ECLI:NL:RBDHA:2026:21153

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
NL26.11057
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:55d AwbArt. 31, vijfde lid, ProcedurerichtlijnWet van 27 mei 2026 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen beperkte proceskostenvergoeding bij niet-tijdig beslissen asielaanvraag

De rechtbank Den Haag behandelde het verzet tegen haar uitspraak van 7 april 2026, waarin het opvolgende beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond werd verklaard, maar waarbij een lage wegingsfactor van 0,25 werd toegepast voor de proceskostenvergoeding. De rechtbank oordeelt dat het verzet gegrond is omdat de toegepaste wegingsfactor onvoldoende is gemotiveerd en niet in lijn is met recente jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De rechtbank stelt vast dat de minister niet binnen de gestelde termijn een besluit heeft genomen op de asielaanvraag van 12 februari 2024, waardoor het beroep gegrond is. Met ingang van 12 juni 2026 is het Europese Asiel- en migratiepact in werking getreden, waardoor de voornemenprocedure is vervallen en de rechtbank het 8+8-wekenmodel voor hoor- en beslistermijn aanpast naar een 8+4-wekenmodel. In deze zaak is de maximale termijn van 21 maanden uit de Procedurerichtlijn overschreden, waardoor een termijn van zes weken wordt opgelegd voor het horen en beslissen.

De rechtbank legt een rechterlijke dwangsom op van €50 per dag met een maximum van €15.000 bij overschrijding van de beslistermijn. Tevens wordt een proceskostenvergoeding van €1.401 toegekend, gebaseerd op een wegingsfactor van 0,5. De uitspraak van 7 april 2026 wordt vernietigd en het onderzoek wordt hervat. Tegen het verzet is geen hoger beroep mogelijk, wel tegen het beroep.

Uitkomst: Het verzet en beroep zijn gegrond verklaard, de eerdere uitspraak vernietigd, een nieuwe beslistermijn van zes weken vastgesteld met een rechterlijke dwangsom en een hogere proceskostenvergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11057 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam]

V-nummer: [nummer]

[naam 2],

V-nummer: [nummer 2]
gezamenlijk: opposanten [1] ,
(gemachtigde: A. Khalaf),
tegen de uitspraak van de rechtbank in de beroepszaak van 7 april 2026 in het geding tussen
opposanten
en
de minister van Asiel en Migratie,geopposeerde [2] (gemachtigde: mr. G.W. Wezelman)

en uitspraak in de beroepszaak tussen

[naam]

V-nummer: [nummer]

[naam 2]

V-nummer: [nummer 2],
gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: A. Khalaf),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposanten gaat over de uitspraak van de rechtbank van 7 april 2026 waarin de rechtbank het opvolgende beroep van opposanten tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond heeft verklaard en bij de weging van de te vergoeden proceskosten de factor 0.25 heeft toegepast.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van opposanten en de gemachtigde van geopposeerde. Het onderzoek ter zitting is gesloten

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

2. In artikel 8:55, eerste lid, van de Awb [3] is bepaald dat tegen een uitspraak die is gedaan met toepassing van artikel 8:54 van Pro deze wet verzet kan worden gedaan.
2.1.
Verzet, als bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Awb, betreft uitsluitend de vraag of de bestuursrechter ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van het beroep. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze verzet procedure beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposanten ter zitting te horen.
2.2.
De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 7 april 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [4] was dat het beroep gegrond was. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
2.3.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 7 april 2026
3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat is toegestaan wanneer het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het opvolgende beroep kennelijk gegrond verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de beslistermijn was verstreken. Geopposeerde moet de door opposanten gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank heeft daarbij de wegingsfactor voor het bepalen van de hoogte van die proceskostenvergoeding bepaald op 0,25 (zeer licht).
Gronden verzet
4. Opposanten kunnen zich niet verenigen met de in de uitspraak toegekende proceskostenvergoeding voor daarbij een wegingsfactor van 0,25 is toegepast. Volgens opposanten heeft de rechtbank deze wegingsfactor onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft uitsluitend verwezen naar de algemene benadering dat opvolgende beroepen wegens niet tijdig beslissen in beginsel beperkte werkzaamheden vergen. Opposanten stellen dat het Besluit proceskosten bestuursrecht vereist dat het gewicht van een zaak zaak-specifiek wordt beoordeeld en gemotiveerd. De rechtbank heeft volgens opposanten niet inzichtelijk gemaakt waarom juist deze zaak als zeer licht moet worden aangemerkt. Verder voeren opposanten aan dat niet-tijdig-beslissen procedures in beginsel als licht (wegingsfactor 0,5) moeten worden aangemerkt en dat slechts bij uitzonderlijke omstandigheden aanleiding bestaat voor toepassing van een lagere wegingsfactor. Van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden is volgens opposanten in deze zaak geen sprake. Opposanten verzoeken daarom ook in hun opvolgende beroep om toepassing van een wegingsfactor van 0,5 bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding.
Beoordeling verzet
5. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op 15 jun 2026 uitspraak heeft gedaan over de toepassing van de wegingsfactor 0.25 in niet-tijdig-beslissen procedures. [5] De Afdeling is van oordeel dat de bestuursrechter in beginsel wegingsfactor 0,5 toepast als het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en/of ter beoordeling staat of het bestuursorgaan als gevolg daarvan een dwangsom is verschuldigd. De Afdeling ziet geen aanleiding om in opvolgende beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit in vreemdelingenzaken een lagere wegingsfactor toe te passen.
5.1. Gelet op deze ontwikkeling in de jurisprudentie is het verzet gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 7 april 2026 vervalt en dat de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. De rechtbank zal hierbij tevens uitspraak doen op het beroep.

