ECLI:NL:RBDHA:2026:21254

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
SGR 25/8489
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 5.6 OwArt. 22.26 Omgevingsplan gemeente NieuwkoopArt. 22.27 Omgevingsplan gemeente NieuwkoopArt. 1 onder 16 Bestemmingsplan Recreatieparken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen last onder dwangsom voor bouwen zonder omgevingsvergunning

Eiser is eigenaar van een recreatiewoning en een nevenperceel waarop hij zonder omgevingsvergunning een berging heeft gebouwd. Het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop legde hem een last onder dwangsom op om de berging te verwijderen. Eiser betwistte dit en voerde onder meer aan dat de oorspronkelijke schuren vanwege instortingsgevaar waren gesloopt, er sprake was van concreet zicht op legalisatie, en dat handhaving onevenredig zou zijn.

De rechtbank oordeelt dat de berging zonder vergunning is gebouwd op een perceel zonder bouwvlak en subbestemming ‘Rz’, waardoor geen vergunningvrij bijgebouw kan worden aangenomen. Het beroep op overgangsrecht faalt omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de oorspronkelijke schuren door een calamiteit zijn tenietgegaan. Er is geen concreet zicht op legalisatie omdat de vergunningaanvraag is afgewezen en geen concreet plan voor verruiming van bebouwingsmogelijkheden bestaat.

Verder is handhavend optreden niet onevenredig, ondanks de financiële investering van eiser en het ontbreken van klachten. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. De rechtbank wijst het beroep af en verlengt de begunstigingstermijn niet verder dan zes weken na uitspraak.

Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wegens bouwen zonder omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en de last blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/8489

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop, het college

(gemachtigde: D. Sikorska).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de aan hem opgelegde last onder dwangsom voor het zonder omgevingsvergunning bouwen van een berging op het adres [adres] . Eiser is het niet eens met de last onder dwangsom. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de last onder dwangsom.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom heeft mogen opleggen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 24 juli 2025 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd voor het zonder omgevingsvergunning bouwen van een berging op het adres [adres] . De last strekt ertoe dat de berging wordt verwijderd en verwijderd wordt gehouden. Met het bestreden besluit van 12 november 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij zijn besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft hieraan deelgenomen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is de eigenaar van een recreatiewoning met adres [adres] . Hij beschikt over een gedoogbeschikking voor de permanente bewoning van deze recreatiewoning. Sinds 2008 is eiser eveneens eigenaar van het naastgelegen perceel, kadastraal bekend als [kadastraal nummer] (hierna: het nevenperceel.) Op het nevenperceel heeft eiser twee vervallen schuren verwijderd in verband met instortingsgevaar. Eiser heeft vervolgens een berging teruggeplaatst op de plek van de verwijderde schuren.
3.1.
Op 10 maart 2025 is aan eiser een bouwstop opgelegd voor het zonder omgevingsvergunning oprichten van een gebouw op het nevenperceel. Op 15 april 2025 heeft eiser een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend om de berging te legaliseren. Met een besluit van 20 juni 2025 heeft het college de aanvraag van eiser afgewezen.
3.2.
Eiser heeft naast zijn beroep tegen het bestreden besluit een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Met de brief van 10 december 2025 heeft het college toegezegd dat de begunstigingstermijn wordt verlengd tot zes weken na de uitspraak op het beroep. Eiser heeft daarna zijn verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken.
Juridisch kader
4. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) op 1 januari 2024 heeft iedere gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat geldt voor het gehele grondgebied. In het tijdelijk deel van dit omgevingsplan zijn onder meer de bestemmingsplannen opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden.
4.1.
Ter plaatse geldt het Omgevingsplan gemeente Nieuwkoop. Het voorheen geldende bestemmingsplan “Recreatieparken” (het bestemmingsplan) maakt deel uit van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan.
4.2.
De voor de beoordeling van deze zaak belang zijnde bepalingen van het omgevingsplan, het bestemmingsplan en de Ow staan in de bijlage bij deze uitspraak.
