ECLI:NL:RBDHA:2026:21149

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
NL26.24787
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 Vreemdelingenwet 2000Art. 6:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:55d AwbWet van 27 mei 2026 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag; minister opgelegd binnen 12 weken besluit te nemen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 24 juni 2025. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 behandeld, waarbij de gemachtigde van eiser niet aanwezig was. De minister werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank constateert dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister niet binnen de door eiser gestelde termijn van twee weken alsnog een besluit heeft genomen. Het beroep is ontvankelijk en gegrond verklaard. De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn van twaalf weken op, ingaande de dag na de bekendmaking van deze uitspraak.

De rechtbank past een nieuw 8+4-wekenmodel toe voor de termijn van het horen en beslissen, in plaats van het eerdere 8+8-wekenmodel, vanwege het vervallen van de voornemenprocedure sinds de inwerkingtreding van het Europese Asiel- en migratiepact op 12 juni 2026.

Daarnaast legt de rechtbank een rechterlijke dwangsom op van € 50,- per dag bij overschrijding van de termijn, met een maximum van € 15.000,-. De minister wordt tevens veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-. De uitspraak is openbaar gemaakt op 29 juli 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt de minister een termijn van twaalf weken op om alsnog een besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24787

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. F.H. Gart),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 24 juni 2025.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Gemachtigde van eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek ter zitting is gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken. [1] Eiser heeft de minister, na het verstrijken van de termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. [2] Dat heeft de minister niet gedaan en eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. [3]
3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
Nadere beslistermijn
4. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. [4]
5. Met ingang van 12 juni 2026 is het Europese Asiel- en migratiepact in werking getreden. Als gevolg daarvan is de voornemenprocedure vervallen, omdat deze procedurestap niet is opgenomen in de Procedureverordening. Het vervallen van de voornemenprocedure heeft tot gevolg dat na het gehoor over de asielmotieven sneller tot besluitvorming kan worden overgegaan. [5]
6. Uit het dossier blijkt dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven. In een dergelijk geval hanteerde deze rechtbank en zittingsplaats tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend geacht. [6]
7. De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien. De termijn van acht weken voor het houden van het gehoor blijft passend, omdat deze termijn noodzakelijk is voor de voorbereiding en uitvoering van het gehoor. De rechtbank acht de termijn van acht weken voor het nemen van een besluit niet langer noodzakelijk, nu de voornemenprocedure is komen te vervallen. Gelet hierop acht de rechtbank een termijn van vier weken voor het nemen van een besluit na het gehoor passend. De rechtbank zal vanaf heden uitgegaan van het zogenoemde 8+4-wekenmodel.
8. De rechtbank stelt vast dat de maximale termijn van 21 maanden [7] nog niet is overschreden. Ook voor het overige ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het hiervoor beschreven 8+4-wekenmodel. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van twaalf weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
Rechterlijke dwangsom
9. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op. [8]
10. Het LOVB [9] heeft op 21 mei 2026 een aanbeveling vastgesteld over de rechterlijke dwangsom bij beroepen wegens het niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken. [10] Deze aanbeveling strekt ertoe tot een meer uniforme vaststelling van de rechterlijke dwangsom te komen, waarbij rekening wordt gehouden met zowel het belang van tijdige besluitvorming als met de uitvoerbaarheid van de door de rechtbank gestelde beslistermijn. De rechtbank acht voornoemde afweging evenwichtig en zal dan ook vanaf heden de aanbeveling van het LOVB onverkort volgen. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 50,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-. [11]

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister twaalf weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet binnen deze termijn, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
12. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen twaalf weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars rechter, in aanwezigheid van
A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 42 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb.
4.Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
5.Dit volgt uit onderdeel AF en artikel IX van de Wet van 27 mei 2026 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026), Stb. 2026, 127. Zie ook Kamerstukken II 2025/26, 36 871, nr. 3, p. 46 en 47.
6.ABRvS 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560 en ABRvS 5 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5020.
7.Als bedoeld in artikel 35, zevende lid, onder c, van de Procedureverordening.
9.Het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht. In dit overleg zijn alle afdelingen bestuursrecht van de rechtbanken vertegenwoordigd.
10.Aanbeveling rechterlijke dwangsom bij beroep niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken, raadpleegbaar via www.rechtspraak.nl.
11.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.