Beoordeling van de rechtbank van het beroep

6. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting over het verzet. Omdat de rechtbank na de behandeling van het verzet van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, doet zij met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb tevens uitspraak op het beroep.
6.1.
Opposanten worden hierna eisers genoemd en geopposeerde de minister.
7. Niet in geschil is dat de minister niet binnen de door de rechtbank in de eerdere niet-tijdig-beslissen procedure [6] bepaalde nadere beslistermijn alsnog een besluit heeft genomen op de aanvraag van eisers van 12 februari 2024 om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Het opvolgende beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom gegrond.

Nadere beslistermijn

8. Met ingang van 12 juni 2026 is het Europese Asiel- en migratiepact in werking getreden. Als gevolg daarvan is de voornemenprocedure vervallen, omdat deze procedurestap niet is opgenomen in de Procedureverordening. Het vervallen van de voornemenprocedure heeft tot gevolg dat na het gehoor over de asielmotieven sneller tot besluitvorming kan worden overgegaan. [7]
8.1.
Uit het dossier blijkt dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven. In een dergelijk geval hanteerde de rechtbank tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling passend geacht. [8]
8.2.
De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien. De termijn van acht weken voor het houden van het gehoor blijft passend, omdat deze termijn noodzakelijk is voor de voorbereiding en uitvoering van het gehoor. De rechtbank acht de termijn van acht weken voor het nemen van een besluit niet langer noodzakelijk, nu de voornemenprocedure is komen te vervallen. Gelet hierop acht de rechtbank een termijn van vier weken voor het nemen van een besluit na het gehoor passend. De rechtbank zal vanaf heden uitgaan van het zogenoemde 8+4-wekenmodel.
8.3.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de maximale termijn van 21 maanden uit artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is verstreken. In afwijking van het te hanteren 8+4-wekenmodel legt de rechtbank in dat geval in beginsel een termijn van zes weken op voor het horen en beslissen op een asielaanvraag (4+2-weken). [9] Omdat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden om daarvan af te wijken, draagt de rechtbank de minister op om binnen zes weken een besluit op de aanvraag bekend te maken
Rechterlijke dwangsom
9. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op. [10]
10. Het LOVB [11] heeft op 21 mei 2026 een aanbeveling vastgesteld over de rechterlijke dwangsom bij beroepen wegens het niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken. [12] Deze aanbeveling strekt ertoe om tot een meer uniforme vaststelling van de rechterlijke dwangsom te komen, waarbij rekening wordt gehouden met zowel het belang van tijdige besluitvorming als met de uitvoerbaarheid van de door de rechtbank gestelde beslistermijn. De rechtbank acht voornoemde afweging evenwichtig en zal dan ook vanaf heden de aanbeveling van het LOVB onverkort volgen. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 50,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-. [13]

Conclusie en gevolgen11.Opposanten krijgen gelijk. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 7 april 2026 vervalt. Ook het beroep is gegrond. De rechtbank zal een nadere beslistermijn vaststellen en daaraan een rechterlijke dwangsom verbinden waarbij wegingsfactor 0,5 wordt toegepast.

11.1.
Omdat het verzet en het beroep gegrond zijn bestaat er aanleiding een proceskostenvergoeding toe te kennen. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.401,- (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1. Verder wordt toegekend 1 punt voor het indienen van het opvolgende beroep niet tijdig beslissen, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0.5).

Beslissing

  • verklaart het verzet gegrond;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister tot betaling aan eisers van € 1.401,- voor de proceskosten in beroep en in verzet.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A.W. Landman, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met opposanten wordt bedoeld de indieners van het verzetschrift.
2.Met geopposeerde wordt bedoeld de partij die geen verzetschrift heeft ingediend.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Awb.
6.NL24.38488 en NL25.8741.
7.Dit volgt uit onderdeel AF en artikel IX van de Wet van 27 mei 2026 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026), Stb. 2026, 127. Zie ook Kamerstukken II 2025/26, 36 871, nr. 3, p. 46 en 47.
11.Landelijke Overleg Vakinhoud Bestuursrecht. In dit overleg zijn alle afdelingen bestuursrecht van de rechtbanken vertegenwoordigd.
12.Aanbeveling rechterlijke dwangsom bij beroep niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken, via www.rechtspraak.nl.
13.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.