ECLI:NL:RBDHA:2026:21116

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
25.32564
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vw 2000Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 5 TerugkeerrichtlijnArt. 9 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit minderjarig kind wegens onvoldoende belangenafweging

Eisers, een moeder en haar zoon, dienden asielaanvragen in Nederland in. De minister verklaarde de aanvraag van de moeder niet-ontvankelijk omdat zij internationale bescherming geniet in Cyprus, en wees de zoon af met een terugkeerbesluit naar Gambia. De rechtbank bevestigt de niet-ontvankelijkheid van de moeder haar aanvraag, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en het ontbreken van nieuwe feiten die een uitzondering rechtvaardigen.

De zoon vreesde discriminatie in Gambia vanwege zijn geboorte buiten het huwelijk en de seksuele geaardheid van zijn moeder. De rechtbank oordeelt dat deze vrees onvoldoende concreet is onderbouwd. Wel vernietigt de rechtbank het terugkeerbesluit voor de zoon omdat de minister onvoldoende rekening hield met het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, en het verbod van non-refoulement. Het onbegeleid terugkeren van een tweejarig kind zonder adequate opvang leidt tot schending van deze rechten.

De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan de zoon. De moeder en zoon kunnen samen naar Cyprus terugkeren, waar de moeder internationale bescherming geniet en het gezinsleven kan worden voortgezet. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging bij terugkeerbesluiten, zeker bij minderjarige kinderen.

Uitkomst: Het beroep van de moeder wordt ongegrond verklaard, het terugkeerbesluit voor de zoon wordt vernietigd wegens onvoldoende belangenafweging en schending van non-refoulement.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.32564 en NL25.32566

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiseres] en, V-nummers: [nummer], eiseres, [eiser] en [nummer], eiser

tezamen aan te duiden als: eisers
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. E.M.G. Walraven).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de besluiten van 17 juli 2025 (de bestreden besluiten) op de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . De minister heeft de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard en eiseres het bevel gegeven om onmiddellijk naar het grondgebied van Cyprus te gaan. De asielaanvraag van eiser is door de minister ongegrond verklaard en daarbij is aan eiser terugkeerbesluit opgelegd waarin staat dat eiser binnen vier weken moet terugkeren naar Gambia.
1.1
Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de bestreden besluiten.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiseres en de ongegrondverklaring van de asielaanvraag van eiser in stand kunnen blijven. Het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit kan niet in stand blijven.

Procesverloop

2. Eisers zijn moeder en zoon en zij hebben op 30 april 2024 in Nederland aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eisers stellen van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op respectievelijk 11 maart 1999 en 11 januari 2024. De minister heeft met de bestreden besluiten negatief beslist op deze asielaanvragen van eiser.
2.1
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten ieder afzonderlijk beroep ingesteld. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer NL25.32565.
2.2
De rechtbank heeft de beroepen en het verzoek om een voorlopige voorziening gelijktijdig behandeld op de zitting van 7 juli 2026. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. Eisers waren niet aanwezig.

Overwegingen

Ten aanzien van eiseres (NL25.32564)

