ECLI:NL:RBDHA:2026:17184

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL26.16829
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 64 VwArt. 15c KwalificatierichtlijnArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Syriër wegens onvoldoende risico op vervolging of ernstige schade

Eiser, een Syrische nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie op 18 maart 2026 werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep op 4 juni 2026 en oordeelde dat de afwijzing terecht was. Eiser vreesde vervolging vanwege deelname aan demonstraties en benadering door IS, alsmede risico's door oorlog en stamconflicten.

De minister achtte de identiteit en deelname aan demonstraties geloofwaardig, maar verwierp de bewering over IS vanwege tegenstrijdigheden en gebrek aan onderbouwing. De minister concludeerde dat er geen gegronde vrees voor vervolging of ernstig risico op schade was, mede omdat het niveau van willekeurig geweld in Syrië relatief laag is.

De rechtbank bevestigde dat de minister de verklaringen terecht als tegenstrijdig beoordeelde en dat eiser onvoldoende individuele risicoverhogende omstandigheden aannemelijk had gemaakt. Ook werd geoordeeld dat de humanitaire situatie niet leidde tot een ander oordeel over het risico. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenvergoedingen af.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte individuele risico's en relatief laag niveau van willekeurig geweld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16829

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. A. Szirmai),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw. [1] Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 18 maart 2026 in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser krijgt met ingang van 18 maart 2026 tot 18 september 2026 voorlopig uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft in 2011, 2012 en 2013 meegedaan aan demonstraties tegen het regime van Assad in Syrië. Verder is eiser in oktober 2015 op zijn werk bij de apotheek benaderd door IS om zich bij hen aan te sluiten. Ook is de zoon van eiser benaderd. Eiser is vervolgens na een of twee dagen vertrokken uit Syrië naar Turkije. Eiser is tot februari 2024 in Turkije verbleven en toen via Griekenland en Italië naar Nederland gevlucht. Eiser vreest bij terugkeer voor oorlog, voor IS, voor Qassad en stamconflicten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • benadering door IS om zich aan te sluiten;
  • deelname aan demonstraties in 2011, 2012 en 2013.
4.1.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst en de deelname aan de demonstraties in 2011, 2012 en 2013 geloofwaardig. De benadering door IS om zich bij hen aan te sluiten acht de minister niet geloofwaardig. Hiertoe overweegt de minister dat eiser zijn verklaringen hierover niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die zijn asielmotief volledig onderbouwen. Ook vormen de verklaringen van eiser over de benadering door IS geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo heeft eiser tegenstrijdig verklaard over de benadering door IS en over de reden van het vertrek uit Syrië. Volgens de minister leiden de geloofwaardige asielmotieven niet tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Hiertoe overweegt de minister dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de Syrische autoriteiten wordt gezocht vanwege het deelnemen aan de demonstraties. Verder neemt de minister voor heel Syrië aan dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De minister overweegt dat eiser geen individuele gronden heeft aangedragen die aangemerkt kunnen worden als risico verhogende omstandigheid. Ten aanzien van eisers vrees voor stamconflicten en Qassad overweegt de minister dat niet is gebleken dat er sprake is van een concrete vrees vanwege persoonlijke factoren. De minister heeft de asielaanvraag van eiser daarom afgewezen.
Herhaling zienswijze
5. Eiser verwijst naar de zienswijze en verzoekt om de inhoud daarvan als herhaald en ingelast te beschouwen.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op wat eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Het enkel verwijzen naar de zienswijze in de beroepsgronden, zonder daarbij aan te geven op welke punten en waarom de motivering van het besluit volgens eiser niet toereikend is, is naar het oordeel van de rechtbank geen gemotiveerde betwisting van het besluit en kan daarom niet tot vernietiging van het besluit leiden.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de benadering door IS. Eiser wijst naar zijn verklaringen tijdens het nader gehoor en de correcties en aanvullingen daarop. Bovendien gaat de minister voorbij aan het feit dat eiser veel heeft meegemaakt en zich daardoor bepaalde zaken niet even goed kan herinneren en aan de gevoeligheid van het onderwerp.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de verklaringen van eiser over de benadering door IS tegenstrijdig kunnen vinden. Zo heeft eiser tijdens het aanmeldgehoor meerdere malen verklaard dat hij en zijn omgeving niet zijn benaderd door IS. Tijdens het nader gehoor heeft eiser vervolgens verklaard dat zowel hij, als zijn zoon en zijn collega zijn benaderd door IS. De uitleg van eiser dat hij tijdens het aanmeldgehoor had begrepen dat de vraag betrekking had op zijn gezin maakt dit niet anders. Zijn zoon behoort namelijk tot zijn gezin en ook over hem heeft eiser niet aangegeven dat hij zou zijn benaderd door IS. Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn stelling dat de geconstateerde inconsistenties voortkomen uit zijn mentale toestand onvoldoende heeft onderbouwd. Uit het medisch dossier van eiser volgt niet dat er sprake is van zodanige psychische klachten. Verder volgt ook niet uit de verslagen van de gehoren dat eiser niet in staat was om helder en gedetailleerd te verklaren. De beroepsgrond slaagt niet.
Vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade
7. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat in Syrië sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld en dat de humanitaire situatie niet tot een ander oordeel leidt. Volgens eiser heeft de minister de humanitaire omstandigheden als gevolg van het jarenlange repressieve regime van Assad ten onrechte niet meegenomen in haar beleid. Ter onderbouwing wijst eiser op verschillende rechtbankuitspraken. [2] Ter onderbouwing van de ernstige humanitaire situatie wijst eiser op de ambtsberichten Syrië van mei 2025 en januari 2026, het jaarrapport 2026 van Human Rights Watch, het EUAA Country Guidance rapport van december 2025 en het bericht van de UNHCR van
