Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
20 mei 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft de minister aan eiser ook een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.
Beoordeling door de rechtbank
15 oktober 2020 afgewezen. De minister heeft aan die afwijzing ten grondslag gelegd dat hij geen geloof hecht aan de verklaringen van eiser dat hij homoseksueel is. De minister heeft ook de verklaringen van eiser dat hij vanwege zijn homoseksuele gerichtheid problemen heeft ondervonden in Nigeria niet geloofwaardig acht. Bij uitspraak van 8 maart 2021 [3] heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats het beroep tegen het besluit van 15 oktober 2020 ongegrond verklaard. Het hoger beroep tegen die uitspraak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 16 april 2021 [4] ongegrond verklaard. Daarmee staat het besluit van 15 oktober 2020 in rechte vast.
– kort gezegd – ten grondslag gelegd dat hij niet gelooft dat eiser homoseksueel is. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Midden-Nederland blijkt dat eiser lid is geworden van het COC en ontmoetingen van cocktail Utrecht bezoekt. Lid worden van het COC en deelnemen aan activiteiten van die lhbti-organisatie is niet enkel voorbehouden aan lhbti-ers. Hoewel de brief van
18 november 2024 als ondersteunend bewijs kan dienen, is het in de eerste plaats aan eiser om zijn homoseksuele gerichtheid aannemelijk te maken in het GOA. Eiser is daarin niet geslaagd en de brief van het COC Midden-Nederland maakt dat niet anders. Bovendien vermeldt elke brief dat eiser open en eerlijk durft te vertellen over zijn eigen seksualiteit en gender. Dit strookt niet met de uitspraak van 11 maart 2025 van de rechtbank waarin is geoordeeld dat eiser oppervlakkig en weinig overtuigend heeft verklaard over zijn homoseksuele gerichtheid. Niet wordt ingezien dat eiser tijdens het GOA oppervlakkig en weinig overtuigend heeft verklaard over zijn homoseksuele gerichtheid, terwijl in de overgelegde brieven is vermeld dat eiser nu vrijer en meer open over zijn homoseksuele gerichtheid kan verklaren. Gelet op het beeld dat eiser zelf heeft geschetst en zoals dat wordt gesteld in de brieven, mag van eiser worden verwacht dat hij meer overtuigend en gedetailleerd over zijn identiteitsgroei verklaart.
11 maart 2025, voor zover van belang, geoordeeld dat de minister bij het horen en het beslissen op de opvolgende asielaanvraag van eiser voldoende rekening heeft gehouden met de persoon van eiser. Daarnaast heeft de rechtbank bij die uitspraak, voor zover van belang, geoordeeld dat eiser ook in het kader van zijn opvolgende asielaanvraag niet overtuigend heeft kunnen verklaren over zijn homoseksuele gerichtheid. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de minister niet ten onrechte het standpunt inneemt dat de verklaringen van eiser over zijn homoseksuele gerichtheid en de groei die hij daarin stelt te hebben doorgemaakt in het algemeen gezien vrij oppervlakkig en weinig overtuigend zijn.
11 maart 2025 van de rechtbank. Op grond van de zogeheten Brummen-rechtspraak [9] moet daarom in deze procedure worden uitgegaan van de juistheid van de diverse bij die uitspraak van 11 maart 2025 gegeven rechtsoordelen.
16 mei 2023, verklaringen van 18 november 2024 en 3 juni 2026 van COC Midden-Nederland, een COC-ledenpas, een verklaring van Church Amsterdam van 6 mei 2025 en foto’s van deelname aan homo-evenementen en/of feesten in onder meer Utrecht en Amsterdam, alsook een brief van zijn gestelde vriend [naam] en foto’s van hem.
COC Midden-Nederland en feesten bij Church Amsterdam.
– met verwijzing naar het logboek – is gebaseerd op observatie over een langere periode en meerdere contacten met eiser. Dat logboek toont aan dat er veel contact met eiser is geweest. Eiser stelt ook dat hij behoort tot de homoseksuele doelgroep van Church Amsterdam en dat het waarde heeft dat hij Church Amsterdam heeft bezocht. Ook aan de verklaring van Prisma heeft de minister volgens eiser ten onrechte niet enig gewicht toegekend. Eiser stelt dat de minister de door hem overgelegde verklaringen ten onrechte niet geplaatst heeft in de context van eisers actieve deelname en het bewegen in de
lhbti-scene. Al die documenten zijn niet alleen een bewijs van deelname, maar zijn volgens eiser veel meer dan dat. Eiser betoogt dat de minister miskent dat hij al jarenlang bekend is en meedraait in de lhbti-gemeenschap. Eiser heeft dat aangetoond met de door hem overgelegde documenten. Volgens eiser is het niet logisch dat een heteroseksueel persoon zich jarenlang onderdompelt in de lhbti-scene. Eiser meent dat een onderscheid gemaakt moet worden tussen iemand die één of een paar keer een organisatie bezoekt of iemand
– zoals hij – die jarenlang regelmatig een organisatie en bijeenkomsten en feesten bezoekt. De minister heeft dat onderscheid ten onrechte niet gemaakt. Daarmee heeft de minister volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waarom het feit dat hij zo actief is in de lhbti-wereld geen groot gewicht in de schaal legt in de beoordeling van zijn homoseksuele geaardheid.
3 juni 2026 van COC Midden-Nederland is vermeld dat eiser “duidelijk” een lid is van de lhbtq+ gemeenschap, heeft de minister daaraan volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [12] weinig waarde hoeven hechten.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.M.C.M. van Dommele, griffier.