3. Eiseres heeft eerder een asielverzoek ingediend in Nederland, namelijk op 24 juni 2023. De minister heeft die aanvraag bij besluit van 14 november 2023 niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 omdat eiseres in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Uit informatie is namelijk gebleken dat de autoriteiten van Cyprus eiseres sinds 24 mei 2019 internationale bescherming hebben verleend. Dit maakt dat volgens de minister van eiseres mag worden verwacht dat zij terugkeert naar Cyprus. De minister heeft in dit besluit eiseres bevolen onmiddellijk naar Cyprus te gaan.
4. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 22 december 2023 [2] , is het beroep van eiseres tegen het besluit van 14 november 2023 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), die het hoger beroep van eiseres bij uitspraak van op 4 september 2025 ongegrond heeft verklaard [3] .
5. Eiseres is op 11 januari 2024 bevallen van eiser en heeft niet voldaan aan het bevel om zich te begeven naar het grondgebied van Cyprus.
6. Eiseres heeft op 30 april 2024 (opnieuw) een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hieraan heeft eiseres ten grondslag gelegd dat ze nu een kind heeft en dat ze daarom niet terug kan naar Cyprus. De omgeving in Cyprus is namelijk ziekmakend voor de gezondheid van haar zoon, aldus eiseres. Verder heeft eiseres aangevoerd dat zij in Cyprus het slachtoffer is geweest van drie pogingen tot verkrachting en dat zij is aangevallen en mishandeld, maar dat de Cypriotische politie daar niets mee heeft gedaan. Eiseres is in Cyprus ook gediscrimineerd door de bevolking in Cyprus en volgens eiseres wordt zij er niet geaccepteerd. Voor de veiligheid van haar kind wil zij niet terug naar Cyprus. Volgens haar zou haar kind op straat belanden als zij terug zou gaan naar Cyprus.
7. De minister heeft de aanvraag van eiseres bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres reeds internationale bescherming geniet in Cyprus. De minister heeft hieraan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a en d, van de Vw 2000 ten grondslag gelegd. Volgens de minister heeft eiseres geen nieuwe elementen of bevindingen aan haar aanvraag ten grondslag gelegd. Daarnaast heeft de minister erop gewezen dat de Cypriotische autoriteiten bij brief van 10 februari 2025 hebben bevestigd dat aan eiseres internationale bescherming is verleend en dat de verblijfsvergunning die eiseres ontleent aan haar status geldig is tot 21 februari 2025. Uit het bericht blijkt voorts niet dat de status ondertussen is ingetrokken. Gelet hierop gaat de minister er nog immer vanuit dat eiseres internationale bescherming geniet in Cyprus. Eiseres heeft geen omstandigheden aangedragen die leiden tot de conclusie dat haar asielstatus in Cyprus is vervallen, zodat van eiseres mag worden verwacht dat zij terugkeert naar Cyprus. Volgens de minister bestaat voorts geen aanleiding om te concluderen dat ten aanzien van Cyprus in algemene zin niet mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarnaast stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als alleenstaande moeder bij terugkeer naar Cyprus terechtkomt in een situatie van verregaande materiële deprivatie waarbij zij verstoken blijft van basale voorzieningen zoals eten en onderdak. De minister heeft er verder op gewezen dat in de Dublinverordening is geregeld dat kinderen met de ouders mee kunnen naar het land dat aan de ouders al internationale bescherming heeft verleend, in casu Cyprus. Eiseres heeft hiervoor echter toestemming geweigerd. Nu Cyprus een lidstaat van de EU is, mag er op basis van het interstatelijke vertrouwensbeginsel niettemin vanuit worden gegaan dat het belang van het kind niet wordt geschaad aangezien Cyprus zijn verdragsverplichtingen nakomt en de behandeling van een vreemdeling aldaar in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Eiseres kan samen met haar zoon terugkeren naar Cyprus en het gezinsleven met haar zoon uitoefenen in dat land, aldus de minister. Tot slot heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiseres haar gestelde medische aandoening (trauma en PTSS) niet met documenten heeft onderbouwd en dat ook niet is gebleken dat eiseres in Cyprus niet terecht zou kunnen voor een medische behandeling, zodat er geen reden is om eiseres te volgen in haar aanname dat zij in Cyprus verstoken zal blijven van de juiste zorg en medicatie.
8. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Op wat zij heeft aangevoerd zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
Internationale bescherming en band met Cyprus
9. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiseres in beroep niet heeft betwist dat zij in Cyprus internationale bescherming geniet en dat deze status niet is ingetrokken. Weliswaar heeft eiseres in beroep gepersisteerd bij wat zij eerder heeft aangevoerd, maar dit is geen gemotiveerde betwisting van wat de minister in het bestreden besluit op dit punt heeft overwogen in reactie op de zienswijze van eiseres.
10. Omdat eiseres in Cyprus internationale bescherming geniet, is reeds om die reden voldaan aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, namelijk dat eiseres een zodanige band heeft met Cyprus, dat het voor haar redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling. [4] Wel kunnen uitzonderingen op dit uitgangspunt optreden [5] , maar eiseres heeft geen bijzondere feiten en omstandigheden aangevoerd die leiden tot een dergelijke uitzondering.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
