ECLI:NL:RBDHA:2026:21259

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
NL25.28678
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:51a AwbArt. 8:51b AwbArt. 8:80a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over motiveringsgebrek bij afwijzing mvv-aanvragen op grond van artikel 8 EVRM

Eiseressen, Palestijnse familieleden afkomstig uit Gaza en verblijvend in Egypte, hebben mvv-aanvragen ingediend om als familieleden bij hun dochter en moeder (referente) in Nederland te verblijven. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvragen in 2024 en 2025 af, stellende dat er geen sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres 1 en de referente, en dat de belangenafweging voor eiseres 2 negatief uitviel.

De rechtbank behandelde het beroep op 21 juli 2026 en constateerde dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat, met name doordat de minister onvoldoende rekening hield met het gehele familiesysteem en de bijzondere persoonlijke omstandigheden van eiseres 1, zoals haar hoge leeftijd, handicap, oorlogstrauma en het ontbreken van een sociaal netwerk in Egypte.

De rechtbank oordeelde dat de minister ten onrechte een exclusieve afhankelijkheid eiste, terwijl het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een minder strenge toets hanteert. Ook werd onvoldoende onderbouwd waarom de banden met Egypte sterker zouden zijn dan met Nederland.

De rechtbank gaf de minister de gelegenheid om de gebreken te herstellen met een aanvullende motivering of een nieuwe beslissing op bezwaar, met een termijn tot 21 augustus 2026. Een voorlopige voorziening werd niet getroffen vanwege de mogelijke onomkeerbare gevolgen en het ontbreken van onoverbrugbare praktische problemen.

De uitspraak is een tussenuitspraak en verdere beslissingen, waaronder over proceskosten, zijn aangehouden tot de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en stelt de minister in de gelegenheid de gebreken te herstellen, waarna de zaak wordt aangehouden tot de einduitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28678 T
V-nummers: [V nummer 1]
[V nummer 2]

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres 1] , eiseres 1

geboren op [geboortedatum 1] 1943,
en

[eiseres 2] , eiseres 2

geboren op [geboortedatum 2] 1999,
beiden van Palestijnse nationaliteit,
hierna gezamenlijk: eiseressen
(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigden: mr. M.L.A. Berkelmans en mr. M. Hambarsumian).

Inleiding

1. Met de primaire besluiten van 9 juli 2024 heeft verweerder de aanvragen van eiseressen om een mvv [1] afgewezen.
1.1.
Met het bestreden besluit van 10 juni 2025 is verweerder bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
1.2.
Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseressen, [geboortedatum 3] (referente), de echtgenoot van referent, [persoon] (de dochter van referent), H. Abdullah als tolk in de Engelse taal en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling van het beroep

