ECLI:NL:RBDHA:2026:21237

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
NL25.58173 en NL25.58174 en NL25.58178 en NL25.58179
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15c KwalificatierichtlijnArt. 30b Vreemdelingenwet 2000Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 3:2 AwbArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvragen broers uit Somalië wegens ondeugdelijke geloofwaardigheidsbeoordeling en onzorgvuldige motivering

Eisers, twee broers uit Somalië met een asielstatus in Griekenland, dienden asielaanvragen in Nederland in die door de minister werden afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank oordeelt dat de minister de geloofwaardigheid van hun verklaringen onjuist heeft beoordeeld, met name door onvoldoende rekening te houden met het tijdsverloop, persoonlijke omstandigheden en detailverschillen die de kern van het verhaal niet raken.

De rechtbank stelt vast dat de minister onzorgvuldig en ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat in Mogadishu sprake zou zijn van een lage mate van willekeurig geweld, terwijl recente rapporten juist een verslechterde veiligheidssituatie en veelvuldige aanslagen op burgers aantonen. Tevens heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met de handicap van eiser 1, die een verhoogd individueel risico op willekeurig geweld met zich meebrengt.

Daarnaast oordeelt de rechtbank dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod niet kunnen worden gehandhaafd zonder overleg met de Griekse autoriteiten over de status van eisers. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en draagt de minister op binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eisers.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvragen en draagt de minister op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.58173 (beroep)
NL25.58174 (voorlopige voorziening)
NL25.58178 (beroep)
NL25.58179 (voorlopige voorziening)
V-nummers: [v-nummer 1]
[v-nummer 2]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser 1],

geboren op [geboortedag 1] 1999, eiser/verzoeker (hierna: eiser 1)

[eiser 2],

geboren op [geboortedag 2] 1988, eiser/verzoeker (hierna: eiser 2)
beiden van Somalische nationaliteit,
(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) de beroepen van eisers tegen de afwijzing van hun asielaanvragen en de verzoeken om een voorlopige voorziening.
1.1.
De minister heeft met de bestreden besluiten van 20 november 2025 deze aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen en verzoeken om een voorlopige voorziening op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en A. Ahmed als tolk in de taal Somali. De minister is niet op de zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het bestreden besluit (eiser 1)

Asielrelaas
4. Eiser 1 heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft met de familie van zijn vrouw, met wie hij in het geheim was getrouwd. Deze familie accepteerde hem niet omdat hij blind is. Zijn vrouw is zwanger geraakt en verdwenen. De familie van zijn vrouw heeft eiser 1 en zijn familieleden zwaar mishandeld. Verder heeft eiser 1 aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Somalië veel discriminatie heeft ondervonden vanwege zijn handicap.
Besluitvorming
5. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst; en
  • de problemen vanwege het geheime huwelijk.
5.1.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser 1 geloofwaardig. De problemen vanwege het geheime huwelijk vindt de minister niet geloofwaardig. Eiser 1 heeft onvoldoende documenten ingediend ter staving van zijn asielrelaas en heeft hiervoor geen goede verklaring. Ook vormen zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel.
5.2.
De minister vindt verder dat eiser 1 geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag [1] . Hoewel hij is gediscrimineerd vanwege zijn handicap, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat dit raakt aan de gronden van het Vluchtelingenverdrag.
5.3.
Ook vindt de minister dat eiser 1 bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico loopt op ernstige schade. In Mogadishu is volgens de minister sprake van een lage mate van willekeurig geweld in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn [2] . Eiser 1 heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn blindheid een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
5.4.
De minister vindt ook dat het feit dat de Griekse autoriteiten de asielaanvraag van eiser 1 hebben ingewilligd, niet betekent dat de minister dat oordeel moet overnemen. Eiser 1 heeft in Nederland tegenstrijdig verklaard met zijn verklaringen in Griekenland.
5.5.
De minister wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond. [3] Eiser 1 heeft namelijk verklaringen afgelegd die worden beoordeeld als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig. Verdere krijgt hij geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000 [4] . Hij heeft zijn medische situatie niet onderbouwd. De minister legt eiser 1 een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn op en een inreisverbod voor de duur van twee jaar.