11. Eiseres voert in haar beroepsgronden van 28 juli 2025 aan dat zij als alleenstaande ouder en gelet op de leeftijd van haar zoontje en haar traumata moet worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar als bedoeld in Informatiebericht 2021/56. Volgens eiseres is zij volledig afhankelijk van overheidssteun, in ieder geval tot zij woonruimte heeft gevonden zodat zij op zoek kan gaan naar opvangmogelijkheden voor haar zoontje en zij kan gaan werken. Eiseres stelt dat zij in haar gehoor opvolgende aanvraag, zienswijze en verwijzing naar algemene bronnen ook voldoende heeft gemotiveerd dat zij in Cyprus als statushouder geen mogelijkheid heeft om woonruimte te huren omdat zij niet in staat zal zijn te werken vanwege de continue zorg voor haar zoontje. Een uitkering kan maanden op zich laten wachten en ondertussen heeft zij nog geen woonruimte en bovendien is de tijdelijke uitkering veel te laag om zichzelf en haar zoontje te kunnen onderhouden, aldus eiseres. De overheid biedt geen onderdak aan statushouders en uit het AIDA-rapport van april 2025 volgt dat het bedrag dat zij zal krijgen om de wachttijd te overbruggen volstrekt onvoldoende zal zijn om zelf woonruimte van te huren en zichzelf en haar zoontje te kunnen onderhouden. Volgens eiseres is de minister onvoldoende ingegaan op wat eiseres heeft aangevoerd. Dat niet gebleken zou zijn dat de overheid van Cyprus eiseres niet wil helpen is eveneens een onvoldoende motivering en daarnaast had de minister ten minste individuele garanties moeten vragen aan de Cypriotische overheid, zeker nu Cyprus niet heeft gereageerd op het verzoek van DT&V om eiseres te accepteren. Bij aanvullende beroepsgronden van 6 juli 2026 en ter zitting heeft eiseres nog aangevoerd dat zij door traumatische ervaringen medische behandeling ondergaat en dat van haar niet kan worden verwacht dat zij terugkeert naar Cyprus omdat daar geen ondersteuning is zoals in Nederland.
12. Dit betoog van eiseres slaagt niet, gelet op het volgende.
12. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat de minister, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ervan mag uitgaan dat Cyprus zijn verdragsverplichtingen in het algemeen zal nakomen jegens statushouders. Het ligt op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat Cyprus dit niet doet en dat zij dus een reëel risico loopt op schending van fundamentele rechten.
14. Bij de beantwoording van de vraag of eiseres hier in is geslaagd, is het arrest Ibrahim [6] van belang. In dit arrest benadrukt het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) dat de drempel voor een beroep op artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – dat gelijkstaat aan artikel 3 van Pro het EVRM – onverminderd hoog blijft. De drempel wordt bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat iemand die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een ‘toestand van zeer verregaande materiële deprivatie’, waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen, en waardoor zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid zou worden geschaad of zijn leefomstandigheden mensonwaardig zouden worden.
15. De rechtbank stelt vast dat de rechtbank in de vorige asielprocedure van eiseres heeft onderkend dat eiseres ten tijde van die procedure als alleenstaande moeder met een baby kan worden aangemerkt als “bijzonder kwetsbaar”, maar dat dit nog niet maakt dat zij vanwege haar bijzondere kwetsbaarheid buiten haar eigen wil en keuzes om terecht zal komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. De rechtbank heeft daar het volgende over overwogen in haar uitspraak van 22 december 2023:
“De rechtbank is van oordeel dat eiseres met verwijzing naar de informatie uit het AIDA-rapport onvoldoende heeft onderbouwd dat zij in Cyprus in het algemeen niet in staat kan worden geacht om haar rechten te effectueren en/of niet van haar kan worden verwacht dat zij zich hiervoor wendt tot de autoriteiten omdat dit bij voorbaat zinloos moet worden geacht. De rechtbank onderkent dat uit het AIDA-rapport blijkt dat statushouders zelf verantwoordelijk zijn voor het bemachtigen van huisvesting en dat zij van de Cypriotische overheid geen woning toegekend krijgen. Ook blijkt dat het moeilijk is om huisvesting bemachtigen, onder meer vanwege een tekort aan woningen en hoge huurprijzen. Daarnaast blijkt uit het rapport dat hoewel het mogelijk is om in aanmerking te komen voor huursubsidie, het vereist is dat de aanvrager van subsidie al in het bezit is van huisvesting. Het kan lang duren voordat een beslissing wordt genomen op de toekenning van huursubsidie. De rechtbank onderkent dat deze omstandigheden belemmeringen kunnen vormen voor eiseres om aan huisvesting te komen en deze te financieren, en betrekt hierbij de bijzonder kwetsbare positie waarin eiseres zich naar verwachting zal bevinden wanneer haar kind geboren is. Niet is echter gebleken dat de Cypriotische overheid niet bereid is om eiseres bij te staan bij voorkomende problemen. Eiseres heeft eerder in Cyprus gewoond en het mag van haar worden verwacht dat zij bij voorkomende problemen of mogelijke schendingen van haar rechten dat zij zich eerst wendt tot de (hogere) Cypriotische autoriteiten. Niet gebleken is dat de overheid van Cyprus zijn internationale verplichtingen niet nakomt en zich onverschillig toont ten aanzien van de situatie van eiseres en haar elementaire levensbehoeften.”