Achtergrond
2. Eiseressen zijn afkomstig uit Gaza en verblijven in Egypte. Zij hebben een mvv-aanvraag ingediend voor het doel Verblijf als familie- of gezinslid bij [geboortedatum 3] (referente) op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. [2] Referente is de dochter van eiseres 1 en de moeder van eiseres 2. Referente verblijft sinds 1 september 2018 in Nederland. De minderjarige dochter ( [persoon] ) en echtgenoot van referente verblijven bij haar in Nederland.
De besluitvorming
3. Met de primaire besluiten heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Volgens verweerder is namelijk geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen referente en eiseres 1 (haar moeder). Er is dan ook geen sprake van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Tussen referente en eiseres 2 (haar dochter) wordt wel familie- of gezinsleven aangenomen. Eiseres 2 kan namelijk als jongvolwassene worden aangemerkt en zij is financieel afhankelijk van referente en haar echtgenoot. De belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM valt echter uit in het nadeel van eiseres 2.
4. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseressen ongegrond verklaard. Volgens verweerder is niet gebleken dat er sprake is van een dusdanig bijzondere afhankelijkheid tussen eiseres 1 en referente dat moet worden aangenomen dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Volgens verweerder is ook niet gebleken dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres 2 en referente. Omdat verweerder concludeert dat er geen sprake is van een beschermingswaardig familie- of gezinsleven tussen referente en eiseres 2 en/of referente en eiseres 1 als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, wordt niet toegekomen aan een belangenafweging.
Hangende beroep
5. Met een besluit van 7 juli 2026 is aan eiseres 2 een verblijfsrecht op grond van studie toegekend. Eiseres 2 is namelijk toegelaten tot de studie geneeskunde aan de [universiteit] in [plaats] voor het collegejaar 2026-2027.
6. Met het bericht van 16 juli 2026 heeft verweerder aan de rechtbank laten weten dat hij aanleiding ziet een aanvullend besluit te nemen waarin nader zal worden beoordeeld welke betekenis toekomt aan de familie- en gezinsrelaties met de in Nederland verblijvende familieleden, waaronder het minderjarige kind [persoon] , in het kader van artikel 8 EVRM Pro.
Beoordeling door de rechtbank
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
7. Uit vaste rechtspraak van het EHRM [3] volgt dat de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, waarbij sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, een vraag van feitelijke aard is. [4] De beantwoording daarvan is afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Daarbij moet sprake zijn van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen.’ [5] Het EHRM heeft in verschillende arresten factoren aangewezen die relevant kunnen zijn bij de vraag of sprake is van deze meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Van belang kan bijvoorbeeld zijn of de familieleden hebben samengewoond, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin.
8. De rechtbank stelt allereerst vast dat het bestreden besluit, zoals verweerder zelf ook heeft erkend, een motiveringsgebrek bevat met betrekking tot de familie- en gezinsrelaties met de in Nederland verblijvende familieleden. Verweerder dient bij de nieuwe beoordeling van de meer dan gebruikelijke banden het gehele familiesysteem te betrekken. Hierbij moet niet alleen worden gekeken naar de banden tussen eiseres 1 en referente, maar ook naar de banden die eiseres 1 met de echtgenoot van referente en [persoon] heeft. Ook zal hierbij de band met eiseres 2 moeten worden betrokken, nu tegen de tijd van de besluitvorming haar studie start in Nederland en zij dus hiernaartoe moet komen.
9. Daarnaast constateert de rechtbank dat het bestreden besluit op een aantal punten gebreken vertoont. Verweerder dient bij de nieuwe besluitvorming expliciet rekening te houden met de bijzondere persoonlijke omstandigheden van eiseres 1. Daarbij is onder meer van belang dat eiseres 1 gehandicapt is en zorg behoeft, zoals blijkt uit de overgelegde medische stukken (stuk 16). Voorts dient verweerder kenbaar te betrekken dat eiseres 1 een oorlogstrauma heeft. In dat verband is relevant dat zij gedurende een jaar de oorlog in Gaza heeft meegemaakt en in 2024 samen met haar kleindochters en hun vader naar Egypte is gevlucht. Tevens staat vast dat eiseres 1 in Egypte over geen enkel sociaal of familiair netwerk beschikt. Verder dient verweerder gewicht toe te kennen aan de hoge leeftijd van eiseres 1, die inmiddels 83 jaar oud is, alsmede aan het feit dat zij gedurende een langdurige periode, sinds 2005, met het gezin dat thans in Nederland verblijft heeft samengewoond en zij altijd voor elkaar hebben gezorgd. Verder is zij volledig financieel afhankelijk van haar enige dochter. Deze omstandigheden zijn, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, van belang voor de beoordeling of sprake is van meer dan gebruikelijke banden en voor de belangenafweging die artikel 8 van Pro het EVRM vereist.
10. Ten aanzien van de overweging in het bestreden besluit dat eiseres 1 niet exclusief van het gezin afhankelijk is van zorg en niet is aangetoond dat derden niet voor haar kunnen zorgen overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit in belangrijke mate uitgaat van een vereiste van exclusieve afhankelijkheid tussen eiseres 1 en referente. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee een onjuist en te streng toetsingskader gehanteerd. De Afdeling heeft in de uitspraak van 18 juli 2025 [6] overwogen dat uit haar uitspraak van 27 maart 2024 [7] en het arrest Martinez Alvarado [8] van het EHRM volgt dat voor het aannemen van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet is vereist dat een vreemdeling exclusief afhankelijk is van een referent en zonder een referent niet zelfstandig kan functioneren. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat de zorg ook door anderen of door professionele zorgverleners kan worden verleend, overweegt de rechtbank dat deze omstandigheid op zichzelf niet uitsluit dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De beoordeling ziet immers niet uitsluitend op de feitelijke mogelijkheid om zorgtaken door derden te laten verrichten, maar ook op de aard en intensiteit van de persoonlijke afhankelijkheidsrelatie en de bijzondere vertrouwensband tussen eiseres 1 en haar familieleden. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres 1 in Egypte geen rechtmatig verblijf heeft, zodat niet zonder meer aannemelijk is dat zij daar feitelijk toegang heeft tot professionele of institutionele zorg. Verweerder zal deze omstandigheden kenbaar bij de nieuwe besluitvorming moeten betrekken.
11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat Egypte als land van ‘bestendig verblijf’ kan worden aangemerkt omdat eiseres 1 voor wat betreft taal en cultuur betere banden zou hebben met Egypte dan met Nederland. De rechtbank overweegt dat verweerder hiermee onvoldoende onderbouwt waarom de banden van eiseres 1 met Egypte sterker zijn dan met Nederland. De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van de banden van eiseres 1 met het land waarheen zij zou moeten terugkeren niet uitsluitend betekenis toekomt aan objectieve aanknopingspunten, zoals het spreken van de taal of het enkele feit dat eiseres 1 daar illegaal verblijft. Van belang is de mate waarin eiseres 1 sociaal, familiair en maatschappelijk met dat land is verbonden. Daarbij kunnen onder meer de duur en omstandigheden van het verblijf, de aanwezigheid van een sociaal of familiair netwerk, de mate van integratie en de persoonlijke omstandigheden van eiseres 1 worden betrokken. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder bij de beoordeling van de banden kenbaar dient te betrekken dat de banden van eiseres 1 met Egypte zeer beperkt zijn. Daarbij is van belang dat eiseres 1 daar pas sinds ongeveer anderhalf jaar verblijft als gevolg van haar vlucht voor de oorlog, geen rechtmatig verblijf heeft en niet beschikt over een sociaal of familiair netwerk. Gelet op haar hoge leeftijd, haar handicap en haar oorlogstrauma bevindt eiseres 1 zich bovendien in een bijzonder kwetsbare positie. Zij neemt daar niet deel aan het maatschappelijke leven en heeft daar geen sociaal netwerk opgebouwd. Daartegenover staat dat haar naaste familieleden, met wie zij als enige een nauwe persoonlijke band onderhoudt en van wie zij afhankelijk is voor zorg en ondersteuning, in Nederland verblijven.
Ambtshalve voorlopige voorziening
12. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door de gemachtigde van eiseressen is voorgesteld, ambtshalve een voorlopige voorziening te treffen in deze zaak. De voorzieningenrechter begrijpt dat eiseressen belang hebben bij een spoedige beslissing, nu eiseres 2, die thans voor eiseres 1 zorgt, voor de aanvang van haar studie naar Nederland zal vertrekken. Daar staat echter tegenover dat het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening in belangrijke mate onomkeerbare gevolgen heeft. Om die reden past terughoudendheid bij het treffen van een dergelijke voorziening. Voorts is niet gebleken dat de periode tot het nemen van een beslissing niet met praktische oplossingen kan worden overbrugd. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het belang van eiseressen voldoende gewaarborgd door verweerder een korte beslistermijn op te leggen. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat verweerder binnen die termijn op de aanvraag zal beslissen.