Totstandkoming van het bestreden besluit (eiser 2)

Asielrelaas
6. Eiser 2 heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij is bedreigd en mishandeld door leden van Al Shabaab, omdat hij als tuktuk chauffeur ambtenaren en politieagenten vervoerde. Ook heeft hij verklaard over de problemen vanwege het huwelijk van zijn broer (eiser 1).
Besluitvorming
7. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • de problemen met Al Shabaab; en
  • de problemen vanwege het huwelijk van zijn broer (eiser 1).
7.1.
De minister vindt de nationaliteit en herkomst van eiser 2 geloofwaardig, maar zijn identiteit niet. Eiser 2 heeft onvoldoende documenten gegeven om zijn identiteit te onderbouwen en heeft daarvoor geen goede verklaring. Ook vormen zijn verklaringen over zijn identiteit geen samenhangend en aannemelijk geheel.
7.2.
Verder vindt de minister de problemen van eiser 2 met Al Shabaab niet geloofwaardig. De verklaringen van eiser 2 hierover vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel.
7.3.
Bovendien vindt de minister de problemen vanwege het huwelijk van zijn broer (eiser 1) niet geloofwaardig. De verklaringen van eiser 2 hierover vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel.
7.4.
De minister vindt dat eiser 2 geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Ook vindt de minister dat hij bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico loopt op ernstige schade. De minister wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond. [5] Eiser 2 heeft namelijk verklaringen afgelegd die worden beoordeeld als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig. De minister legt hem een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn op en een inreisverbod voor de duur van twee jaar.