De beroepsgronden van eiser
5. Eiser betoogt dat het college ten onrechte een last onder dwangsom aan hem heeft opgelegd. Volgens eiser zijn de oorspronkelijke schuren vanwege instortingsgevaar gesloopt en kan hem niet worden tegengeworpen dat hij een gevaarlijke situatie heeft beëindigd. Daarnaast stonden de oorspronkelijke schuren al geruime tijd op het perceel en heeft het college hierover onroerendezaakbelasting geheven. Hierdoor is volgens eiser het vertrouwen gewekt bebouwing van deze omvang is toegestaan. Verder stelt eiser dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. De gemeente Nieuwkoop onderzoekt namelijk de transformatie van recreatieparken ten behoeve van permanente bewoning. Volgens eiser is het aannemelijk dat de toekomstige bebouwingsmogelijkheden in het omgevingsplan worden verruimd, zodat de bestaande situatie op zijn perceel kan worden gelegaliseerd. Eiser voert daarnaast aan dat de last onevenredig is. De nieuwe berging vervangt de vervallen schuren en levert volgens hem een positieve bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit. Eiser heeft bovendien te goeder trouw een aanzienlijke financiële investering gedaan door de berging te herbouwen. Vanuit de omgeving zijn verder geen klachten ontvangen over de berging. Eiser acht het verder van belang dat beide percelen in zijn eigendom zijn en dat zij daarom feitelijk en functioneel één geheel vormen. Tot slot stelt eiser dat het college wel handhavend optreedt tegen de gebouwde berging op zijn perceel, maar niet ook tegen evidente overtredingen in de nabijheid van zijn percelen.
Het standpunt van het college
6. Het college stelt zich op het standpunt dat hij niet gehouden is om af te zien van handhavend optreden. Volgens het college bestaat geen concreet zicht op legalisatie. De binnenplanse afwijkmogelijkheid is al benut en er bestaat geen aanleiding om buitenplans af te wijken van het omgevingsplan. Dat wordt onderzocht of permanente bewoning op recreatieparken mogelijk is, betekent niet dat sprake is van een concreet legalisatietraject met betrekking tot de berging. De gedoogbeschikking van eiser ziet uitsluitend op het gedogen van illegale bewoning en niet op het realiseren van bebouwing op percelen zonder bouwmogelijkheden. Het college stelt verder dat eiser geen beroep kan doen op het overgangsrecht, omdat de oorspronkelijke schuren eveneens zonder de vereiste omgevingsvergunning zijn gerealiseerd. Het financiële nadeel dat ontstaat als gevolg van de verwijdering van de berging vormt volgens het college geen reden om van handhaving af te zien. Ten aanzien van strijd met het gelijkheidsbeginsel stelt het college dat de door eiser genoemde situaties niet vergelijkbaar zijn.
Is sprake van een overtreding?
7. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een overtreding omdat eiser de berging heeft gebouwd zonder te beschikken over een daarvoor benodigde omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. Daartoe wordt het volgende overwogen.
7.1.
In het bestemmingsplan is zowel aan het hoofdperceel waarop eisers recreatiewoning staat als aan het nevenperceel de bestemming “Recreatie” toegekend. Aan het hoofdperceel is bovendien de subbestemming ‘Rz’ toegekend. Blijkens de verbeelding van het bestemmingsplan heeft dit perceel ook een bouwvlak. Aan het nevenperceel is niet de subbestemming ‘Rz’ toegekend en dat perceel heeft ook geen bouwvlak. Alleen op gronden met de subbestemming ‘Rz’ kan een recreatiewoning worden gebouwd. Dit volgt uit artikel 4.1, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan, in samenhang met de bouwvoorschriften voor recreatiewoningen in artikel 4.5 van het bestemmingsplan. Bijgebouwen mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak van een recreatiewoning worden gebouwd, met dien verstande dat per recreatiewoning slechts één bijgebouw mag worden gebouwd. De oppervlakte aan bebouwing mag niet meer dan 85 m2 bedragen.
7.2.