Conclusie en gevolgen

13. Zoals hiervoor is overwogen is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om de gebreken te herstellen, moet verweerder een nadere motivering geven ten aanzien van de onder rechtsoverwegingen 8 t/m 11 genoemde punten. Gelet op de spoedeisendheid (namelijk dat eiseres 2 binnen afzienbare tijd naar Nederland zal afreizen voor haar studie)
bepaalt de rechtbank dat verweerder tot 21 augustus 2026 de tijd heeft om de gebreken te herstellen.
14. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen een week, meedelen aan de rechtbank of hij gebruikmaakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als verweerder gebruikmaakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres 1 in de gelegenheid stellen binnen twee weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
15. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt verweerder op binnen een week de rechtbank mee te delen of hij gebruikmaakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt verweerder in de gelegenheid om uiterlijk
op 21 augustus 2026de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak El Idrissi, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.A.H. Gonera, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
4.Arrest van 17 april 2012, Kof en Liberda tegen Oostenrijk, app.no. 1598/06.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
6.ECLI:NL:RVS:2025:3275, rechtsoverweging 3.3.
7.ECLI:NL:RVS:2024:1189, rechtsoverweging 4 en 4.1.
8.Arrest van 10 december 2024, Martinez Alvarado tegen Nederland, nr. 4470/21, paragraaf 49.