Geloofwaardigheid problemen vanwege huwelijk van eiser 1

8. Eisers kunnen zich ten eerste niet verenigen met het standpunt van de minister dat de problemen vanwege het huwelijk van eiser 1 niet geloofwaardig zijn. De rechtbank beoordeelt de beroepsgronden van eisers hierover.
Documenten over problemen vanwege huwelijk
9. Eiser 1 voert aan dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat hij onvoldoende documenten heeft gegeven ter onderbouwing van de problemen en dat hij daarvoor geen goede verklaring heeft. Eiser 1 heeft geen documenten over de aangifte omdat de Somalische politie dergelijke documenten niet uitgeeft. Hetzelfde geldt volgens hem voor medische stukken. Hij is door een lokale dokter behandeld. Verder werpt de minister ten onrechte tegen dat hij geen religieus huwelijkscertificaat heeft overgelegd. Uit de bronnen die de minister aanhaalt, volgt niet dat elke religieuze ceremonie automatisch leidt tot afgifte van een certificaat. Daaruit volgt juist dat er geen centraal registratiesysteem is en dat documentatie incompleet en inconsistent blijft. [6] Tot slot werpt de minister ten onrechte tegen dat eiser 1 zijn telefoon niet heeft meegenomen. Dat hij zijn telefoon niet bij zich had, is niet nalatigheid in het onderbouwen van zijn asielrelaas, maar een noodzakelijke veiligheidsmaatregel. Hij werd telefonisch bedreigd nadat hij was mishandeld. Hij durfde het huis niet te verlaten om een nieuwe simkaart te kopen. Zonder een nieuwe simkaart had hij niks aan zijn telefoon. Hij zag de meerwaarde van de telefoon niet.
10. De rechtbank volgt eiser 1 deels. Wat betreft de aangifte en de medische stukken, is de rechtbank van oordeel dat de minister ten onrechte niet heeft toegelicht waarop hij baseert dat de Somalische politie en de lokale dokter documenten uitgeven. De rechtbank ziet daarom niet in waarom van eiser 1 verwacht mag worden dat hij documenten over de aangifte en het bezoek aan de lokale dokter overlegt. Ook wat betreft het huwelijk is de rechtbank van oordeel dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat eiser 1 hiervan geen certificaat heeft overgelegd. Niet is gebleken dat er altijd certificaten worden uitgegeven. De beroepsgrond slaagt in zoverre.
10.1.
Wat betreft de telefoon, volgt de rechtbank eiser 1 niet. De rechtbank is van oordeel dat onduidelijk is gebleven waarom hij de telefoon niet heeft meegenomen en dat zijn verklaringen hierover ongerijmd zijn. Eiser 1 heeft namelijk tijdens het nader gehoor verklaard dat hij zijn simkaart niet verwisseld heeft en zijn telefoon bleef opnemen, omdat hij altijd hoopte dat zijn vrouw hem zou bellen. Hij dacht dat wanneer hij een ander nummer zou nemen, dat het einde zou zijn van zijn hoop dat hij met haar in contact zou komen. [7] Dit strookt niet met zijn stelling in beroep dat hij zijn telefoon heeft achtergelaten omdat hij werd bedreigd. De beroepsgrond slaagt in zoverre dus niet.
Verklaringen over problemen vanwege huwelijk
11. Eisers voeren verder aan dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat hun verklaringen over de problemen vanwege het huwelijk van eiser 1 geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank beoordeelt hieronder wat eisers aanvoeren.
Het aantal keer dat eiser 1 bedreigd en fysiek mishandeld is door de familie van zijn vrouw
12. Eiser 1 voert aan dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het aantal keer dat hij is bedreigd en mishandeld door zijn schoonfamilie. Eiser 1 wijst erop dat de bedreigingen en mishandelingen zeven jaar geleden plaatsvonden, waardoor details vervaagd zijn. De minister heeft ten onrechte niet doorgevraagd of het om twee afzonderlijke mishandelingen of één lange mishandeling ging. Eiser 1 hanteert ook een andere definitie van (fysieke) mishandeling dan de minister. De eerste keer was verbaal, de tweede keer fysiek en verbaal. Latere bedreigingen waren telefonisch. Omdat de minister niet doorvroeg, bestaat alleen onduidelijkheid, maar geen tegenstrijdigheid. Bovendien verandert het aantal incidenten niets aan de kern van het asielrelaas, dat eiser 1 is mishandeld en bedreigd door zijn schoonvader vanwege het geheime huwelijk met diens dochter, haar zwangerschap en haar verdwijning.