De rechtbank overweegt dat het nevenperceel waar de berging op is gerealiseerd geen onderdeel uitmaakt van het (bouw)perceel van de recreatiewoning. Hoewel beide percelen de bestemming “Recreatie” hebben zijn deze niet aaneengesloten, omdat zij van elkaar worden gescheiden door een sloot met de bestemming “Water”. Dat vanaf het perceel met de recreatiewoning een toegangspad naar het nevenperceel loopt, doet er niet aan af dat sprake is van een fysieke en planologische onderbreking van de percelen van eiser. Alleen al omdat het nevenperceel geen onderdeel is van het hoofdperceel waarop de recreatiewoning van eiser staat, volgt de rechtbank het college in het standpunt dat de berging niet vergunningvrij kan worden gebouwd. Er kan dan immers geen sprake zijn van een bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied, als bedoeld in artikel 22.27, aanhef en onder a, onder 2, van het omgevingsplan.
7.3.
Voor zover eiser met een beroep op het overgangsrecht betoogt dat niet handhavend kan worden opgetreden tegen bouwen zonder daarvoor benodigde omgevingsvergunning, kan dit betoog geen doel treffen. Daartoe overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een met succes gedaan beroep op het overgangsrecht voor bouwwerken geen vervangende titel voor een omgevingsvergunning oplevert en dat een bouwwerk daarmee ook niet op een andere manier wordt gelegaliseerd. [1]
7.4.
De rechtbank volgt het college verder in het standpunt dat eiser zich niet met succes op het overgangsrecht kan beroepen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat in beginsel op degene die een beroep doet op het overgangsrecht de plicht rust om aannemelijk te maken dat dat van toepassing is. [2] Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Ter zitting heeft hij een afbeelding overgelegd van een beschadigd gebouw, waarvan hij stelt dat dit een oorspronkelijke schuur betreft die in 2016 op het nevenperceel aanwezig was. Eiser heeft toegelicht dat deze schuur en de andere aanwezige schuur door ouderdom en een storm teniet zijn gegaan. Eiser heeft echter geen stukken of afbeeldingen overgelegd waaruit de bouwkundige staat van de schuren voorafgaand aan de gestelde storm kan worden afgeleid. Daarnaast heeft eiser niet nader kunnen onderbouwen welke storm de schade heeft veroorzaakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schade aan de oorspronkelijke schuren het gevolg is geweest van een calamiteit en niet van achterstallig onderhoud. Eiser heeft bovendien ter zitting toegelicht dat hij ook niet over een omgevingsvergunning beschikt voor de oorspronkelijke schuren. Daarmee is niet voldaan aan de vereisten voor een geslaagd beroep op het calamiteitenovergangsrecht zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder b, en het derde lid, van het bestemmingsplan.
7.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Beginselplicht tot handhaving
8. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden, omdat het algemeen belang is gediend met handhaving (de beginselplicht tot handhaving). Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. De bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van een bijzonder geval. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. [3]
Is sprake van concreet zicht op legalisatie?
9. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat voor het oordeel dat er geen concreet op legalisatie is, in beginsel het enkele feit volstaat dat het college niet bereid is om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan te verlenen. [4] In dit geval heeft het college de door eiser aangevraagde omgevingsvergunning voor de legalisering van de berging geweigerd voordat de last onder dwangsom is opgelegd. Eiser heeft tegen deze weigering geen bezwaar gemaakt, waardoor het besluit onherroepelijk is geworden.
9.1.
Het betoog van eiser dat de berging past in een toekomstige plannen van de gemeenteraad om permanente bewoning op recreatieparken mogelijk te maken, geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. Eiser heeft met die stelling niet concreet gemaakt dat een toekomstig omgevingsplan in ontwerp is vastgesteld dat erin voorziet dat de berging zonder omgevingsvergunning mag worden gebouwd. Het college heeft op zitting ook betwist dat er een concreet plan voorligt op grond waarvan meer vierkante meters aan bebouwing zullen worden toegestaan.
9.2.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie.
9.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel?
