ECLI:NL:RBDHA:2026:21147

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
NL26.5516
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep vreemdelingenrecht wegens herstelverzuim

De zaak betreft het verzet van opposant tegen de uitspraak van 21 april 2026, waarin de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens het ontbreken van ingediende beroepsgronden ondanks herhaald herstelverzuim. Opposant stelde dat notificaties niet tijdig waren ontvangen omdat deze in de spamfolder terechtkwamen.

De rechtbank oordeelde dat het verzet gegrond is omdat de eerdere uitspraak niet voldeed aan de vereiste beoordeling omtrent het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Syrië. De rechtbank hervatte het onderzoek en deed tevens uitspraak op het beroep.

Na inhoudelijke toetsing concludeerde de rechtbank dat er geen concrete aanknopingspunten zijn voor een onmiskenbare schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer. De niet-ontvankelijkverklaring blijft daarom gehandhaafd. De rechtbank veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van opposant wegens het gegrond verklaren van het verzet.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard ondanks gegrond verklaard verzet; minister veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5516 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam], opposant [1]
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: H.A. Limonard),
tegen de uitspraak van de rechtbank in de beroepszaak van 21 april 2026 in het geding tussen
opposant
en
de Minister van Asiel en Migratie, geopposeerde. [2]
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman.)

en uitspraak in de beroepszaak tussen

[naam], eiser,V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: H.A. Limonard)
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 21 april 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: opposant, de gemachtigde van opposant, de gemachtigde van de minister en een tolk.

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

2. In artikel 8:55, eerste lid, van de Awb [3] is bepaald dat tegen een uitspraak die is gedaan met toepassing van artikel 8:54 van Pro deze wet verzet kan worden gedaan.
2.1.
Verzet, als bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Awb, betreft uitsluitend de vraag of de bestuursrechter ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van het beroep. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze verzetprocedure beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant ter zitting te horen.
2.2.
De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak eerst of in de uitspraak van 21 april 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [4] was dat het beroep niet-ontvankelijk was. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
2.3.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Uitspraak 21 april 2026
3. De rechtbank heeft in de beroepszaak op 21 april 2026 uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat opposant ondanks een herhaald herstel verzuim geen gronden voor het beroep had ingediend.
Gronden verzet
4. Opposant voert in verzet aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van gronden. Opposant erkent dat niet is voldaan aan het (herhaald) herstel verzuim, maar stelt dat dit het gevolg is van het feit dat de betreffende berichten hem niet (tijdig) hebben bereikt. De notificaties van de rechtbank zijn volgens opposant tweemaal in de spam map is terechtgekomen, waardoor het (herhaald) herstel verzuim onopgemerkt is gebleven en het verzuim niet is hersteld.
4.1.
De gemachtigde van opposant wijst erop dat opposant door deze gang van zaken ernstig in zijn belangen wordt geschaad, nu hij bij een niet-inhoudelijke afdoening mogelijk zal worden teruggestuurd naar Syrië. Er is sprake van een verschil van inzicht over de veiligheidssituatie in Syrië nu er volgens opposant onvoldoende aanknopingspunten bestaan om het huidige 15c-beleid te rechtvaardigen. Het standpunt van geopposeerde dat in Syrië sprake zou zijn van een relatief lager niveau van willekeurig geweld is volgens opposant ondeugdelijk gemotiveerd. Opposant stelt dat de humanitaire omstandigheden in Syrië onvoldoende zijn meegewogen. Gelet hierop verzoekt opposant de rechtbank om het verzet gegrond te verklaren en alsnog tot een inhoudelijke behandeling van het beroep over te gaan.
Oordeel rechtbank
5. Vaststaat dat opposant geen gronden van beroep heeft ingediend, ondanks de (herhaald) geboden mogelijkheid om het geconstateerde verzuim te herstellen. De rechtbank heeft het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb.
5.1.
Met geopposeerde is de rechtbank van oordeel dat de door opposant aangevoerde redenen niet tot verschoonbaarheid leiden. Van een professionele gemachtigde mag worden verwacht dat hij de procedurele termijnen bewaakt. Dat notificaties soms in de spambox terecht komen komt voor rekening en risico van gemachtigde. Op dit punt is de kennelijke niet-ontvankelijkverklaring daarom terecht.
5.2.
De rechtbank ziet zich echter ambtshalve eveneens voor de vraag gesteld of, nu het bestreden besluit tevens een terugkeerbesluit bevat, de zaak ook om die reden vereenvoudigd kon worden afgedaan. Er moet [5] in dat kader immers worden beoordeeld of sprake is van aanknopingspunten die aanleiding geven om nationale procedureregels buiten toepassing te laten wegens een evident risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM [6] .
5.3.
De rechtbank stelt vast dat in de uitspraak van 21 april 2026 uitsluitend is overwogen dat geen gronden van beroep waren ingediend en dat het beroep om die reden kennelijk niet-ontvankelijk was. In de uitspraak ontbreekt een kenbare beoordeling van de vraag of, ondanks het ontbreken van beroepsgronden, aanleiding bestond om vanwege een evident risico op een schending van artikel 3 van Pro het EVRM af te zien van de
niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
5.4. Nu deze beoordeling ontbreekt, kon niet worden geoordeeld dat buiten redelijke twijfel vaststond dat het beroep niet-ontvankelijk was. De zaak had daarom niet met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb kunnen worden afgedaan en het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 21 april 2026 vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.De rechtbank zal hierbij tevens uitspraak doen op het beroep.