13. De rechtbank volgt eiser 1. De rechtbank is van oordeel dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat eiser 1 tegenstrijdig heeft verklaard over het aantal keer dat hij bedreigd en fysiek mishandeld is door de familie van zijn vrouw. Eiser 1 wijst er terecht op dat de incidenten ten tijde van het gehoor zeven jaar geleden hadden plaatsgevonden. De rechtbank begrijpt dat het daarom moelijker voor hem is om de incidenten precies te beschrijven. De minister heeft hier ten onrechte geen rekening mee gehouden in de beoordeling. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat het hier gaat om verklaringen die tijdens het vrije relaas niet zo helder waren, maar die later tijdens het nader gehoor zijn opgehelderd. Op hoofdlijnen blijkt duidelijk uit het gehoor dat de eerste keer dat de schoonvader langskwam, hij alleen verbaal geweld gebruikte. De tweede keer dat hij langskwam, gebruikte hij ook fysiek geweld.
Tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van eisers
14. Eisers voeren verder aan dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat de afwijkende verklaringen van eiser 1 en eiser 2 de geloofwaardigheid van hun asielrelazen aantasten. De motivering is ondeugdelijk. Eiser 2 had destijds eigen problemen met Al Shabaab. Hij heeft mogelijk bepaalde gebeurtenissen niet goed meegekregen. Bovendien heeft het asielrelaas zich zeven jaar geleden afgespeeld, waardoor geheugenverschillen verklaarbaar zijn. Kleine tegenstrijdigheden raken de kern van het verhaal niet. Ook ten aanzien van de problemen met de schoonvader, de onderduikadressen, het laatste contact met de vrouw van eiser 1 en het doen van aangifte zijn de verschillen goed toegelicht in de correcties en aanvullingen. De verklaringen van eisers illustreren slechts detailverschillen, geen wezenlijke inhoudelijke tegenstrijdigheden. De minister miskent dat het tijdsverloop, de persoonlijke omstandigheden en emoties van beide broers een verklaring vormen voor de verschillen in details.
14.1.
Daarbij wijst eiser 1 erop dat hij niets heeft verklaard over de problemen met zijn schoonfamilie vanwege zijn minderheidsstam, omdat zijn blindheid centraal staat in zijn leven. Zijn handicap raakt hem op alle vlakken in zijn leven. Hij heeft zijn verklaringen ook afgelegd vanuit deze optiek. Dat betekent niet dat de schoonvader geen problemen had met zijn stam, noch dat er sprake is van een tegenstrijdigheid. Bovendien heeft eiser 2 wel verklaard dat de schoonvader zowel de handicap als de minderheidsstam van eiser 1 problematisch vond.
14.2.
Ook voeren eisers aan dat in Somalië weinig belang wordt gehecht aan een aangifte. Zaken worden mondeling afgehandeld of terugverwezen naar familie- of stamhoofden. Dit verklaart waarom eiser 1 wel van een aangifte spreekt en eiser 2 niet. Eiser 2 voert daarbij aan dat hij zich bepaalde details niet meer kan herinneren. Het feit dat eisers naar de politie gingen kan formeel als aangifte worden gezien, maar wanneer de politie hen wegstuurt met de mededeling dat het een familiezaak betreft, kan dit juist ook niet als aangifte worden opgevat. Deze verschillen doen echter geen afbreuk aan de kern van het asielrelaas.
14.3.
Verder kan eiser 2 zich vanwege het tijdsverloop het weerzien van de vrouw van zijn broer niet goed voor de geest halen. Het is begrijpelijk dat herinneringen vervagen na tijdsverloop, dit maakt zijn verklaring echter niet tegenstrijdig of ongeloofwaardig.
14.4.