10. Voor zover eiser betoogt dat de opgelegde last onder dwangsom onevenredig is, overweegt de rechtbank het volgende. De berging is zonder omgevingsvergunning gerealiseerd en heeft een oppervlakte van 36,8 m2. De overtreding kan daarom niet worden aangemerkt als een overtreding van geringe aard of ernst. De omstandigheid dat eiser naar eigen zeggen te goeder trouw heeft gehandeld en een aanzienlijke financiële investering heeft gedaan, maakt niet dat handhavend optreden onevenredig is. Het bouwen zonder de vereiste omgevingsvergunning komt namelijk voor het risico van eiser. [5] De stelling van eiser dat de berging de ruimtelijke kwaliteit van het nevenperceel heeft verbeterd en dat verwijdering daarom geen ruimtelijk doel dient, leidt niet tot een ander oordeel. Voor zover de ruimtelijke kwaliteit is verbeterd door de sloop van de bestaande vervallen schuren, geldt dat de last daar geen betrekking op heeft. De vraag of de zonder vergunning gebouwde berging ruimtelijk aanvaardbaar is, hoort in de eerste plaats thuis in een vergunningprocedure. Zoals hiervoor overwogen is de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning afgewezen en is dat besluit is inmiddels onherroepelijk geworden.
10.1.
Verder ziet de rechtbank in de door eiser gestelde afwezigheid van overlast voor omwonenden geen aanleiding om te oordelen dat de last onevenredig is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat geen sprake is van een geringe overtreding en dat een omwonende dan wel een familielid van een omwonende een melding over de berging heeft gedaan bij de gemeente. Die melding heeft geleid tot het handhavend optreden.
10.2.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.
10.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel?
11. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat handhavend optreden in strijd is met opgewekt vertrouwen, omdat de oude schuren ongeveer 28 jaar lang aanwezig zijn geweest, daar jarenlang onroerendezaakbelasting over is betaald en daartegen nooit handhavend tegen is opgetreden. Naar het oordeel van de rechtbank is dit tijdsverloop niet zodanig dat eiser daaraan het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat het college niet meer zou handhaven. Ook aan de door eiser gestelde omstandigheid dat jarenlang onroerendezaakbelasting is betaald voor de voormalige schuren kan hij niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat niet handhavend zou worden opgetreden. [6]
11.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel?
12. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel zijn er vereisten die voortvloeien uit vaste rechtspraak. Er dient sprake te zijn van een vergelijkbaar geval, dat ongelijk wordt behandeld zonder dat hiervoor een objectieve rechtvaardiging bestaat.
12.1.
Eiser heeft in zijn beroepschrift vier gevallen aangedragen die volgens hem gelijke gevallen zijn, omdat ook in die gevallen sprake zou zijn van een overschrijding van de maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing van 85 m². Het college heeft hierover in het verweerschrift toegelicht dat de door eiser genoemde gevallen betrekking hebben op recreatiewoningen met bergingen en/of bijgebouwen die zijn gerealiseerd binnen de subbestemming ‘Rz’, en in sommige gevallen, binnen het bouwvlak of op hetzelfde bouwperceel als de bijbehorende recreatiewoning. De rechtbank volgt het college in het standpunt deze gevallen niet gelijk zijn met de situatie op het nevenperceel van eiser. Aan eisers nevenperceel is immers niet de subbestemming ‘Rz’ toegekend en het maakt ook geen onderdeel uit van het hoofdperceel van eiser waarop zijn reactiewoning staat. Verder is de rechtbank van oordeel dat het college er gewicht aan heeft kunnen toekennen dat over de berging van eiser een melding is gedaan. Uit de toelichting van het college op zitting volgt dat het bij een melding van een overtreding prioriteit geeft aan handhavend optreden. Niet is gebleken dat in de door eiser genoemde gevallen eveneens een melding is gedaan of een verzoek om handhaving is ingediend. Ook om die reden kunnen deze situaties niet als gelijke gevallen worden aangemerkt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel.
12.2.