16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres in de onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die maken dat hierover thans anders moet worden geoordeeld. Zoals de minister in het bestreden besluit gemotiveerd uiteengezet heeft, blijkt uit de door eiseres in de zienswijze aangehaalde passages uit het rapport van AIDA van april 2025 niet dat eiseres in Cyprus geen effectieve toegang heeft tot basale voorzieningen als huisvesting, arbeid en/of een uitkering en dat zij bij terugkeer naar Cyprus terecht komt in een situatie van materiële deprivatie. Evenmin blijkt hieruit dat eiseres als statushouder geen hulp van de Cypriotische autoriteiten kan inroepen bij het effectueren van haar rechten als statushouder of effectief beklag kan doen over de situatie. Voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd, bestaat geen grond. Verder heeft de minister terecht overwogen dat eiseres in haar gehoor opvolgende aanvraag omstandigheden heeft aangevoerd die zij ook heeft aangevoerd in haar eerdere procedure en die ook reeds bij de eerdere beoordeling zijn betrokken. Eiseres heeft in het gehoor opvolgende aanvraag verklaard dat ze tijdens haar eerdere verblijf in Cyprus geen problemen heeft gehad met de overheid en tijdens haar eerdere procedure heeft ze verklaard dat ze in Cyprus werk had en toegang tot de zorg en de woningmarkt. Niet valt in te zien waarom dit voor eiseres nu anders zou zijn bij terugkeer naar Cyprus. Voorts valt niet in te zien – zoals de minister eveneens terecht heeft overwogen – waarom eiseres over een aantal pogingen tot verkrachtingen in Cyprus niet eerder heeft verklaard. Ook ten aanzien van deze verklaringen heeft echter te gelden dat niet is gebleken dat de Cypriotische autoriteiten eiseres niet hebben willen helpen of dat eiseres zich niet heeft kunnen beklagen bij de (hogere) Cypriotische autoriteiten als zij het niet eens was met de manier waarop haar aangifte is afgehandeld. Mede omdat eiseres zichzelf tijdens haar eerdere verblijf in Cyprus staande heeft kunnen houden en daarbij huisvesting, arbeid en inkomen heeft gehad, kan niet worden geconcludeerd dat eiseres volledig afhankelijk is van overheidssteun en buiten haar eigen wil en keuzes om in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomt, waardoor zij verstoken zal blijven van basale voorzieningen zoals eten en onderdak. In de beroepsgronden erkent eiseres ook dat zij zich in Cyprus heeft kunnen handhaven door te werken en van de opbrengst een kamer te huren. Volgens eiseres draait het ook niet om haar, maar om haar zoon. Met de geboorte van eiseres’ zoon is in de vorige procedure echter al rekening gehouden bij de beoordeling van de vraag of eiseres bij terugkeer naar Cyprus terecht zal komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. De rechtbank heeft in haar (in hoger beroep bevestigde) uitspraak van 22 december 2023 immers overwogen dat eiseres als alleenstaande moeder zal moeten terugkeren naar Cyprus, maar dat geen grond bestaat voor het oordeel dat zij buiten haar eigen wil en keuzes om terecht zal komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. Niet valt in te zien waarom dit voor eiseres nu anders zou zijn bij terugkeer naar Cyprus. De rechtbank overweegt verder nog dat de omstandigheid dat eiseres inmiddels een alleenstaande moeder met een jong kind is, niet zonder meer maakt dat zij ook een bijzonder kwetsbaar persoon is die zich niet staande kan houden en niet zelfstandig haar rechten kan effectueren of die extra bescherming behoeft. Ook anderszins is niet gebleken van individuele omstandigheden en/of bijkomende problematiek die het vorenstaande anders maken. Dat betekent dat van eiseres als alleenstaande ouder verlangd mag worden – eventueel met hulp van de autoriteiten – dat zij zorgtaken combineert met het voorzien in levensonderhoud, hetzij door tijdens schooltijd te werken, hetzij door opvangmogelijkheden te benutten of anderszins. Tot slot heeft eiseres onvoldoende onderbouwd – ook in beroep – dat bij haar haar sprake is van medische problematiek die zo ernstig is dat deze haar bijzonder kwetsbaar maken als bedoeld in het arrest Ibrahim en evenmin is gebleken dat eiseres in Cyprus geen toegang kan krijgen tot de voor haar benodigde medische zorg. Voor het oordeel dat de minister individuele garanties had moeten vragen aan de overheid op Cyprus, bestaat daarom ook geen grond.
16. Gelet op het vorenstaande heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat voor statushouders in het algemeen en voor eiseres in het bijzonder een reëel risico bestaat dat terugkeer naar Cyprus strijdig is met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Daarom mag van eiseres mag worden verwacht dat zij terugkeert naar Cyprus.
18. De minister heeft er naar het oordeel van de rechtbank ook terecht op gewezen dat in artikel 9 van Pro de Dublinverordening is geregeld dat kinderen met de ouders mee kunnen naar het land dat aan de ouders al internationale bescherming heeft verleend. Daarom mag van eiseres worden verwacht dat zij de benodigde instemmingsverklaring hiervoor ondertekent, zodat eiseres en haar zoon samen naar Cyprus kunnen gaan en zij niet van elkaar zullen worden gescheiden. Daarbij heeft te gelden dat Cyprus in het algemeen gehouden is aan de Europese regels over de belangen van het kind en de eenheid van het gezin. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag er vanuit worden gegaan dat Cyprus zich aan deze regels zal houden.
18. Gelet op het vorenstaande heeft de minister de asielaanvraag van eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. De vraag of de minister de asielaanvraag van eiseres ook op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 niet-ontvankelijk heeft verklaard en – zo ja – of hij dat terecht heeft gedaan, behoeft daarom geen bespreking.