Ook voert eiser 2 aan dat hij zich in het nader gehoor heeft gecorrigeerd en verklaard dat zij inderdaad op verschillende adressen ondergedoken zaten. Dit is ook behandeld in de correcties en aanvullingen van eiser 1. Eisers zaten voor hun vertrek ondergedoken, eiser 1 kon zich dit beter herinneren. Eiser 2 heeft dit later ook bevestigd tijdens het gehoor. De correcties nemen de discrepantie weg. De minister heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij toch uitgaat van een tegenstrijdigheid.
14.5.
Tot slot voeren eisers aan dat hun verklaringen over het telefonisch contact met Al Shabaab mogelijk afwijken omdat veel tijd is verstreken sindsdien.
15. De rechtbank volgt eisers deels. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet alle tegenwerpingen deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank licht dat hierna toe.
15.1.
Ten eerste is de rechtbank van oordeel dat de minister heeft mogen tegenwerpen dat eiser 2 niet heeft vermeld dat zijn zussen werden mishandeld. Eiser 1 heeft in het nader gehoor verklaard dat de kleding van zijn zussen werd afgerukt en dat ze een klap kregen en werden uitgescholden. [8] Eiser 2 heeft daarentegen verklaard dat zijn zussen erg jong waren en niet werden mishandeld, maar dat zij wel emotioneel en aan het huilen waren. [9]
15.2.
Wat betreft de tegenwerping dat eisers tegenstrijdig hebben verklaard over het laatste contact met de echtgenote van eiser 1, is de rechtbank van oordeel dat de minister daarbij onvoldoende rekening heeft gehouden met de correcties en aanvullingen, waarin eisers hebben toegelicht dat eiser 2 zich dit moment niet goed voor de geest kon halen. De minister heeft niet onderkend dat eisers hun verklaringen in de correcties en aanvullingen moeten kunnen rechtzetten.
15.3.
Wat betreft de tegenwerping dat eisers tegenstrijdig hebben verklaard over de reden van de problemen met de familie van de vrouw, volgt de rechtbank eisers ook. Dat eiser 1 alleen heeft verklaard dat de problemen kwamen door zijn handicap en niet dat deze ook kwamen door zijn substam, acht de rechtbank begrijpelijk. Voor eiser 1 was zijn handicap immers de reden die hem het meest raakte. Bovendien heeft eiser 1 in Griekenland wel verklaard dat zijn substam ook een reden was voor de problemen. De minister heeft dit niet onderkend.
15.4.
Wat betreft de tegenwerping dat eisers tegenstrijdig hebben verklaard over het doen van aangifte, volgt de rechtbank eisers ook. Het doen van aangifte is een detail in het relaas. In Somalië is het doen van aangifte een formaliteit die weinig voorstelt. Bovendien is het onduidelijk of sprake is geweest van een aangifte, omdat eisers niet zijn geholpen. Gelet op het tijdsverloop is ook het begrijpelijk dat eisers hier verschillend over hebben verklaard. De minister heeft dit niet onderkend.
15.5.
Wat betreft de tegenwerping dat eisers tegenstrijdig hebben verklaard over het onderduiken voor vertrek, volgt de rechtbank eisers eveneens. Eiser 2 heeft de eerdere vragen tijdens het gehoor duidelijk verkeerd begrepen. Als hem expliciet wordt gevraagd of eisers ergens anders hebben verbleven, verklaart hij dat ze wel op verschillende adressen hebben verbleven. [10] De minister heeft dit niet onderkend.
15.6.
Wat betreft de tegenwerping dat eisers tegenstrijdig hebben verklaard over de problemen van eiser 1 met Al Shabaab, volgt de rechtbank eisers ook. Eiser 1 heeft verklaard dat de vader van zijn vrouw aan Al Shabaab heeft doorgegeven dat hij een onwettige relatie heeft. Eiser 2 heeft daarover niets verklaard. Als eiser 2 hiermee wordt geconfronteerd, zegt hij dat hij dit niet wist. De rechtbank ziet hierin geen tegenstrijdigheid. Zonder nadere toelichting kan immers niet worden uitgesloten dat eiser 2 inderdaad niet wist van de problemen van eiser 1 met Al Shabaab. De minister heeft dit niet onderkend.

