Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
Samenvatting
Achtergrond en verloop van de procedure
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiseres, een Marokkaanse vrouw, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij haar echtgenoot in Nederland te kunnen wonen. Verweerder wees dit verzoek af op grond van het niet voldoen aan het inburgeringsvereiste, zonder vrijstelling toe te kennen. Eiseres stelde dat dit vereiste discrimineert op grond van nationaliteit en strijdig is met artikel 7 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn, artikel 14 EVRM Pro en artikel 21 van Pro het Handvest van de EU.
De rechtbank behandelde het beroep en hield de procedure aan in afwachting van een gerelateerde uitspraak. De meervoudige kamer oordeelde dat het inburgeringsvereiste een direct onderscheid naar nationaliteit maakt zonder voldoende objectieve rechtvaardiging, wat strijdig is met artikel 14 EVRM Pro. Verweerder voerde aan dat vrijstellingen gebaseerd zijn op sociaaleconomische en veiligheidsaspecten, maar de rechtbank vond deze onderbouwing onvoldoende.
De rechtbank bevestigde dat het inburgeringsvereiste in de huidige vorm niet verenigbaar is met de Gezinsherenigingsrichtlijn en het EVRM. Daarom vernietigt zij het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot weigering van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.