Ten aanzien van eiser (NL25.32566)
20. Eiseres heeft op 30 april 2024 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hieraan heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij in Gambia gediscrimineerd zal worden omdat hij is geboren buiten een huwelijk en dus door de gemeenschap zal worden gezien als buitenechtelijk. Eiser vreest bij terugkeer naar Gambia ook voor discriminatie omdat zijn moeder (eiseres) een afwijkende seksuele oriëntatie heeft.
21. De minister heeft de asielaanvraag van eiser inhoudelijk behandeld omdat eiser geen internationale bescherming geniet in Cyprus en zijn moeder (eiseres) heeft geweigerd om schriftelijke instemming te geven. De minister heeft de asielaanvraag van eiser bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hij heeft zich daarbij gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Gambia persoonlijk en concreet te maken zal krijgen met discriminatie vanwege de afwijkende seksuele geaardheid van zijn moeder en het zijn van een buitenechtelijk kind.
21. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Op wat hij heeft aangevoerd zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
23. In zijn beroepsgronden van 28 juli 2025 heeft eiser aangevoerd dat de vrees van eiser breder is dan de vrees voor strafrechtelijke vervolging vanwege de afwijkende seksuele geaardheid van zijn moeder. Eisers vrees heeft (ook) betrekking op discriminatie vanuit de samenleving vanwege de seksuele oriëntatie van zijn moeder en het zijn van een buitenechtelijk kind.
24. Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser onderbouwt hiermee immers niet dat hij bij terugkeer naar Gambia persoonlijk en concreet te maken zal krijgen met discriminatie en evenmin dat deze discriminatie zodanig ernstig is dat hij wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden waardoor hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Daarmee heeft eiser het standpunt van de minister in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd bestreden.
Terugkeerbesluit
25. Ter zitting heeft eiser tegen het terugkeerbesluit nog aangevoerd dat hij niet onbegeleid zonder zijn moeder kan terugkeren naar Gambia en dat het terugkeerbesluit niet in overeenstemming is met de rechten van het kind.
26. Deze beroepsgrond slaagt, gelet op het volgende.
27. Uit artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn volgt dat bij de uitvoering van de richtlijn rekening moet worden gehouden met onder meer het belang van het kind en het familie- en gezinsleven. Dit blijkt ook uit het arrest Ararat [7] , waarin het Hof van Justitie van de EU heeft geoordeeld dat de rechtbank moet nagaan of bij de oplegging van het terugkeerbesluit de in artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement niet aan het opleggen van een terugkeerbesluit in de weg staan.
28. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit de in artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen onvoldoende kenbaar heeft meegewogen. Ter zitting heeft de minister in dit verband weliswaar verwezen naar pagina 3 en 4 van het bestreden besluit, maar daarin leest de rechtbank geen afweging van de belangen van het kind en het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn. Ook de verwijzing van de minister naar de pagina’s 5, 6 en 7 van het voornemen kunnen niet worden gelezen als een dergelijke afweging van belangen, omdat de overwegingen op die pagina’s betrekking hebben op het niet verlenen van een verblijfsvergunning regulier aan eiser en niet op de vraag of aan eiser met inachtneming van het belang van het kind en het familie- en gezinsleven een terugkeerbesluit kan worden opgelegd.
29. In aanvulling op het vorenstaande stelt de rechtbank voorts vast dat eiser als jong kind van 2 jaar afhankelijk is van eiseres en dat eiser niet zonder eiseres dan wel een andere begeleider kan terugkeren naar Gambia. Bovendien leidt terugkeer van eiser naar Gambia ertoe dat hij van eiseres wordt gescheiden aangezien eiseres moet terugkeren naar Cyprus, waar zij internationale bescherming geniet. De rechtbank ziet zonder deugdelijke en concrete belangenafweging en motivering niet in hoe deze scheiding in overeenstemming is met de belangen van het kind en het recht op familie- en gezinsleven. De minister heeft bovendien niet uitgelegd waarom het uit elkaar halen van het gezin noodzakelijk en proportioneel zou zijn. Voor zover de minister stelt dat het eiseres vrij staat om eiser te begeleiden naar Gambia, kan dit niet zonder meer worden gevolgd. Eiseres geniet immers internationale bescherming in de EU omdat zij in Gambia een reëel risico loopt op vluchtelingrechtelijke vervolging en/of ernstige schade en de minister heeft verzuimd om een inhoudelijk standpunt in te nemen over de vraag of terugkeer van eiseres naar Gambia in overeenstemming is met het verbod van non-refoulement. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat het onbegeleid terugkeren van eiser, als minderjarig kind van 2 jaar, naar Gambia zonder dat de minister heeft vastgesteld dat sprake is van adequate opvang en begeleiding, leidt tot schending van het verbod van non-refoulement.
30. Aldus is het terugkeerbesluit onvoldoende gemotiveerd waardoor niet kan worden beoordeeld of deze in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn. Het terugkeerbesluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