Geloofwaardigheid identiteit van eiser 2

16. Eiser 2 voert aan dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij zijn identiteit ongeloofwaardig acht. De minister acht de identiteit van zijn broer (eiser 1) en hun verwantschap wel geloofwaardig. Ook baseert de minister de beoordeling van de geloofwaardigheid in beide zaken op de verklaringen van beide broers. Eisers hebben beiden consistent verklaard over het kwijtraken van hun documenten in Turkije. Er zijn daarom geen tegenstrijdige verklaringen afgelegd over het paspoort van eiser 2. Tot slot voert eiser 2 aan dat er geen sprake is van een tegenstrijdigheid over zijn naam. Eiser 2 heeft zowel in Griekenland als in Nederland dezelfde naam opgegeven. De verschillen betreffen enkel de spelling en de volgorde van de namen.
17. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de identiteit van eiser 2 ongeloofwaardig is. Dat eisers broers zijn, is niet in geschil. De rechtbank ziet niet in waarom de minister de identiteit van eiser 1 wel geloofwaardig heeft geacht en de identiteit van eiser 2 niet. De minister heeft dit verschil niet uitgelegd. De beroepsgrond slaagt.

Geloofwaardigheid problemen met Al Shabaab van eiser 2

18. Eiser 2 voert aan dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij zijn problemen met Al Shabaab ongeloofwaardig acht.
18.1.
Eiser 2 voert aan dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat hij niet kan uitleggen waarom Al Shabaab het op hem gemunt heeft. Eiser 2 heeft duidelijk en consistent verklaard dat hij een doelwit is omdat hij als tuktuk chauffeur ambtenaren en politieagenten heeft vervoerd van en naar overheidsgebouwen, terwijl Al-Shabaab hem dat had verboden. Eiser 2 loopt gevaar omdat hij geassocieerd wordt met de Somalische overheid. De minister merkt mensen die door Al Shabaab geassocieerd worden met de overheid als risicoprofiel aan. [11]
18.2.
Eiser 2 voert verder aan dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de telefonische benaderingen. Eiser 2 heeft zich in het nader gehoor gecorrigeerd en dit in de correcties en aanvullingen nader toegelicht. Zekerheidshalve merkt eiser 2 op dat hij in totaal zes keer is gebeld. De eerste benadering vond plaats in oktober 2019, de mishandelingen in december 2019 en februari 2020. De initiële correctie uit eigen beweging en de toelichting daarop zijn meer dan voldoende om de tegenstrijdigheid weg te nemen.
18.3.
Eiser 2 voert ook aan dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het moment van doen van aangifte. Eiser 2 heeft duidelijk toegelicht dat aangifte doen in Somalië weinig betekenis heeft en daarom niet goed wordt onthouden. Gezien het geringe belang en het tijdsverloop van vijf à zes jaar kan hij het moment van aangifte niet meer herinneren.
18.4.
Eiser 2 voert ook aan dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat de problemen met Al Shabaab niet de reden voor zijn vertrek uit Somalië zijn geweest. Er is geen sprake van een tegenstrijdigheid met betrekking tot het vertrek uit Somalië. Eiser 2 wilde zo snel mogelijk weg uit Somalië en het Turkse medische visum was de gemakkelijkste en snelste manier om dat te doen. Op deze manier kon eiser 2 eiser 1 helpen en tegelijk Somalië verlaten. Dat eiser 2 niet zeker weet of hij zou zijn vertrokken zonder de problemen van eiser 1 is logisch. Eiser 2 had in dat geval geen visum gekregen. Hij moest dan op zoek naar andere manieren.
18.5.
Eiser 2 voert bovendien aan dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn asielmotieven. Eiser 2 heeft bij de politie eerst over eiser 1 verklaard, omdat dat voor hem belangrijker is. Hij hield zijn verhaal op verzoek van de politie algemeen en kort. In het aanmeldgehoor wordt het asielrelaas ook beknopt besproken. In het nader gehoor legt eiser 2 uitgebreid uit waarom hij gevaar loopt in zijn land van herkomst en hij te vrezen heeft voor Al Shabaab. Dit is geen tegenstrijdigheid, maar het gevolg van het opvolgen van de instructies van de politie en de gehoormedewerker. Dat hij niet eerder over Al Shabaab heeft verklaard, kan hem daarom niet verweten worden.
18.6.
Eiser 2 voert tot slot aan dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn problemen met Al Shabaab ten aanzien van zijn verklaringen in Griekenland. Mocht er sprake zijn van discrepanties tussen eisers verklaringen in het Griekse dossier en het Nederlandse dossier, dan is dit te wijten aan tijdsverloop. Eiser 2 vertrok in 2020, de aanvraag werd pas in 2023 ingediend. Naarmate de tijd verstrijkt, vervagen details en raken herinneringen vermengd met andere ervaringen. Het feit dat eiser 2 zich bepaalde data of gebeurtenissen niet meer precies herinnert, is menselijk. Dit maakt zijn verklaring niet tegenstrijdig.
19. De rechtbank volgt eiser 2 deels. De rechtbank licht dat hierna toe.
20. Wat betreft de tegenwerping dat dat eiser 2 niet kan uitleggen waarom Al Shabaab het op hem gemunt heeft, volgt de rechtbank de minister. Er zijn veel tuktuk chauffeurs in Mogadishu en eiser 2 heeft niet kunnen uitleggen waarom Al Shabaab het specifiek op hem had gemunt.
20.1.
Wat betreft de tegenwerping dat eiser 2 tegenstrijdig heeft verklaard over de telefonische benaderingen, volgt de rechtbank eiser 2. De tegenstrijdigheid is tijdens het gehoor al opgehelderd. De minister heeft dit niet onderkend.
20.2.
Wat betreft de tegenwerping dat eiser 2 tegenstrijdig heeft verklaard over het moment van doen van aangifte, volgt de rechtbank hem ook. De minister heeft niet onderkend dat de datum van het doen van aangifte slechts een detail is.
20.3.
Wat betreft de tegenwerping dat de problemen met Al Shabaab niet de reden voor zijn vertrek uit Somalië zijn geweest, volgt de rechtbank eiser 2. Dat de problemen niet de reden zijn geweest om te vertrekken, betekent nog niet dat deze niet geloofwaardig zijn. De minister heeft dit niet onderkend.
20.4.
Wat betreft de tegenwerping dat eiser 2 tegenstrijdig heeft verklaard over zijn asielmotieven, volgt de rechtbank eiser 2. De minister werpt in de beschikking niet langer tegen dat er sprake is van een tegenstrijdigheid tussen het aanmeld- en nader gehoor. De rechtbank ziet niet in waarom wat betreft het politiegehoor wel sprake is van een tegenstrijdigheid.
20.5.
Wat betreft de tegenwerping dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn problemen met Al Shabaab ten aanzien van zijn verklaringen in Griekenland, overweegt de rechtbank dat zij dit niet kan beoordelen. De minister heeft namelijk geen vertaling van het Griekse dossier beschikbaar gesteld.

