ECLI:NL:RBDHA:2026:21251
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-overdracht naar Frankrijk
Eiser, een Pakistaanse Ahmadi, vroeg op 9 februari 2026 asiel aan in Nederland. De minister besloot de aanvraag niet in behandeling te nemen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eiser stelde dat overdracht naar Frankrijk leidt tot een reëel risico op indirect refoulement vanwege groepsvervolging en verschillen in beschermingsbeleid, en dat zijn medische situatie onvoldoende is meegewogen.
De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in Frankrijk sprake is van systeemfouten in de asielprocedure of dat hij geen toegang heeft tot effectieve rechtsmiddelen. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel blijft van toepassing op Frankrijk. Ook is onvoldoende onderbouwd dat de overdracht een reëel risico voor zijn gezondheid oplevert, mede omdat eiser geen medische stukken heeft overgelegd.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na verzending.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens Dublin-overdracht naar Frankrijk wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.