8 december 2025 [3] . Eiser wijst er verder op dat het bestreden besluit geheel steunt op het ambtsbericht van januari 2026, terwijl juist na die verslagperiode het offensief van de overgangsregering tegen de SDF plaatsvond. Ter nadere onderbouwing daarvan wijst eiser op de rapporten van Cedoca van 31 maart 2026 en 19 mei 2026 en op de Flash Update van OCHA van 19 januari 2026.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 9 december 2025 een oordeel gegeven over de gradatie van willekeurig geweld in Syrië. [4] Hierin heeft de rechtbank aan de hand van hetgeen was aangevoerd geoordeeld dat er geen aanleiding bestond voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte heeft gekwalificeerd als een 15c-situatie in de laagste gradatie. De rechtbank ziet in hetgeen eiser in deze zaak heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De minister heeft uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 terecht geconcludeerd dat dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen en dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in Deir ez-Zor te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat het grootste gedeelte van de provincie Deir ez-Zor onder controle staat van de overgangsregering. Verder is het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten afgenomen en worden er maatregelen genomen met betrekking tot mijnen. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in Deir ez-Zor, maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. In de verslagperiode keerden echter ook meer dan 84.577 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in Deir ez-Zor. De minister heeft verder op de zitting terecht toegelicht dat de door eiser in beroep overgelegde Cedoca-rapporten en de Flash Update van OCHA geen ander beeld laten zien dan al is betrokken bij de 15c-beoordeling. Bovendien laten de stukken juist zien dat de situatie is gestabiliseerd in mei en dat dat er veel humanitaire hulp aanwezig is in het gebied.
7.2.
Ten aanzien van het meewegen van humanitaire omstandigheden verwijst de rechtbank naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 19 mei 2026. [5] Hierin heeft de rechtbank overwogen dat humanitaire omstandigheden die in een te ver verwijderd verband staan met het willekeurig geweld of die in hoofdzaak zijn veroorzaakt door een niet-strijdende actor, niet hoeven te worden betrokken bij de globale beoordeling van de gradatie van geweld. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de slechte humanitaire omstandigheden, zoals beschreven in de ambtsberichten over Syrië en de door eiser genoemde rapporten en artikelen, in overwegende mate het gevolg zijn van handelen van het Assad-regime, dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Weliswaar kan ook het handelen van de thans nog actieve partijen invloed hebben op de humanitaire situatie, maar uit de landeninformatie volgt niet dat de huidige slechte humanitaire omstandigheden in hoofdzaak worden veroorzaakt of in stand gehouden door die partijen. Integendeel, uit de informatie blijkt dat de slechte humanitaire situatie in belangrijke mate wordt bepaald door een samenloop van factoren, waaronder langdurige economische ontwrichting, bestuurlijke en institutionele verzwakking, economische sancties, gebrekkige wederopbouw en de algemene staat van de infrastructuur na jaren van conflict. De slechte humanitaire omstandigheden zijn dus niet in overwegende mate te herleiden tot het actuele willekeurige geweld. Eiser heeft ook niet gesteld dan wel inzichtelijk gemaakt waaruit volgt dat de op dit moment actieve partijen in het gewapend conflict de slechte humanitaire situatie in Syrië, en in het bijzonder in Deir ez-Zor, veroorzaken of in stand houden. Gelet hierop heeft de minister de humanitaire omstandigheden buiten beschouwing mogen laten bij de vaststelling van de gradatie van het willekeurig geweld.
7.3.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister, met inachtneming van wat in deze zaak is aangevoerd, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.
Heeft de minister de individuele, risicoverhogende omstandigheden voldoende kenbaar betrokken?
8. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij geen individuele omstandigheden heeft aangedragen die als risicoverhogend kunnen worden aangemerkt. Eiser wijst er op dat hij ten minste heeft aangedragen dat hij terugkeert uit Europa, dat zijn woning in Deir ez-Zor is verwoest, dat hij in Syrië geen netwerk heeft en dat hij medisch kwetsbaar is.
8.1.
Zoals volgt uit het arrest X en Y, en de Vreemdelingencirculaire [6] , moet de betrokkene in minder uitzonderlijke situaties (de middelste en laagste gradatie) aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat die omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en dat juist de betrokkene specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser op basis van zijn persoonlijke omstandigheden en individuele situatie onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Deir ez-Zor een verhoogd risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, gelet op de voor artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn geldende glijdende schaal, bij een relatief lager niveau van willekeurig geweld, de door de betrokkene naar voren gebrachte risicoverhogende omstandigheden meer gewicht moeten hebben om een reëel risico aan te kunnen nemen. De pas in beroep naar voren gebrachte omstandigheden – ‘geen woning’ en het ‘ontbreken van een netwerk’ – zijn daarvoor onvoldoende. Verder volgt uit de landeninformatie dat er geen informatie bekend is waaruit blijkt dat terugkeerders uit Europa problemen ondervinden. [7] Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn medische kwetsbaarheid een verhoogd risico met zich meebrengt. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een significant verhoogd risico loopt ten opzichte van andere personen.
Had de minister moeten toetsen aan artikel 3 van Pro het EVRM?
9. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft nagelaten om zelfstandig te beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat aan eiser uitstel van vertrek is verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vw. Eiser hoeft hierdoor Nederland nog niet daadwerkelijk te verlaten. De minister was hierdoor nog niet gehouden om apart te toetsen aan artikel 3 van Pro het EVRM.

Conclusie en gevolgen

10. De rechtbank verklaart beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
6.Paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vc 2000.
7.Algemeen ambtsbericht van mei 2025, pagina 128 en het algemeen ambtsbericht van januari 2026, pagina 137 ev.