Conclusie geloofwaardigheid

21. Uit het voorgaande volgt dat de geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister geen stand kan houden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen onvoldoende rekening gehouden met het tijdsverloop. Ook heeft de minister ten onrechte niet alle verklaringen van eisers en de correcties en aanvullingen daarop in de beoordeling betrokken. Verder ziet een aantal tegenwerpingen op details die voor de kern van het asielrelaas niet relevant zijn. Bovendien heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende rekening gehouden met het feit dat twee verschillende mensen gebeurtenissen verschillend kunnen beleven en onthouden. Dit geldt in het bijzonder voor eisers, omdat eiser 1 blind is en eiser 2 niet. De minister heeft dit niet onderkend.
22. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen en een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling moeten maken, waarbij hij rekening houdt met deze uitspraak.
23. Met het oog op de nadere besluitvorming van de minister beoordeelt de rechtbank voor zover mogelijk ook de overige beroepsgronden.

Afwijzing als kennelijk ongegrond

24. Eisers voeren aan dat de minister de aanvragen ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Er is geen sprake van kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen.
25. De rechtbank overweegt dat, gelet op haar oordeel over de geloofwaardigheidsbeoordeling, de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat sprake is van kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen. De minister heeft de asielaanvragen dan ook niet mogen afwijzen als kennelijk ongegrond. De beroepsgrond slaagt.

Willekeurig geweld

26. Eisers kunnen zich niet verenigen met het standpunt van de minister dat in Mogadishu sprake is van een lage mate van willekeurig geweld in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. De veiligheidssituatie in Mogadishu is de afgelopen tijd zodanig verslechterd dat de minister niet meer kan uitgaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.
27. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat, hoewel uit de meer recente kaart in het Security Situation Somalia rapport van EUAA [12] van mei 2025 (pagina 21) blijkt dat Al Shabaab het offensief rondom Mogadishu heeft opgeschaald, uit deze kaart ook blijkt dat Mogadishu nog steeds onder controle van de overheid staat. Ook blijkt uit het EUAA-rapport – evenals uit het ambtsbericht – dat ondanks dat Al Shabaab meerdere aanslagen in Mogadishu heeft gepleegd in de verslagperiode, de aanslagen vooral gericht blijven op mensen die met de overheid geassocieerd worden zoals politieagenten, en de aanslag op de president.
28. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de minister dat in Mogadishu sprake is van een lage mate van willekeurig geweld, onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Dat Mogadishu nog steeds onder controle staat van de overheid, betekent niet dat daar geen sprake kan zijn van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Verder volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de informatie van EUAA niet dat de aanslagen die Al Shabaab in Mogadishu heeft gepleegd, vooral zijn gericht op mensen die met de overheid geassocieerd worden. Het Security Situation Somalia rapport van mei 2025 vermeldt op pagina 23 wel: ‘
In Mogadishu alone, in the reference period, Al-Shabaab carried out more than 160 attacks against civilians.’
28.1.
Verder vermeldt het Country Guidance Somalia rapport van oktober 2025 op pagina 88:

