ECLI:NL:RBDHA:2026:21051

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
NL26.25844
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Frankrijk

Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende op 30 januari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland verzocht Frankrijk om hem terug te nemen op grond van de Dublinverordening, welke door Frankrijk werd aanvaard. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de asielprocedure.

Eiser voerde aan dat overdracht aan Frankrijk in strijd is met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 EVRM Pro vanwege structurele tekortkomingen in de opvang en discriminatie. Hij verwees naar jurisprudentie en rapporten ter onderbouwing. De rechtbank oordeelde dat verweerder mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen heeft geleverd voor een reëel risico op onrechtmatige behandeling.

Ook het beroep op het arrest Tarakhel en medische omstandigheden faalde omdat eiser niet aannemelijk maakte dat hij een bijzonder kwetsbare asielzoeker is of dat overdracht leidt tot een aanzienlijke achteruitgang van zijn gezondheid. De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht geen individuele garanties heeft gevraagd en dat eiser zich bij problemen in Frankrijk tot de Franse autoriteiten moet wenden.

Ten slotte oordeelde de rechtbank dat verweerder de discretionaire bevoegdheid om de aanvraag aan zich te trekken niet hoefde te gebruiken omdat geen sprake is van onevenredige hardheid. Het beroep is ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.25844

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 april 2026 niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (NL26.25845) te treffen. Bij uitspraak van 15 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:16210, heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 3 juni 2026 geïnformeerd dat uit het systeem blijkt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft op dezelfde dag laten weten nog in contact te staan met eiser en op de hoogte te zijn van eisers verblijfplaats in Nederland.
Na van beide partijen toestemming te hebben ontvangen om zonder zitting uitspraak te doen, heeft de rechtbank op 15 mei 2026 bepaald dat de geplande behandeling van het beroep op de zitting van 23 juli 2026 geen doorgang vindt en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.1.
Eiser heeft een Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 30 januari 2026 ingediend.
1.2.
Uit Eurodac is gebleken dat eiser in Frankrijk op 14 september 2020 en 1 maart 2024 verzoeken om internationale bescherming heeft ingediend. Eiser heeft verklaard dat deze allebei zijn afgewezen. Op 13 februari 2026 heeft Nederland aan Frankrijk verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening)
.Frankrijk heeft dit verzoek op 25 februari 2026 op dezelfde grondslag aanvaard.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgronden
3. Eiser betoogt dat overdracht aan Frankrijk in strijd is met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM). Eiser voert aan dat verweerder ten aanzien van Frankrijk niet zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Daartoe stelt hij dat de opvang voor asielzoekers in Frankrijk structureel tekortschiet en dat hij als alleenstaande man, die eerder in Frankrijk al dakloos is geraakt, een grote kans heeft na overdracht zonder opvang op straat te belanden. Daarnaast hebben asielzoekers in Frankrijk te maken met belemmeringen bij het verkrijgen van scholing, werk en financiële steun en is daar sprake van discriminatie. Ter onderbouwing van zijn beroepsgrond verwijst eiser in het bijzonder naar de uitspraak van het Verwaltungsgericht Hannover van 14 januari 2025 (ref: 15 A 4188/24), naar arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 14 januari 2016 (nr. 159.901) en 26 maart 2025 (nr. 324.026) en naar de pagina’s 79 en 82 van het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024 van juni 2025. Volgens eiser verwacht verweerder ten onrechte van hem dat hij over de tekortkomingen in Frankrijk klaagt bij de Franse autoriteiten. Eiser doet verder een beroep op het arrest Tarakhel van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712. In dat kader stelt hij dat verweerder in zijn geval ten onrechte geen individuele garanties heeft gevraagd over bijvoorbeeld de opvangcapaciteit. Verder beroept eiser zich op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 16 februari 2017, C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127. Volgens eiser had verweerder medisch advies moeten vragen aan het Bureau Medische Advisering (BMA). Eiser komt tot de conclusie dat Nederland op grond van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Verweerder had in ieder geval de asielaanvraag van eiser aan zich moeten trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft onder meer in de uitspraken van 30 augustus 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3552) en 31 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3623) geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.
4.1.
Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat eiser bij overdracht aan Frankrijk geen risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Frankrijk, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Franse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM op. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo).
4.2