Conclusie en gevolgen

31. Gelet op het vorenstaande kunnen de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiseres en de ongegrondverklaring van de asielaanvraag van eiser in stand blijven. Het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit kan niet in stand blijven en komt daarom voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
32. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde terugkeerbesluit in stand te laten. Vernietiging van het terugkeerbesluit betekent niet dat eiser niet samen met eiseres kan worden overgedragen aan Cyprus. Door de afwijzing van de asielaanvraag heeft eiser immers in principe geen rechtmatig verblijf in Nederland. Bovendien garandeert de Dublinverordening dat eiser wordt toegelaten tot de asielprocedure in Cyprus, omdat eiseres daar een verblijfsrecht heeft. Zoals hiervoor al is overwogen mag van eiseres worden verwacht dat zij de benodigde instemmingsverklaring hiervoor ondertekent, zodat eiseres en eiser samen naar Cyprus kunnen gaan en zij niet van elkaar zullen worden gescheiden. De rechtbank verwijst naar wat zij onder 18 heeft overwogen.
33. Omdat het beroep van eiser tegen het terugkeerbesluit gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep van eiseres ongegrond;
  • verklaart het beroep van eiser gegrond;
  • vernietigt het besluit van 17 juli 2025 gericht aan eiser, uitsluitend voor zover hierin aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd;
  • verklaart het beroep van eiser voor het overige ongegrond;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van
H.J. Renders, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.In zaaknummer NL23.36142.
4.Bijvoorbeeld de uitspraak van 12 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:442.
5.Bijvoorbeeld de uitspraak van 2 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2668.
6.ECLI:EU:C:2019:219.
7.Arrest van het Hof van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.