ACLED recorded 955 security incidents in Benadir region between 1 April 2023 and 31 July 2025 (an average of 7.9 incidents per week), resulting in 962 fatalities (representing approximately 30 fatalities per 100 000 inhabitants). Al-Shabaab was involved in the majority of the recorded incidents, carrying out more than 160 attacks against civilians. For example, Al Shabaab carried out complex attacks/suicide attacks against two busy hotels and a restaurant, targeting soldiers and civilians alike. Between 1 April 2023 and 16 March 2025, 1 952 individuals were newly displaced from Benadir due to conflict or insecurity. UNOCHA recorded 98 humanitarian access incidents in the region from April 2023 and over the year 2024 ranking first amongst all regions.’
28.2.
Uit deze informatie blijkt dus niet dat Al Shabaab met name gerichte aanslagen pleegt tegen mensen die met de overheid geassocieerd worden. Daaruit blijkt juist dat vele aanslagen gericht zijn op burgers. De beroepsgrond slaagt.
28.3.
Verder voert eiser 1 nog aan dat hij vanwege zijn handicap een verhoogd individueel risico loopt. Iemand die blind is, kan minder goed kan vluchten, schuilen of gevaar ontwijken in een situatie van willekeurig geweld. Hij is zeer afhankelijk van anderen. Daardoor kan dezelfde mate van conflictgeweld wel een reëel individueel risico opleveren voor eiser 1, terwijl een gemiddeld persoon nog niet dat niveau van risico bereikt.
28.4.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de handicap van eiser 1 onvoldoende heeft betrokken in de beoordeling van de risico’s die eiser 1 loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De minister heeft alleen overwogen dat eiser 1 niet heeft onderbouwd dat zijn blindheid maakt dat hij een hoger risico loopt op willekeurig geweld in Mogadishu. [13] Eiser 1 heeft dit in beroep nader onderbouwd. De minister zal dit in een nieuw besluit kenbaar moeten betrekken in de beoordeling.

Terugkeerbesluit en inreisverbod

29. Eisers voeren aan dat de minister geen terugkeerbesluit en inreisverbod kan
opleggen zonder eerst in overleg te treden met de Griekse autoriteiten over de uitkomst van zijn beoordeling, en te onderzoeken of de Griekse autoriteiten de aan eiser toegekende status mogelijk zullen intrekken. Eisers hebben immers een asielstatus gekregen in Griekenland.
30. De rechtbank stelt voorop dat, nu uit de voorgaande overwegingen blijkt dat de afwijzing van de asielaanvraag van eisers geen stand houdt, het terugkeerbesluit alleen daarom al ook geen stand kan houden.
31. Aanvullend daarop en in reactie op de beroepsgrond overweegt de rechtbank dat de minister geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen Griekse statushouders voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielstatus heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en deze in reactie hierop hebben aangegeven of zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken. [14] Ook om deze reden kunnen de terugkeerbesluiten geen stand houden.

Conclusie en gevolgen

32. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. [15] De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De minister dient een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling te maken.
33. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb [16] dat de minister nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
34. Nu de beroepen gegrond zijn, bestaat er geen aanleiding meer om de gevraagde voorzieningen te treffen. De rechtbank wijst de verzoeken dan ook af.
35. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet de minister de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank gaat niet uit van samenhangende zaken, omdat geen sprake is van nagenoeg identieke werkzaamheden, gelet op de deels afwijkende beroepsgronden over de deels verschillende asielmotieven van eisers. Voorts zijn ook ter zitting per zaak deels verschillende toelichtingen gegeven op de feiten en de persoonlijke omstandigheden van eisers. Daarom stelt de rechtbank de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 5.604,- (2 punten voor het indienen van de beroepschriften, 2 punten voor het indienen van de verzoekschriften en 2 punten voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank, in de zaken geregistreerd onder nummers NL25.58173 en NL25.58178:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de bestreden besluiten;
  • draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaken geregistreerd onder nummers NL25.58174 en NL25.58179:
- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank, in alle zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van € 5.604,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
2.Richtlijn 2011/95/EU. Deze is inmiddels ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening (2024/1347).
3.Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Vreemdelingenwet 2000.
5.Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000.
6.‘Somalia: Marriage and divorce’, 14 juni 2018, p. 17. Immigration and Refugee Board of Canada, ‘Responses to Information Requests’, 2 maart 2023, paragraaf 5 ‘Issuance of Marriage Certificates in Mogadishu’.
7.Nader gehoor eiser 1, pagina 18.
8.Nader gehoor eiser 1, pagina 14.
9.Nader gehoor eiser 2, pagina 18.
10.Nader gehoor eiser 2, pagina 19.
11.Paragraaf C7/30.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
12.European Union Agency for Asylum.
13.Bestreden besluit, pagina 7.
14.Zie de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:6446, onder 8.3, waarin wordt verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 17 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19029, van 2 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22819, van 18 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24369 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 6 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21083.
15.Artikel 3:46 en Pro 3:2 van de Awb.
16.Algemene wet bestuursrecht.