ECLI:NL:RBDHA:2026:21251

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
NL26.28519 en NL26.28521
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 83 AMBVArt. 84 AMBV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-overdracht naar Frankrijk

Eiser, een Pakistaanse Ahmadi, vroeg op 9 februari 2026 asiel aan in Nederland. De minister besloot de aanvraag niet in behandeling te nemen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eiser stelde dat overdracht naar Frankrijk leidt tot een reëel risico op indirect refoulement vanwege groepsvervolging en verschillen in beschermingsbeleid, en dat zijn medische situatie onvoldoende is meegewogen.

De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in Frankrijk sprake is van systeemfouten in de asielprocedure of dat hij geen toegang heeft tot effectieve rechtsmiddelen. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel blijft van toepassing op Frankrijk. Ook is onvoldoende onderbouwd dat de overdracht een reëel risico voor zijn gezondheid oplevert, mede omdat eiser geen medische stukken heeft overgelegd.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na verzending.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens Dublin-overdracht naar Frankrijk wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.28519 (beroep)
NL26.28521 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] 1976, van Pakistaanse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna te noemen: eiser
(gemachtigde: mr. F.H. Burggink),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).

Inleiding

1. Met het besluit van 21 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt zijn overdracht aan Frankrijk te verbieden totdat op het beroep is beslist.
1.2.
De rechtbank en voorzieningenrechter (de rechtbank) heeft de zaken op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, A. Hairan als tolk in de taal Urdu en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toepasselijk recht
4. Op 12 juni 2026 is de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV) in werking getreden. [1] Artikel 83, eerste volzin, van de AMBV bepaalt dat de Dublinverordening [2] op 12 juni 2026 wordt ingetrokken. De rechtbank bespreekt daarom als eerste welk recht in deze zaak van toepassing is.
4.1.
Artikel 84, tweede lid, van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. Het verzoek van eiser om internationale bescherming is vóór 12 juni 2026 ingediend. Dat betekent dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het overgangsrecht wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.
Achtergrond
5. Eiser heeft op 9 februari 2026 asiel aangevraagd in Nederland. De asielaanvraag van eiser in Frankrijk is eerder afgewezen. De minister heeft daarom op 26 maart 2026 de Franse autoriteiten gevraagd om eiser terug te nemen. Op 14 april 2026 is Frankrijk akkoord gegaan met het terugnameverzoek op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening.
Besluitvorming
6. De minister heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. [3] Daarin staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen als op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Standpunt eiser
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij door een verschil in beschermingsbeleid een reëel risico loopt op indirect refoulement bij een overdracht aan Frankrijk. Eiser is Ahmadi en loopt daardoor gevaar in Pakistan. Zijn eerdere aanvraag in Frankrijk is afgewezen, terwijl volgens eiser ten aanzien van Ahmadi’s sprake is van groepsvervolging. Eiser verwijst in dit kader naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 12 februari 2026. [4] Daarnaast voert eiser aan dat de minister ten onrechte geen advies heeft opgevraagd bij het BMA [5] , nu eiser Hepatitis C, een hoge bloeddruk en diabetes heeft. Eiser doet hiermee een beroep op het arrest C.K. [6]
Oordeel van de rechtbank
8. De Afdeling [7] heeft in haar uitspraak van 12 juni 2024 [8] overwogen dat de beoordeling van een risico op indirect refoulement niet plaats kan vinden binnen de kaders van een Dublinprocedure. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel is het uitgangspunt immers dat de aangezochte lidstaat in de eerste plaats het verbod op refoulement naleeft. In de tweede plaats is het uitgangspunt dat een vreemdeling in die lidstaat ook toegang heeft tot effectieve rechtsmiddelen om een negatieve beschikking op een asielbesluit alsmede het daaraan verbonden terugkeerbesluit aan te vechten, en zo een eventueel risico op refoulement dus aan rechterlijke toetsing te onderwerpen. Alleen als een vreemdeling aannemelijk maakt dat er bij de aangezochte lidstaat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, kan van deze uitgangspunten worden afgeweken. Daartoe moet een vreemdeling aannemelijk maken dat er in de betreffende lidstaat sprake is van systeemfouten in de zin van het arrest Jawo, die dus niet zien op de manier waarop die lidstaat invulling geeft aan de materiële voorwaarden om in aanmerking te komen voor internationale bescherming, maar betrekking hebben op de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in die lidstaat.
8.1.
De rechtbank overweegt dat eiser met het enkel wijzen op het verschil in beschermingsbeleid in Frankrijk niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de Franse asielprocedure sprake is van systeemfouten en hij daar geen toegang zal hebben tot effectieve rechtsmiddelen om een negatieve beschikking aan te vechten. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit verschillende recente uitspraken van de Afdeling volgt dat ten aanzien van Frankrijk nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. [9] Omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van systeemfouten in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen is het niet aan deze rechtbank om in het kader van een Dublinoverdracht het risico op indirect refoulement in Frankrijk verder te onderzoeken. Met het claimakkoord garanderen de Franse autoriteiten dat eiser de mogelijkheid krijgt om een nieuw asielverzoek in te dienen. Er zal een individuele beoordeling plaatsvinden, met inbegrip van het eventuele risico dat eiser loopt bij terugkeer naar zijn land van herkomst. Als eiser voor refoulement vreest, moet hij deze vrees in Frankrijk aankaarten. De beroepsgrond slaagt niet.
8.2.
De rechtbank overweegt verder dat het beroep op het arrest C.K. niet slaagt. Uit dit arrest volgt dat een Dublinoverdracht een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling met zich mee kan brengen als de overdracht een ernstige verslechtering van de gezondheidstoestand van een vreemdeling tot gevolg zal hebben. De minister heeft echter al in het bestreden besluit opgemerkt dat door eiser niet aannemelijk is gemaakt dat zijn overdracht leidt tot een reëel risico voor zijn gezondheid, en dat eiser geen medische documenten heeft overgelegd. Ook in beroep is eiser niet met stukken gekomen. De minister heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om een BMA-onderzoek op te starten. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
10. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,
in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.28519
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter,
in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.28521
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.EU 2024/1351 en EU 2025/90929 rectificatie.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.NL25.61253.
5.Bureau Medische Advisering.
6.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.Zie de uitspraken van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552 en 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.