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij als Dublinterugkeerder na overdracht aan Frankrijk, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Franse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM. Eiser verwijst naar het AIDA-rapport, update 2024 uit juni 2025. Hierover wordt overwogen dat de Afdeling in de uitspraak van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623, al over dit rapport heeft geoordeeld dat het geen wezenlijk ander beeld schetst van de opvang van asielzoekers in Frankrijk dan volgt uit de landeninformatie die de Afdeling eerder heeft betrokken bij de uitspraak van 30 augustus 2024. Uit deze uitspraak, in samenhang bezien met de uitspraak van 30 augustus 2024, volgt impliciet dat de Afdeling van oordeel is dat nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk kan worden uitgegaan en dat de opvangsituatie in Frankrijk daarin geen verandering brengt. De rechtbank sluit zich bij dat oordeel aan. De verwijzing naar het AIDA-rapport uit juni 2025 kan eiser dus niet baten. Eiser heeft verder een beroep gedaan op uitspraken van Duitse en Belgische rechters. Ten aanzien daarvan wordt overwogen dat deze uitspraken van buitenlandse rechters deels gedateerd zijn en dat de desbetreffende zaken wat betreft de feiten niet zonder meer vergelijkbaar zijn met de situatie van eiser. De uitspraken geven de rechtbank daarom geen aanleiding geven om af te wijken van de eerdergenoemde uitspraken van de Afdeling wat betreft het daarin vervatte oordeel over het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiser met zijn verklaringen over wat hij zelf in Frankrijk heeft meegemaakt ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. Uit eisers verklaring in het aanmeldgehoor volgt dat hij na de afwijzing van zijn twee asielaanvragen in Frankrijk illegaal op straat heeft verbleven en in die periode heeft gebedeld voor geld. Eisers verklaring tijdens het gehoor biedt geen aanknopingspunt voor de conclusie dat hij gedurende zijn asielprocedures in Frankrijk geen opvang heeft gekregen.
4.4.
Het beroep van eiser op het arrest Tarakhel slaagt niet. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij kan worden aangemerkt als een bijzonder kwetsbare asielzoeker in de zin van dat arrest. De enkele stelling dat hij een alleenstaande man is en de omstandigheid dat hij tijdens zijn eerdere verblijf in Frankrijk (een periode) op straat heeft geleefd, nopen niet tot die conclusie. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser hoewel hij stelt medische klachten te hebben, geen recente medische documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij op dit moment vanwege zijn medische situatie medische zorg krijgt of nodig heeft.
4.5.
Verweerder stelt terecht dat indien eiser zich na overdracht aan Frankrijk, onverhoopt, geconfronteerd ziet met problemen (bijvoorbeeld bij het verkrijgen van opvang), hij zich hierover dient te beklagen bij de Franse (desnoods hogere of rechterlijke) autoriteiten (vergelijk het arrest van het EHRM van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk). De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn standpunt dat verweerder ten onrechte van hem verlangt dat hij in Frankrijk klaagt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Franse autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen of dat klagen in Frankrijk onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
5. Voor zover eiser een beroep doet op het arrest C.K., wordt overwogen dat het in eerste instantie aan eiser is om met objectieve medische stukken te onderbouwen dat zijn gezondheidstoestand bijzonder ernstig is en dat overdracht aan Frankrijk een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie inhoudt. Pas indien eiser aan deze bewijslast voldoet, is het aan verweerder om de gerezen twijfel over een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiser ten gevolge van de overdracht weg te nemen. Eiser heeft verklaard tuberculose en problemen met zijn lever te hebben. Ter ondersteuning hiervan heeft hij medische documenten overgelegd. Deze stukken dateren van 10 juli 2024, 13 februari 2025, 26 februari 2025 en 26 augustus 2025.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat een overdracht zal leiden tot een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie. Verweerder heeft gesteld dat de medische documenten gedateerd zijn en dat daaruit niet blijkt dat eiser momenteel medische zorg krijgt of nodig heeft. Eiser heeft daar niets tegenin gebracht. Gelet daarop heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien onderzoek te verrichten naar eisers medische situatie.
6. Verder wordt overwogen dat gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel verweerder ervan mag uitgaan dat Frankrijk over vergelijkbare medische voorzieningen als Nederland beschikt en dat de eventueel voor eiser benodigde medische zorg daarom ook in Frankrijk beschikbaar is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat, voor zover hij al zorg nodig heeft, Nederland het meest aangewezen land is om hem te behandelen.
7. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), zoals dit beleid luidde tot 12 juni 2026, trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Uit de rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164, en 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717) volgt dat als verweerder de omstandigheden waar de vreemdeling zich in het kader van de vraag naar de onevenredige hardheid op heeft beroepen al heeft betrokken bij de beoordeling of hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt. Wat eiser heeft aangevoerd aan individuele omstandigheden, waaronder zijn eerdere dakloosheid in Frankrijk, is door verweerder al beoordeeld in het kader van de vraag naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hiermee heeft verweerder dus in beginsel ook deugdelijk gemotiveerd waarom hij de aanvraag van eiser niet onverplicht in behandeling neemt. De rechtbank is niet gebleken van andere omstandigheden op grond waarvan geoordeeld moet worden dat overdracht van eiser aan Frankrijk onevenredig hard is.
8. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.