige beoordeling van familie- en gezinsleven, zoals dat wel wordt gedaan in een reguliere aanvraag. In zoverre wijst de minister er terecht op dat wanneer eiseres meent dat zij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op familie- of gezinsleven, zoals dat volgt uit artikel 8 vanPro het EVRM, zij een daartoe strekkende aanvraag kan indienen. De omstandigheid dat eiseres een relatie heeft met een Nederlandse man, vormt volgens de rechtbank verder geen reden om af te zien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Het is immers aan eiseres om familie en -gezinsleven aannemelijk te maken. De minister heeft zich op de zitting terecht op het standpunt gesteld dat de BRP-registratie onvoldoende is om een duurzame en exclusieve relatie te onderbouwen. De BRP-registratie is namelijk op zichzelf en in samenhang met de verklaringen van eiseres op zitting onvoldoende om te spreken van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 vanPro het EVRM.
11 Zie het arrest van het Hof van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913, r.o. 84 en 85.
18. Indien eiseres meent dat zij door haar werk en inzet om te integreren in Nederland – zoals zij op de zitting heeft gesteld – privéleven in Nederland heeft opgebouwd en aan dat privéleven verblijfsrecht ontleent, kan eiseres een daartoe strekkende aanvraag indienen. Indien eiseres meent dat het terugkeerbesluit in strijd is met het recht op eerbiediging van haar privéleven, overweegt de rechtbank dat het enkele gegeven dat eiseres rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van de RTB niet betekent dat het privéleven dat zij gedurende deze periode heeft opgebouwd in de weg staat aan het vaststellen van het terugkeerbesluit. De minister is immers bevoegd om het tijdelijke verblijfsrecht te beëindigen. In zoverre betekent dit dat de door eiseres genoemde omstandigheden tijdens de zitting, zich niet verzet tegen het opleggen van een terugkeerbesluit.
19. Eiseres stelt dat zij ten onrechte niet is gehoord, voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit. De rechtbank volgt dit niet. Eiseres is met het indienen van de zienswijze immers in de gelegenheid gesteld om haar standpunt uiteen te zetten. Daarmee is voldaan aan het doel van de hoorplicht. De beroepsgrond slaagt niet.
SIS-registratie
20. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening 2018/186012 voeren de lidstaten in het SIS signaleringen in van onderdanen van derde landen aan wie een terugkeerbesluit is opgelegd om te verifiëren of aan de terugkeerverplichting is voldaan en om de tenuitvoerlegging van terugkeerbesluiten te ondersteunen. Wanneer een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, wordt onverwijld een signalering inzake terugkeer in het SIS ingevoerd.
21. De rechtbank stelt vast dat deze bepaling lidstaten verplicht om iedere vreemdeling met een terugkeerbesluit te signaleren in het SIS. Daarom is de minister verplicht om in het geval van eiseres het terugkeerbesluit te registreren. De rechtbank merkt tot slot nog op dat de SIS-registratie verdwijnt nadat eiseres heeft voldaan aan haar terugkeerplicht.
Conclusie en gevolgen
22. Het beroep tegen het besluit van 8 februari 2024 is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het besluit van 20 augustus 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft. Eiseres moet daarom binnen de gestelde termijn terugkeren naar Algerije.
23. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 8 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiseres heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
12 Verordening (EU) 2018/1860 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende het gebruik van het Schengeninformatiesysteem voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen.
24. Bij uitspraak van 5 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de zaak NL24.10030 een voorlopige voorziening getroffen. Deze vervalt doordat uitspraak is gedaan op het beroep van eiseres.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het besluit van 8 februari 2024 niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het besluit van 20 augustus 2025 ongegrond; en
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T Twijnstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2026.
De griffier De rechter
Afschrift verzonden naar partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.