Beoordeling door de rechtbank van het beroep

6. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting over het verzet. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb tevens uitspraak te doen op het beroep, nu nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en partijen in de gelegenheid zijn gesteld om op een zitting te worden gehoord en zijn gewezen op de bevoegdheid van de rechtbank om tevens uitspraak te doen op het beroep. De rechtbank doet daarom op grond van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep.
7. Opposant wordt hierna eiser genoemd en geopposeerde de minister.
8. Een beroepschrift moet ten minste de gronden van het beroep bevatten en kan anders niet-ontvankelijk worden verklaard. De indiener moet dan wel de gelegenheid hebben gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde (herstel)termijn. Dit volgt uit artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb in samenhang met artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb. De rechtbank gaat in een geval als dit alleen over tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep als de te late indiening van de beroepsgronden niet verschoonbaar is.
8.1.
De rechtbank stelt vast – en dit staat tussen partijen ook niet ter discussie – dat eiser de gronden van beroep niet binnen de hem gegeven hersteltermijn heeft ingediend. De te late indiening is naar het oordeel van de rechtbank niet verschoonbaar. [7] Daarom bestaat er naar het oordeel van de rechtbank in beginsel aanleiding om het beroep van eiser niet-ontvankelijk te verklaren met toepassing de nationale procedureregels (artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb).
8.2.
Onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden kan de noodzaak bestaan om ter voorkoming van schending van artikel 3 van Pro het EVRM een in het nationale recht neergelegde procedureregel niet tegen te werpen. [8] Daarvoor is vereist dat wat een vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat de minister bij uitzetting van die vreemdeling artikel 3 van Pro het EVRM zou schenden. De bestuursrechter moet beoordelen of zulke bijzondere feiten of omstandigheden zich voordoen. Dat vergt een zelfstandige toets van de bestuursrechter, die losstaat van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Deze beoordeling moet worden verricht in het licht van het standpunt van de minister over wat de vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd en wat algemeen bekend is over het land van herkomst. Het standpunt van de minister gaat in deze zaak over de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser. Daarom moet worden getoetst of dat standpunt niet evident onjuist is. [9]
8.3.
De rechtbank is van oordeel dat wat eiser heeft aangevoerd en het dossier tezamen geen concrete aanknopingspunten bieden om aan te nemen dat bij terugkeer onmiskenbaar sprake zal zijn van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM. De enkele stelling van eiser dat het standpunt van de minister dat in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld ondeugdelijk is gemotiveerd en dat de humanitaire omstandigheden onvoldoende zijn meegewogen, is daartoe onvoldoende. Op dit punt verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 9 december 2025 [10] , waarin is geoordeeld over het standpunt van de minister over de veiligheidssituatie in Syrië en haar uitspraak van 25 juni 2026 [11] waarin onder meer is geoordeeld over de humanitaire omstandigheden in Syrië. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de niet-ontvankelijkheid wegens het ontbreken van beroepsgronden achterwege te laten op grond van het Bahaddar-arrest.

Conclusie en gevolgen

9. De rechtbank zal het beroep van eiser op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb
niet-ontvankelijk verklaren nu er geen gronden zijn ingediend, ondanks herhaald geboden herstel verzuim, en zich geen ‘Bahaddar-omstandigheden’ voordoen.
10. Voor een proceskostenveroordeling in beroep bestaat geen aanleiding.
10.1.
Omdat het verzet gegrond is verklaard, komt opposant in aanmerking voor vergoeding van proceskosten. Geopposeerde moet de door opposant gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,- (0,5 punt voor het verzetschrift en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting met een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het verzet gegrond;
 verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
 veroordeelt geopposeerde in de proceskosten van opposant in het verzet tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Met geopposeerde wordt bedoeld de partij die geen verzetschrift heeft ingediend.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Awb.
5.Als gevolg van het arrest Bahaddar, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.
6.Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
7.Zie ook ro 5.1.
8.Bahaddar, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494. Zie ook bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5298.
9.vgl. de uitspraak van de Afdeling van 5 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3554, onder 3.3.