Ter zitting heeft eiser – in aanvulling op de zijn beroepschrift vermelde voorbeelden – nog tachtig afbeeldingen willen overleggen die naar zijn zeggen voortkomen uit hetzelfde controlesysteem als door het college wordt gebruikt. Die beelden onderbouwen volgens eiser dat er ruimschoots meer bebouwing dan 85 m2 op percelen in het recreatiepark staat. De rechtbank is van oordeel dat deze stukken wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing moeten blijven en overweegt daartoe het volgende.
12.3.
Ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Bij het indienen van nadere stukken is deze termijn belang van belang, maar niet bepalend voor de vraag of het overleggen van nadere stukken in strijd is met de goede procesorde. Voor het antwoord op die vraag is namelijk doorslaggevend of een zinvolle bespreking ter zitting kan plaatsvinden. Strijd met de goede procesorde doet zich voor als nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken zo laat worden ingediend en/of zodanig complex of omvangrijk zijn, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren, de rechtbank wordt belemmerd in haar voorbereiding van de zitting of de goede voortgang van de procedure daardoor op een andere wijze wordt belemmerd. [7] Gelet op de omvang van de door eiser aangedragen afbeeldingen is het college niet in de gelegenheid geweest om hierop adequaat te reageren. Het aan het dossier toevoegen van deze afbeeldingen zou daarom in strijd zijn met de goede procesorde. De rechtbank heeft eiser daarom ook geen gelegenheid geboden om de tachtig afbeeldingen ter zitting over te leggen.
12.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie met betrekking tot bijzondere omstandigheden
13. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college had moeten afzien van het handhavend optreden tegen de zonder omgevingsvergunning gebouwde berging. Het college mocht de last onder dwangsom dan ook aan eiser opleggen.
Begunstigingstermijn
14. Op zitting heeft eiser verzocht om, als de rechtbank tot het oordeel zou komen dat de last in stand blijft, een langere begunstigingstermijn dan zes weken na de uitspraak te bepalen. Volgens eiser is dit nodig omdat het langer dan zes weken zal duren om een aannemer te vinden die de berging kan afbreken. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding. Daartoe wordt overwogen dat eiser niet concreet heeft onderbouwd dat het niet mogelijk is om de berging binnen deze – door het college verlengde – begunstigingtermijn door een aannemer te laten afbreken.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Omgevingswet
Ingevolge artikel 5.1, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Ingevolge artikel 5.6 van de Ow is het verboden een bouwwerk of een deel daarvan dat is gebouwd zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in stand te laten.
Omgevingsplan gemeente Nieuwkoop
Ingevolge artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Ingevolge artikel 22.27 van het omgevingsplan geldt het verbod, bedoeld in artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:
a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
(…)
2. gelegen in achtererfgebied;
(…)
Bestemmingsplan “Recreatieparken”
Ingevolge artikel 1, onder 16, van het bestemmingsplan is een bouwperceel de aaneengesloten bebouwde en/of onbebouwde grond, behorende bij een bestaand of op te richten bouwwerk of complex van bouwwerken.
Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan zijn de op de plankaart voor Recreatie aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding ‘Rz’ bestemd voor recreatiewoningen.
Ingevolge artikel 4.5 van het bestemmingsplan geldt, voor zover relevant, het volgende:
de recreatiewoningen mogen uitsluitend binnen het op de plankaart aangeduide bouwvlak worden gebouwd;
per bouwvlak mag er slechts één recreatiewoning worden gebouwd, met een daarbij behorende bergruimte en/of een bijgebouw;
de maximaal te bebouwen oppervlakte per bouwperceel mag niet meer dan 85 m² bedragen;
(…)
Ingevolge artikel 4.6, onder a, van het bestemmingsplan mogen bijgebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak alsmede daarbuiten, met dien verstande dat per recreatiewoning slechts één bijgebouw mag worden gebouwd met inachtneming van het bepaalde in artikel 4.5, onder c.
Ingevolge artikel 17 van Pro het bestemmingsplan geldt, voor zover relevant, het volgende:
1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan.
( (…)
Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:251, onder 4.1.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:113, onder 10.5.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, onder 6.1.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2918, onder 4.1.
5.Uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1175, onder 5.1.
6.Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1442, onder 9.1.
7.Uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:844, onder 5.1.